Ajax mocht zich nog gelukkig prijzen met de 4-1 nederlaag; 'We keken onbewust toch een beetje tegen die Italianen op'

Over vier dagen speelt Ajax in Amsterdam tegen AC Milan voor de Champions League. De wedstrijd tussen beide clubs roept herinneringen op aan de Super-Cupfinale van 1973 (6-0 winst voor Ajax in de tweede wedstrijd), maar vooral aan de Europa-Cupfinale van 1969. Op een warme voorjaarsavond in Madrid wonnen de Italianen met 4-1. “Wij zijn gestorven in schoonheid”, zei Ajax-trainer Rinus Michels na afloop.

ROTTERDAM, 10 SEPT. Het Algemeen Handelsblad van donderdag 29 mei 1969 heeft een vooruitziende blik. 'Als verdedigers mogen aanvallen, mogen aanvallers best eens verdedigen', blikt de sportpagina terug op de nederlaag van Ajax tegen AC Milan. Het Nederlandse totaalvoetbal stond nog in de kinderschoenen, maar het belang van een multifunctionele voetballer was de krant niet ontgaan.

Dat Ajax de finale zo kansloos zou verliezen, had bijna niemand verwacht. Was Milan niet op zijn retour, met de dertigers Cudicini, Schnellinger, Hamrin en Sormani? En had Ajax niet op heroïsche wijze het grote Benfica verslagen, na die gedenkwaardige beslissingswedstrijd in Parijs? In Madrid bleek dat de meeste Italiaanse botten nog lang niet waren versleten en dat de Nederlanders geen antwoord hadden op het slimme, technische voetbal van de Milanezen.

Milan speelde vanuit een gesloten defensie, met mannetjesputters als Trapattoni (huidige trainer van Bayern) en Anguiletti. Rechtsbuiten Sjaak Swart kreeg beide verdedigers tegenover zich. “Eerst werd ik gedekt door Trapattoni, maar die kreeg al gauw last van zijn nek, zo dolde ik hem. Toen hebben ze die twee laten wisselen van plaats. “Tegen Anguiletti kon ik weinig uitrichten. Dat was een moordenaar, een echte klitter. Dat waren wij in de Nederlandse competitie helemaal niet gewend.”

Op het middenveld gloreerde 'de gouden jongen' Gianni Rivera, wiens balbehandeling elke voetballiefhebber in vervoering bracht. Voorin was Pierino Prati een constante plaag voor de Amsterdamse verdediging. Hij maakte drie doelpunten. Volgens de oude kranteberichten had Barry Hulshoff zijn dag niet en speelde Wim Suurbier veel te aanvallend voor een rechtsback. Ajax mocht zich nog gelukkig prijzen met de 4-1 nederlaag tegen de ervaren Milanezen, die destijds smallere rood-zwarte strepen op hun shirt droegen dan tegenwoordig.

De spelopvatting van Ajax in 1969 deed ouderwets aan. De Amsterdammers liepen openlijk in de val die Milan-trainer Nereo Rocco voor hen had opgezet. Volgens middenvelder Bennie Muller, die alleen de tweede helft speelde, was zijn trainer Rinus Michels verantwoordelijk voor de nederlaag. “Ajax heeft zich veel te veel aangepast aan Milan. En Michels' wil was wet. Als je het niet eens was met de taktiek, werd je meteen buiten het elftal gezet.” Linksback Theo van Duivenbode is het niet zijn oude clubgenoot eens. “Er waren best wel dingen bespreekbaar.”

Sjaak Swart is “nog steeds van mening dat je de trainer niet de schuld kan geven. “Bepaalde jongens bij ons speelden onder hun niveau. En wij waren fysiek niet opgewassen tegen die Italianen. Ze deden alles: trekken, schoppen, spugen.” Swart spreekt van onervarenheid bij Ajax. “Wij keken onbewust toch een beetje tegen ze op.” Muller: “Winnen was bijzaak. We waren al blij dat we in de finale stonden.”

Voor de wedstrijd hield Michels een urenlange taktische bespreking. De trainer meende weliswaar dat Ajax voorzichtig moest voetballen tegen Milan, toch wist hij dat zijn ploeg een natuurlijke neiging hadden om aan te vallen. De meeste Ajacieden gingen uit van balbezit en negeerden het nut van meeverdedigen. Daarmee was de offensieve speelwijze van Ajax verklaard. Swart: “Wij werden domweg weggecounterd.”

Wat Michels wellicht voor de finale al in zijn hoofd had zitten, dat ventileerde hij na afloop. “We hebben hiervan geleerd. Milan stopt de tegenstander met alle mogelijke middelen. Ajax probeert dat altijd met voetbal te doen”, sprak de man die later de gevleugelde woorden 'voetbal is oorlog' zou uitspreken.

Een aantal spelers werd het slachtoffer van Michels' dadendrang. Van Duivenbode, Muller, Pronk en Nunninga werden te licht bevonden en mochten naar een andere club uitkijken. Van Duivenbode, 25 jaar later: “Drie dagen na de finale kregen we het bij de lunch te horen van voorzitter Van Praag. Nee, Michels heeft niks gezegd, maar ik heb hem dat nooit verweten. Een jaar later hebben we zelfs nog samen vakantie gevierd.”

Zijn collega Bennie Muller lijkt nog steeds rancuneus. “Ik vroeg Michels wat hij met me wilde. 'Ik zie jou als vierde middenvelder', zei hij. Maar ik heb dat volgende seizoen bijna nooit gespeeld. Ik kan nog steeds aan Michels merken dat hij zich een beetje schuldig voelt over wat er toen is gebeurd. Maar in die jaren heb ik nooit een menselijk trekje bij hem kunnen bespeuren.”

Muller geeft schoorvoetend toe dat Michels het nog niet zo slecht had gezien. Michels kreeg in de beginjaren zeventig de beschikking over moderne verdedigers als Blankenburg en Krol, die de onvermoeibare en fysiek sterke aanwinsten Neeskens en Haan voor zich wisten. Bovendien ontwikkelde Johan Cruijff zich in die jaren van een behendige spits tot een superieure spelverdeler. Het totaalvoetbal was volwassen geworden.

Na het kortstondige succes van Feyenoord won Ajax tussen 1971 en 1974 driemaal de Europa Cup, een keer de Wereldbeker en een keer de Super Cup. De laatste trofee kwam in de prijzenkast na een eclatante 6-0 zege op AC Milan, nadat de eerste wedstrijd (destijds twee wedstrijden) in Milaan met 1-0 verloren werd. De Italianen waren toen geen schim van de ploeg uit de jaren zestig. En Ajax speelde in Amsterdam zijn eerste en voorlopig laatste knappe wedstrijd sinds Cruijff de club had verruild voor Barcelona. De Cupduels van 1969 en 1973 tegen Milan markeren het begin en het einde van Ajax' glorietijd.