Apotheose van het post-Orwell tijdperk; 1984 ALS UTOPIE

Kan de wereld ook zonder houvast aan de Berlijnse muur worden begrepen? In dit essay wordt de beroemde anti-utopie '1984' daarvoor als leidraad gebruikt: het einde van de geschiedenis werd al door de schrijver George Orwell uitgevonden. Tien jaar later is iedereen naar draagkracht en ambitie zijn eigen Big Brother geworden. Welkom in 1994 - in de wereld van het geprivatiseerde geweld, de junkcultuur en de gelijkgeschakelde burger.

In 1984, toen het 'Orwell-jaar' genoemd, is het landhuis Barnhill op het Schotse eiland Jura een paar weken het centrum van de herdenkingsindustrie geweest. De televisieploegen verschenen om vast te leggen waar in 1948 de schrijver zijn boek had voltooid. Het huis was vervallen, de kamers leeg, de tuin een wildernis. Een Amerikaans network liet autenthiek meubilair aanrukken, de Duitsers hadden plastic planten meegebracht, op het hele eiland was geen kamer meer te krijgen. De films werden gemaakt, de televisiemensen vertrokken, ze namen hun rekwisieten mee. Het was alsof een afdeling van het Ministerie van de Waarheid het eiland had aangedaan.

Behalve Margaret Mitchells Gone with the Wind en Erich Maria Remarques Im Westen nichts Neues is er in deze eeuw waarschijnlijk geen boek dat het, hoewel weer heel anders, tot de status van een onverslijtbare legende heeft gebracht. Nineteen-Eighty-Four is de voltooide politiestaat; het spreekt niet zozeer tot de verbeeldingskracht; het stelt die eerder buiten werking.

Daarom is 1984 een sluitstuk. Als anti-utopist staat Orwell aan het einde van een ontwikkeling: in zijn genre is 1984 niet de enige constructie. Het is, weten we nu, de laatste van formaat in de categorie nachtmerries waardoor de politieke cultuur van het Westen de afgelopen eeuw is bezocht.

Orwell heeft veel te danken aan Wij van Jevgenii Zamjatin.1De Britse essayist van Poolse afkomst Isaac Deutscher heeft daarover in 1954 een essay geschreven 2 waarin hij aantoont hoeveel Orwell van Zamjatin heeft 'geleend' zoals hij het toen vriendelijk uitdrukte. Nu zou men zeggen: het was onbeschaamd plagiaat. Alle begrippen waarop 1984 steunt, waaraan het zijn legendarische reputatie te danken heeft, zijn dezelfde waarop Zamjatin zijn constructie heeft gebouwd. Big Brother vinden we terug als Grote Weldoener. De Thought Police wordt gevormd door de Beschermers die via de straatmembranen en vanuit hun aero's door de 'zwarte slurven van de observatiebuizen' iedereen afluisteren en in de gaten houden. Zo valt er een lange lijst te maken.

Dan zijn er twee verschillen van meer belang. Zamjatins boek is beter geschreven en doordacht. Het beschrijft de innerlijke strijd van de held: tussen zijn gecollectiviseerd geweten en het restant van zijn individualisme, zijn ketterse persoonlijkheid, ontwaakt door zijn liefde voor I-330. De beschrijving van de druk der gelijkschakeling, gepaard aan de ontwikkeling van de tweestrijd, geeft Wij soms een beklemming die aan Kafka doet denken.

Het tweede verschil is dat de intuïtie van Zamjatin te vroeg is gekomen en dat Orwell precies op tijd dit boek onder ogen heeft gekregen en goed heeft begrepen hoe hij het moest gebruiken. Niet verbazingwekkend: Orwell wist meer, hij was dertig jaar verder. Hij had in de Spaanse Burgeroorlog gevochten, de Moskouse processen waren nog geen tien jaar achter de rug, hij had gezien hoe de Grote Drie in Teheran en Jalta bezig waren geweest de wereld te verdelen. Orwell heeft in 1945 het boek van Zamjatin gelezen. Hij heeft het in de Tribune, het links-socialistische weekblad, besproken.3In zijn bespreking stelt Orwell vast dat Aldous Huxley zijn Brave New World 'gedeeltelijk aan Zamjatin moet hebben ontleend'. Maar 'over het geheel genomen heeft dit boek meer betrekking op onze situatie'. Dat is zacht uitgedrukt. Hij heeft het herkend als de volmaakte vorm waarin hij al zijn ervaringen, inzichten en angsten tot het meest actuele en dringendste alarm kon verwerken. Nu, zoveel later, denk je dat er toen wel een bedankje af had gekund.

Huxley heeft ontkend dat hij Wij had gelezen. Het is best mogelijk; waarom zou men hem niet geloven, want ook over Zamjatin bestaat het sterke vermoeden dat hij een voorloper heeft: de door zijn humoristische verhalen bekend geworden Britse schrijver Jerome K. Jerome, die dichter onder Huxleys bereik lag. In 1891 is van Jerome een essay verschenen, The New Utopia, waarin een staat wordt beschreven die al aan de Vereende Staat en Oceanië doet denken.4 Dit essay, twaalf pagina's, zeer de moeite waard, bestaat uit de beschrijving van de absolute gelijkheid, gehandhaafd door de dictatuur van de tot heilig uitgeroepen meerderheid en wat daarbij komt kijken. Alle mensen zien eruit als politieagenten, ze hebben geen namen meer, het verschil tussen mannen en vrouwen is niet meer te zien, het huwelijk is afgeschaft, seks is op de bon, er hoeft nog maar drie uur per dag te worden gewerkt en de rest van de tijd overdenkt men zijn zegeningen. Het is een beknopte, vrolijke en vernuftige voorloper van Wij en dus een duidelijk voorvader van 1984.

Zamjatin kon al uit de ervaring van de Revolutie putten. Voor de idealistentaal die in zijn boek wordt gesproken heeft hij de propagandistische retoriek van de 'proletarische dichters' uit de eerste jaren na de Revolutie gebruikt.5 Maar ook Fredrick Winslow Taylor, met zijn methode om de arbeider als verlengstuk van de machine te robotiseren, heeft Zamjatin beïnvloed. Orwell heeft gelijk als hij in zijn bespreking van Wij deze 'industriële' component als een afzonderlijke behandelt: “In feite is het een studie van de machine, de Geest die door de mens zonder na te denken uit de fles is gelaten en die er nu niet meer in kan worden teruggebracht.” Zijn gelijk houdt op als hij voor de industriële component de politieke verwaarloost. De Vereende Staat in Wij heeft al een politieke organisatie die totalitair mag heten en die we ons ook afzonderlijk van de daar toegepaste - toen zeer geavanceerde - technische foefjes kunnen voorstellen.

Zamjatin is met zijn Wij dus getroffen door het lot van de geniale voorloper: te vroeg voor het grote publiek en te zeer wortelend in een achterhaalde periode.6 Hij is gestorven in 1937, toen de wereld nog een verhoudingsgewijs zachtaardige voorstelling had van de praktijk der grote dictaturen.

Het staat wel vast dat er zonder Zamjatin geen Big Brother zou zijn geweest. Niettemin is 1984 een zelfstandig boek. Het is een in de politieke toestand van toen wortelende waarschuwing; als waarschuwing bevat het de voorspelling van het slechtst denkbare. De voorspelling had een overtuigingskracht waardoor ze in het politieke denken is geworteld en tot op de dag van vandaag bruikbaar wordt bevonden. Anders gezegd: een anti-utopie mag geen sprookje zijn. De constructie moet zoveel herkenbaars bevatten dat de lezer zich de tastbare mogelijkheid van zo'n toekomst kan voorstellen. Als het verhaal deugt is het een gechargeerd heden. Zonder deze verbinding met de werkelijkheid van het heden is het uit de duim gezogen, en die noodlottige indruk zal het dan ook op de lezer maken. Dat is 1984 niet overkomen.

Geen wonder: de dagelijkse politiek zèlf had in de jaren na 1947 al de trekken van een anti-utopie aangenomen. De deur naar de politieke gruwelkamer stond open en iedereen zag wat er direct achter de drempel gebeurde. In het binnenste van de schemering moesten zich onvoorstelbare verschrikkingen afspelen. Door een massapubliek waarvoor de Tweede Wereldoorlog gisteren was geëindigd, en dat nog met distributie van voedsel, tabak en textiel tussen de resten van het puin in de coulissen van de oorlog leefde, was de wereld die Orwell beschreef niet revolutionair.

Dit verklaart het onmiddellijke enorme succes, en zo komt het dat 1984 nu een historisch document is. Orwells boek - 'verouderd' - blijft bestaan, ook nadat het als anti-utopie zijn politieke actualiteit heeft verloren. Het is een document waaraan de wereld van nu kan afmeten wat er intussen radicaal is veranderd, ook in haar verwachtingen. Ons beeld van de toekomst, tien jaar na Orwells jaar van vervulling, is even typerend voor ons als 1984 dat is voor de wereld van 1948.

In 1984 is Big Brother de alziende abstractie, door één portret vertegenwoordigd. Het gereedschap van zijn almacht is het telescreen; zijn personeel de Thought Police; zijn organisatie de Partij die altijd gelijk heeft. Vandaar dat de wetten zijn afgeschaft en de geschiedenis voortdurend wordt herschreven. Het bewaren van de openbare orde is onderbouwd met een systeem tot handhaving van ieders innerlijke orde volgens een methode die ieders ontindividualisering verzekert. Het kloosterachtig puritanisme waarin de partijleden worden opgevoed, heeft twee functies: het brengt de seks van een individueel en zelfvestigend handelen terug tot een onpersoonlijke bedrijvigheid en het sublimeert de energie die de Partij nodig heeft voor andere doeleinden, zoals de haatweek. Persoonlijke wedijver bestaat niet. Alle consumptiegoederen zijn altijd schaars als gevolg van de permanente bewapeningswedloop. De buitenlandse politiek, ondergeschikt aan de binnenlandse, heeft de eenvoud van de Koude Oorlog.

Dit is in grote trekken de wereld van 1984, het Oceanië van Big Brother. Er is veel meer dat zich in het denk- en spraakgebruik heeft gevestigd. Ik som dat niet op. Het gaat erom dat Orwell een gesloten systeem heeft beschreven waarin de Partij allen heeft ontindividualiseerd en vervormd op de maat van het partijbelang. Zo komt het verticaal éénrichtingsgezag tot stand. Dat is voorgoed, onveranderlijk. Met 1984 is ook al een einde van de geschiedenis uitgevonden.

De droom van de voorspeller is dat hij een helderziende zal blijken te zijn. Of dat ook voor Orwell geldt weten we niet. Hij is in 1950 gestorven. Voor de voorspeller, als hij die heeft willen zijn (of óók heeft willen zijn - hoe groot is de eerzucht van een voorspeller?), is het jammer dat hij niets van de Stasi heeft geweten. Maar ook in de eerste twintig jaar van de Koude Oorlog heeft zijn boek al voldoende werkelijkheidsgehalte gehad om er een profetische kracht aan toe te kennen.

Nader beschouwd bestaat het naderend onheil volgens Orwell uit twee bestanddelen: de absolute macht van het instituut dat tegelijkertijd staat en partij is, en de technische en psychologische middelen waarmee deze macht zich handhaaft. Bij Orwell zijn deze twee bestanddelen onscheidbaar. In de werkelijkheid van de afgelopen twintig tot dertig jaar zijn ze vèr uit elkaar geraakt.

Hier ontstaat de nieuwe bruikbaarheid van Orwell. Zijn anti-utopie van gisteren geeft reliëf aan de werkelijkheid van vandaag. Door te bekijken wat de verschillen zijn tussen de 'absolute' samenleving, maatschappij en staat van 1984 en de wereld die tien jaar na het omineuze jaartal, vijf jaar na de Koude Oorlog, is ontstaan, kunnen we pas goed zien welke omwenteling zich in politiek en staat, de normen en het leven heeft voltrokken.

Het geprivatiseerd geweld

In 1984 heeft de partijstaat al een jaar of twintig tevoren zijn offensief tegen het volk voltooid. Het systeem dat Orwell heeft ontworpen dient tot de permanente consolidering en vervolmaking van de overwinning.

Dit is het eerste grote verschil. De moderne industriestaten, die van het Westen en meer nog de vroegere communistische, zijn in het defensief gedrongen. Ze hebben zich hun eerste monopolie, dat van het geweld, laten ontnemen. Geweld is niet alleen de daadwerkelijk uitgeoefende dwang; het is de algemene handhaving van de wet waarbij toegepast geweld de laatste fase is. Dit monopolie van de dwang heeft de staat zich laten ontglippen; dat is de officieel ontkende maar dagelijks verifieerbare waarheid van 1994. Het terrein is geruisloos geprivatiseerd door een aantal groepen die, ieder met een ander belang, de staat negeren. Die groepen zijn geen concurrenten van de staat. Ze hebben geen politiek doel, ze willen geen frontale botsing; ze willen niet de macht 'overnemen'. De meeste agressie voltrekt zich langs een omweg, met de doelmatige omzichtigheid die de aanvaller nodig acht omdat hij de staat niet meer als vijand maar als hinderlijke aanwezige beschouwt. Langs een omweg trekt hij zich van het geweldsmonopolie niets aan; hij slaagt erin het monopolie aan zijn laars te lappen. Door de monopolist, de staat, moet deze negatie op zichzelf al als een aanval worden beschouwd.

De eerste grote, gevestigde vijand van de staat is 'de misdaad'. De twijfel over de omvang, de macht van de 'georganiseerde mafia', de vermoedens over de gebieden van haar bezigheden, de vraag hoever ze in de legaliteit is doorgedrongen, waar ze zich in de bres van de corruptie heeft genesteld: al die onzekerheden hebben 'de misdaad' tot een nieuwe mythe gemaakt. Om vast te stellen wat die mythe betekent zou het de moeite waard zijn, een atlas van de misdaad te maken, zoals dat met oorlogstonelen wordt gedaan: de geschatte sterkte, de organisaties, de uitvalsbases, de verdedigingslinies en de fronten: van de gestolen auto's, de verdovende middelen, de bouwschandalen, de banken en het witgewassen geld, de wapensmokkel, de protection rackets, de prostitutie, de infiltratie bij politie, bedrijfsleven en politiek. Hoe groot is de georganiseerde misdaad? Groter? Kleiner? Het gebrek aan antwoord draagt bij tot de mythe die op zichzelf al de staat in de verdediging dringt.

De tweede, bondgenoot van de eerste, is de onbeheersbare grote stad die de schuilplaats voor de misdaad en haar klantenkring is. In geen moderne grote stad heeft de overheid de groei kunnen bijhouden. De gebreken zijn bekend. De grote stad is oncontroleerbaar geworden. Daarbij gaat het niet om de vraag of de overheid in staat zou zijn, te controleren of alle stadsbewoners zich aan wetten en regels houden. Dat is een doelstelling uit 1984. Het gaat om de overheid zelf die op het gebied van huisvesting, stadsonderhoud, verkeer en openbaar vervoer, toezicht op vestigingen enzovoort, haar eigen verplichtingen niet kan nakomen. In de grote stad is de overheid op de terugtocht, of heeft zelfs in stilte de ontruiming voltooid. In Amerikaanse steden heten dit abandoned areas; in Nederland is er een eufemisme op gevonden, het gedogen. Alles wat lang genoeg wordt gedoogd groeit tot een 'misstand die niet meer kan worden gedoogd'. De crisis van de grote stad is in werkelijkheid een crisis van de staat.

De derde aanvaller van de staat is, sinds de PLO het eerste vliegtuig heeft gekaapt, het politieke terrorisme. Vliegvelden, ambassades, supermarkten, wolkenkrabbers, iedere plaats waar terreur veel publiciteit veroorzaakt, is potentieel frontgebied. Zoals door de arrestatie van Carlos is ingezien: het terrorisme is veranderd, is anoniem geworden, heeft een duurzamer inspiratie dan die van de RAF. De techniek is niet veranderd, het front is langer geworden.

De vierde, de passieve vijand van de staat, bestaat uit de grote massa der onverschilligen, de bevolking van het door de staat niet meer beheerde maar wel verzorgde niemandsland; het enige niemandsland met een moderne infrastructuur, bewoond door degenen die hebben begrepen dat ze zich als parasieten van de staat kunnen handhaven. Dahrendorf noemt ze de staatverlaters, de openbare illegaliteit, van miljonairs tot straatarmen. Ze doen niet meer mee; hun minimum aan solidariteit is verdwenen.

De vijfde wordt gevormd door de politieke opportunisten, de kandidaat-sterke mannen, de kwakzalvers: Ross Perot, Jean-Marie Le Pen, Silvio Berlusconi. Hun conjunctuur ontstaat niet uit een beredeneerde behoefte maar uit een stemming van achterdocht, angst en ongeduld. Zij zijn degenen die zich aandienen als de veldheren van het Letztes Aufgebot, de wanhoopsverdediging. Dat ze geen benul van de complicaties der anciens régimes hebben wordt als een voordeel gezien. In werkelijkheid zijn ze kwaadaardige amateurs die de wapens van de demagogie kunnen betalen, en de staat in crisis door hun persoon, hun hoedanigheid als sterke man willen vervangen.

De vijf bedreigingen zijn samen in onophoudelijke beweging, en grootscheeps in hun gelijktijdigheid.

Big Brother in de verdediging

Een van de belangrijkste vondsten die de mythe van 1984 hebben veroorzaakt is de naar twee kanten werkende televisie, instrument van bevel en controle, het audiovideo-wapen, zoals alle wapens horend tot het monopolie van de partij: het telescreen. Het is voor Orwell meer dan een apparaat: de scepter van Big Brother, symbool van de paranoïde almacht. Het is een bewijs voor de kracht van deze mythe dat ze nog lang stand heeft gehouden nadat de praktijk van de televisie de onhoudbaarheid had bewezen. De verwarring tussen zenden en ontvangen duurt voort.

De praktijk van de zendende televisie in de westerse en verwesterde maatschappij bestaat uit drie grote hoofdstukken: de trivialisering, de agitatie en hysterisering en de verbreiding van de junk-cultuur. Daarna komen de nieuwsvoorziening, andere soorten van redelijke voorlichting, en wat verder tot de franje van het scherm behoort.

In principe kan alles door de televisie worden getrivialiseerd, dat wil zeggen, tot verwaarloosbare, uitwisselbare, verzapbare tijdpassering worden teruggebracht. In zijn trivialiserende functie maakt de televisie het de kijker mogelijk tegelijkertijd zich te vermaken en te vergeten, onder de indruk te raken en zich bij voorbaat van de consequenties ontslagen te achten.

Agiterend en hysteriserend werkt de televisie door te onthullen en te bevestigen wat het publiek, door iedere herbevestiging, in staat van opwinding houdt. In deze functie is ze het sterkst in dienst van de afbraak: meestal het schervengericht dat onherroepelijk volgt op de ontdekking van een schandaal. Het maakt daarbij geen verschil of 'het centrum van de belangstelling' zich zijn reputatie in het amusement, de wetenschap of de politiek heeft verworven. 'In opspraak' is verdacht, is schuldig. In tegenstelling tot wat Orwell verwachtte en wat de reputatie van het medium wil, is de televisie veel machtiger in haar afbraak dan in haar opbouw. Berlusconi heeft op den duur minder aan de televisie te danken dan Bill Clinton ervan te lijden heeft en Ross Perot is er vergeefs een fortuin aan kwijtgeraakt. De televisie heeft Michael Jackson zijn fortuin bezorgd en zijn val bewerkstelligd.

Bij Orwell is de televisie volstrekt ondergeschikt aan de politiek, het verlengstuk van de dictatuur die construeert. In werkelijkheid is de televisie, agiterend en hysteriserend, veel meer het dynamiet van een boosaardige tovenaarsleerling dan het medium dat zijn eigenaar gehoorzaam naar het aangewezen doel brengt. Het merkwaardige is dat de televisie zich dan al afbrekend, opwerpt als de behoeder van het fatsoen, de moraal.

De grootste macht van de televisie op de lange duur ligt waarschijnlijk in de verbreiding van de junkcultuur. Het is een ingewikkeld vraagstuk dat veel meer inhoudt dan de veelbesproken incidentele gebeurtenissen, de jongeren die aan het moorden slaan 'omdat ze dat op de televisie hebben gezien'. Junkcultuur is een geheel van gewoonten en voorbeelden dat niet in werkelijkheid bestaat, en op de televisie zijn grootste schijn van werkelijkheid krijgt.

Junkcultuur - de term is van William Pfaff - heeft drie eigenschappen. Er zit een overmaat aan agressiviteit in. De middelen waarmee die cultuur tot uitdrukking wordt gebracht zijn in overvloed op de markt en als zodanig dus door anderen verzonnen ready-mades van dit bijzondere prestige. En ze zijn internationaal begerenswaardig. Wie zich het bezit ervan heeft verworven denkt niet dat hij een hele Piet is, maar gelooft de volkomen Piet te zijn. De normen van de junkcultuur, een geheel dat iedere dag overal ter wereld door de televisie wordt voorgetoverd, zijn eigenlijk wensen op de verlanglijst voor Sinterklaas.

Alleen in haar trivaliserende functie zou de televisie bij Orwell kunnen worden ondergebracht. De Proles in 1984 hebben geen televisie maar worden gevoed met de onzin die nu door de televisie wordt geproduceerd. Agiterend en hysteriserend dient de televisie vooral de afbraak; niet de indoctrinatie. Voorzover de televisie indoctrinerend werkt bevordert ze daarmee de junkcultuur, die, wat we er verder dan ook van mogen vinden, in ieder geval geen grondslag is voor een dictatuur die het einde van de geschiedenis moet markeren, maar voor een chaos die hetzelfde dreigt te doen.

De nieuwe elite

Bij Orwell is het telescreen de magische twee-eenheid en de microfoon is er ter ondersteuning. Beide dienen om te spioneren en bevelen te geven. Nog altijd wordt die constructie als een 'angstaanjagend toekomstbeeld' gezien; maar de werkelijkheid heeft dit perspectief ingehaald. Tien jaar na 1984 is ook hier het terrein verkaveld tussen de overheid en het particulier initiatief, en de functie van het gereedschap is veranderd.

Het is waar: de televisiecamera en de monitor zijn overal: in supermarkten, banken, parkeergarages, liften, aan gevels, op stations, langs de wegen, waar niet. Maar het is geen dreiging; het is het antwoord op een dreiging. Niet de supermarkt dreigt; het is de winkeldief. Niet de bank maar de rover; niet de directie van het vliegveld maar de terrorist. De kijkende, spiedende camera die Orwell als een offensief, onderdrukkend apparaat in het televisietoestel had gezet, heeft een functie in de verdediging gekregen. De maatschappij heeft een Maginotlinie van videocamera's gebouwd. De apotheose van de post-Orwell tijd is de zaak van de Engelse kleuter, vermoord door twee jongens die waren 'geïnspireerd' door een videofilm, en gearresteerd nadat ze waren herkend op de band van een monitor in een winkelpassage terwijl ze hun slachtoffer ontvoerden.

Een sterk voorbeeld van het staatsmonopolie op de microfoon is in 1984 de passage waarin Julia en Winston in de vrije natuur een plek zoeken om hun liefde te bevestigen. Er is niet meteen een microfoonvrij bosje gevonden. Nu luistert de pers van de Proles mee als de Britse kroonprins met zijn geheime verloofde praat of als Diana iemand met anonieme telefoontjes belaagt. Ook het afluisteren door de overheid heeft inmiddels een hoge vlucht genomen. Wat in de Koude Oorlog aan de geheime diensten was voorbehouden, dringt door in de methoden die de gewone burgerpolitie gebruikt. Bevoegdheden tot aftappen worden 'verruimd', daaruit verkregen gegevens als bewijsmateriaal toegelaten. Intussen luistert de criminaliteit de hoofdcommissarissen af en breekt in bij de gezagsdragers. In handen van de overheid valt het afluisteren niet meer als defensief of offensief te omschrijven; geprivatiseerd is het altijd offensief.

'Orwell' is de maatschappij van de toekomst zonder schuilhoeken, zonder privacy. Dit, zijn we soms geneigd te geloven, is een toestand die 'snel naderbij komt'; een universele spionage. De staat geeft de burger een nummer, verplicht hem tot identificatie, slaat ieders 'persoonlijke gegevens' op in computers, bouwt een reusachtig administratief bolwerk dat ontoegankelijk is voor de geregistreerden. Interpol groeit. Universiteiten, grote bedrijven, verzekeringsmaatschappijen, multinationals leggen van hun personeel bestanden aan. Computers worden gekoppeld, gegevens uitgewisseld. In de citadel der bureaucraten, van overheden en ondernemingen, bestaat van iedereen een dossier, ontoegankelijk voor degene wiens naam en nummer erboven staan. De dossiers worden bijgehouden om der wille van het bijhouden, ze groeien vanzelf. De bureaucraat slaat een toets aan: op het scherm verschijnt uw levensgeschiedenis zoals die door de bureaucratie is geschreven. Dat is de vervulling van 'Orwell'. Niet zozeer het telescreen als wel de computer die er in 1948 nog niet was, heeft de vervulling gebracht.

Dit zou waar kunnen zijn als niet het verschijnsel dat 'moderne communicatie' wordt genoemd te groot is geworden om overzichtelijk te worden beschreven, laat staan dat het door wie of wat ook kan worden beheerst. Er is geen gesloten systeem van de staat zoals Orwell heeft ontworpen. Het systeem is meer dan lek; het heeft gapende gaten. De internationale hackers, die hun vereniging naar Emmanuel Goldstein - de doodsvijand van Big Brother - hebben genoemd, kraken computers. Kleine gauwdieven hebben scanners om de politieradio af te luisteren. Hoe lek is Internet, wie leest wiens e-mail, wie is de geheime derde in een gesprek via twee autotelefoons, wat zijn de nog weinig geëxploreerde mogelijkheden van de cellulair-phone, wat gebeurt er op de elektronische supersnelweg?

Niet alleen het geweld is geprivatiseerd; ook dat andere monopolie van de staat, het spionagebedrijf, is verkaveld, opgedeeld. Big Brother is een mythe. De hackers op de elektronische snelweg, de afluisteraars met hun richtmicrofoons en de computerkrakers, de beloften van de spy shops zijn bijelkaar ook een mythe, de post-Orwell-mythe waarin de staat op een heel andere manier is verdwenen omdat iedereen de Big Brother van iedereen kan worden: Alle Menschen werden Brüder; We're alle Big Brothers now. .

Wat is waar? De waarheid is dat de meeste mensen, degenen die deelnemen aan de geregelde samenleving, tussen de twee partijen in, zich door beide kanten bedreigd voelen. Ze herkennen, door hun maatschappelijk gerangeerd zijn, de mythe van Orwell in een lange reeks van registratietekens en mogelijkheden tot controle. De onderste lagen van de geregistreerden merken, als ze zich niet aan de regels houden, dat hun bestaan zich afspeelt in een gewatteerde dictatuur.

Degenen die daaraan ontsnappen zijn de actieve of passieve vijanden van de staat die ik hierboven heb beschreven. Aan de ene kant de alzijdig gecontroleerde gemeenschap die zich aan de wet houdt, en aan de andere het talrijke gezelschap van de zelfstandige Big Brothers. Die twee bestaan naast elkaar. Mythe tegen mythe, en ook praktijk tegen praktijk.

Wie is hier eigenlijk Big Brother?

Big Brother is het ontwerp van een voorbeeldig staatshoofd. Hij heeft geen vrienden, valt niet te beïnvloeden, is vrij van ijdele belangen, niet corrupt, niet op zoek naar dankbaarheid of genegenheid van wie of wat dan ook. Als we een ogenblik vergeten dat hij geen scrupules heeft, niet wordt gehinderd door een christelijk geweten, is hij een monument van zuiverheid, zonder verleden, onbelast. 'Leiders hebben geen vrienden.' Hitler had geen vrienden. Als Lodewijk de Veertiende minder aards was geweest zou hij een voorloper van Big Brother kunnen zijn: l'État c'est moi. Charles de Gaulle bewaarde een soevereine afstand van alles wat kon corrumperen. Het referendum diende niet om zijn populariteit te bewijzen maar om het Franse volk de gelegenheid te geven te laten zien dat het zijn verstand bijelkaar had. Big Brother is verplicht zijn onderdanen in de gaten te houden; dat is zijn duurzame verantwoordelijkheid. De onderdanen hoeven hem niet te zien want het staat vast dat met hem alles in orde is. Zijn kamerheer heeft niets over hem mee te delen.

Dit is in de jaren post-Orwell een van de revoluties binnen de grote omwenteling. You are watching Big Brother, onophoudelijk: in zijn persconferenties, terwijl hij kinderen optilt, linten doorknipt, handtekeningen zet, nationale reddingsplannen ontvouwt, aan een feestmaal onder tafel zakt, zijn ex-maitresse zijn geheime doopceel licht, zijn kamerheer verklapt dat hij een oplichter is, zijn minister stiekem aan de pers vertelt dat hij in snikken uitbarstte toen hij hoorde dat hij zou worden afgezet.

Politieke leiders danken hun bestaan aan drie dingen: hun bekwaamheden, hun populariteit en het toeval. Over het toeval heeft geen sterveling iets te zeggen. Tussen bekwaamheid en populariteit bestaat geen congruentie. Een leider kan er weinig van terecht brengen maar onverslaanbaar populair zijn, zoals Ronald Reagan. Het tekort op de begroting, Irangate, misdaad en werkloosheid, het deerde hem niet. Bill Clinton wil naar de maatstaven van de redelijkheid gemeten betere dingen voor het volk - geen wapens, wel ziekteverzekering - maar hij wordt gesloopt door een bondgenootschap van politieke vijanden en vriendinnen en vrienden van vroeger die geld zien in zijn afbraak.

Populariteit en bekwaamheid zijn onafhankelijke grootheden. Populariteit is onberekenbaar, wat niet wegneemt dat degene die ervan afhankelijk is in de verleiding komt, datgene te doen - liefst met de camera's op zich gericht - waarvan hij veronderstelt dat de meerderheid er plezier in heeft. Daardoor heeft de meerderheid een groot aandeel in het maken van de leider. De meerderheid ziet het liefst dingen die met verstandige politiek niets te maken hebben. Big Brother deed het andersom: hij had de automatische dagelijkse acclamatie georganiseerd. Het volk wist vantevoren dat het goed was. Wat hij ook deed, altijd acclamatie, iedere dag. Wie afhankelijk is van zijn populariteit moet zich buigen, plooien, luisteren; op den duur zoveel luisteren dat hij geen tijd heeft om iets anders te zeggen dan wat hij heeft gehoord. De camera is gekeerd, met de lens op Big Brother. De jacht naar populariteit is de afbraak van de politieke elite - en niet alleen van die.

'Orwell' blijkt bij enige analyse een systeem te zijn; post-Orwell is dat ook. In 1984 is de rol van de geschiedenis gereduceerd tot bevestiging van het dagelijks gelijk dat het monopolie van de partij is. In 1994 is de rol van de geschiedenis geïndustrialiseerd, verwerkt tot een reeks van herdenkingen en vervalste remakes die niets meer van doen hebben met 'de les' van destijds maar des te meer met televisieseries, Schindler's List, toerisme en de merchandising van souvenirs.

'Orwell' heeft seks tot taboe verklaard; de jongeren zijn georganiseerd in een luidruchtiger vorm van kloosterorden. In 1994 is seks een mengsel van godsdienst en industrie. De tempels van dit mengsel, herkenbaar aan hun etalages met het rose technicolor, hebben een aanbod waardoor klanten en eigenaars in Oceanië meteen gevaporiseerd zouden worden. Er is wel seks in 1984 maar dat dient om de Proles van de straat te houden. Tien jaar later staat de seksindustrie ten dienste van iedereen, de proles en de presidenten, de intellectuelen en de analfabeten. Ze treffen elkaar op popconcerten waarvan de opbrengst dient ter bestrijding van alles wat aids heeft aangericht, ze zoeken het aanbod in de gerubriceerde advertenties van de meest ordelievende tot de meest rebelse dag- en weekbladen die in het verrichten van koppelaarsdiensten een stevige bron van inkomsten hebben.

'Orwell', het boek waarvoor zijn schrijversnaam staat, is de voorstelling van de volstrekte orde. Het is de orde van een eeuwig heden, gerechtvaardigd als besluit van de geschiedenis en met een bevroren toekomst. Uit Jerome's New Utopia en Zamjatins Wij blijkt hoe sterk het gelijkheidsideaal van de ideologie is geweest en ook, bijna een eeuw: hoe schrikaanjagend.

Anti-utopieën als deze drie zullen nu niet meer geschreven worden. Als de situatie van 1994 de grondslag zou zijn voor een anti-utopie - ons tot in het uiterste gechargeerde heden, geprojecteerd in 2094 - zou daaruit misschien een beschrijving voortkomen van een wereld waarin kannibalisme en superelektronica het tot een symbiose hebben gebracht. In cyberpunk zijn al aanwijzingen daarvoor te vinden. De vijf jaar van 1989 tot 1994 vormen in zo'n anti-utopie de 'oude tijd', het voorspel tot de volstrekte wanorde, waarin de historische rechtvaardiging is geschrapt en de toekomst het front van allen tegen allen is. De factoren moeten alleen nog verder met elkaar worden vermenigvuldigd om tot het onbewaakte gekkenhuis op aarde te komen.

Onder zulke omstandigheden leest Nineteen-Eighty-Four als een gedurfde utopie.

1 Jevgenii Zamjatin, Wij. Nederlandse vertaling Dick Peet, Amsterdam 1970.

2 Isaac Deutscher, The Mysticism of Cruelty in Heretics and Renegades, Londen, 1955.

3 George Orwell, The Collected ssays, Journalism and Letters, Volume 4, Londen 1970.

4 Jerome K. Jerome, The New Utopia, in Zamyatin's We, A Collection of Critical Essays, Edited & Introduced by Gary Hern, Ann Arbor, 1988.

5 Kathleen Lewis and Harry Weber, The Proletarian Poets. Zelfde bundel.

6 De Nederlandse vertaling van Wij heeft het bij de Arbeiderspers niet verder dan de eerste druk gebracht. De eerste druk van 1984 in Nederlandse vertaling is in 1950, ook bij de Arbeiderspers verschenen. De vierendertigste, in 1983, bedraagt 25.000 exemplaren.