Vet redt; Proza zonder straatrumoer van Botho Strauss

De nieuwe prozabundel van Botho Strauss is volkomen apolitiek. De soms bizarre verhalen zijn een aanmoediging om het zoeken naar ware gevoelens niet op te geven.

Botho Strauss: Wohnen dämmern lügen. Uitg. Carl Hanser, 203 blz. Prijs (geb.): ƒ 44,50. 'Anschwellender Bocksgesang' verscheen in Der Spiegel nr. 6, 1993.

Eenzame, veelal oudere liefdesparen bevolken de wereld in Wohnen dämmern lügen, de nieuwe prozabundel van Botho Strauss. De schrijver opent de beerput van hun verlangens en analyseert het hem daarbij tegemoetkomende aroma in kalme, beschaafde volzinnen. Zinnen die tezamen een serie delicate miniaturen vormen en die ook afzonderlijk net zo gesoigneerd en subtiel zijn als de kledingstukken van Botho's protagonisten. Stijlvol gaan ze door het leven, de eenzame zielen in dit boek.

Isolement is eveneens het thema van Strauss' persoonlijke biografie. Hoewel hij tot de meest besproken en meest gespeelde dramaschrijvers in Duitsland behoort, leidt de 49-jarige auteur in Berlijn een stil, teruggetrokken leven. Hij laat zich niet strikken voor interviews en verschijnt nooit bij de premières van zijn toneelstukken. Ook zijn eigen eenzaamheid straalt een sfeer van stijlvolle droefenis uit. Op de weinige foto's die van hem in omloop zijn, zien we hem altijd nogal verloren in een reusachtige, kale kamer zitten, een kamer met edel parket op de vloer en engelen aan het plafond.

Botho Strauss haat de massamedia. Hoe dikwijls is hij in zijn werk niet van leer getrokken tegen de hoerigheid van de moderne (non-)communicatiemiddelen! Dat hij vorig jaar, in februari, toch de media opzocht, verraste vriend en vijand. Uitgerekend in Der Spiegel, volgens sommigen hèt sensatieblad voor Duitse intellectuelen, publiceerde hij zijn geruchtmakende essay 'Anschwellender Bocksgesang'. Strauss lichtte zijn stap toe met de volgende woorden: 'Wanneer de mensen zich per se een persoon achter mijn boeken en toneelstukken willen voorstellen, dan maar meteen de juiste.'

Buitenstaander

Wat hij in dat essay van zijn persoon laat zien is op zijn minst verwarrend. Zijn isolement krijgt hier welhaast religieuze dimensies. Alleen de buitenstaander, schrijft hij, kan de mensheid redden. Voor zijn critici was dat de aanleiding om hem in diverse kranten als een elitaire blaaskaak af te schilderen. Slechts weinigen doorzagen dat zijn hoogmoed slechts de achterkant van zijn deemoed was en zijn verheerlijking van het buitenstaanderschap de zoveelste vertwijfelde poging zijn levensangst te rechtvaardigen. Weinigen erkenden dat de kracht van het essay niet schuilt in de opinies op zichzelf, maar in de ontsteltenis die uit elke zinsnede spreekt.

Hoongelach wekte zijn ongebruikelijke definitie van het begrip 'rechts'. Hij zet zich af tegen het toekomstgerichte denken van links met zijn 'valse' heilsleer en noemt het rechtse denken goedkeurend een 'fantasie van het verlies', een Tiefenerinnerung. Hij pleit, in navolging van Carl Gustav Jung, voor een manier van denken die ruimte laat aan de poëzie van mythen en andere collectieve herinneringen aan een tijd waarin de mens nog gedreven werd door sterke, ongecorrumpeerde affecten.

Strauss' wervingsactie voor het mythische denken deed bij velen de haren te berge rijzen. Een andere collectieve herinnering kwam bij hen bovendrijven: de herinnering aan het nationaal-socialisme. Botho Strauss maakt het in zijn essay dan ook wel erg bont: zo betreurt hij het hedendaagse gebrek aan bereidheid tot het brengen van 'bloedige offers'. En hij haalt flink uit naar zijn linkse generatiegenoten, die niet uit menslievendheid van vreemdelingen zouden houden, maar uit haat tegen al wat Duits is.

Brandende synagoges

Pas dit voorjaar, toen Ignatz Bubis, de voorzitter van de Duitse Zentralrat für Juden, Botho Strauss een 'fenomeen van het intellectuele rechts-extremisme' noemde en hij schrijvers als Strauss indirect verantwoordelijk stelde voor de brandende synagoges - pas toen besloot Strauss zijn critici van repliek te dienen. Wie zijn opinies in verband brengt met 'antisemitisme en neonazistische schanddaden', schrijft hij, die 'verdraagt geen verschillen meer'.

'Anschwellender Bocksgesang' is juist een waarschuwing tegen antisemitisme, opkomend neonazisme en vreemdelingenhaat. De auteur wijst erop dat de 'gigantische misdaden' van de nazi's niet in een of twee generaties abzuarbeiten zijn en een nieuwe 'uitbarsting van intolerantie en geweld' wil hij met alle macht voorkomen. Alleen: de door hem voorgestelde remedie lijkt niet erg realistisch. Hij stuurt op een mentaliteitsverandering aan waaraan vermoedelijk maar weinig mensen zullen willen meewerken. Welke gewone sterveling wil nu als een kluizenaar leven, wie wil nu het egoïsme, materialisme, liberalisme en narcisme vaarwel zeggen en dan ook nog eens afkicken van zijn verslaving aan het domme vermaak dat hem door de massamedia geboden wordt?

Daar wringt hem de schoen. In zijn essay wil Strauss de massa beïnvloeden, terwijl hijzelf iedere vorm van beïnvloeding tracht af te weren. Botho Strauss, naarstig op zoek naar authenticiteit, schuwt de taal van de gewone man. Bewust grijpt hij in 'Anschwellender Bocksgesang' terug op een stijl die niet meer van deze tijd is - en oogst daarmee hoon bij zijn tijdgenoten. Alleen al die titel! 'Bockiger Schwellgesang', 'Schwellungen', 'Anschwellende Geistesfinsternis' - het zijn maar een paar van de vele woordspelingen waarmee zij die zich door Strauss aangevallen voelden de tegenaanval inzetten.

Maar wat heeft het essay nu met het boek te maken? Wie de schrijver van Wohnen dämmern lügen wil betrappen op rechts-extremistische sympathieën, die komt bedrogen uit. Wohnen dämmern lügen is een volkomen apolitiek werkstuk. Hitler komt er niet in voor, noch diens jonge bewonderaars, de skins en neonazi's. Zelfs punks tref je er, anders dan in Strauss' jongste drama Das Gleichgewicht, niet in aan. Het straatrumoer dringt nauwelijks door tot de zorgvuldig gestoffeerde Berlijnse zolderappartementen waarin Strauss' protagonisten wonen, dommelen en liegen. Deze mensen hebben andere zorgen aan hun hoofd.

Relatieproblemen vullen hun lege bestaan. In een lange, soms slaapverwekkend lange reeks verhalen - of liever: etudes die de kiem van een verhaal in zich dragen - houdt de schrijver de meest uiteenlopende varianten van twee-, drie- en vierhoeksverhoudingen tegen het licht.

En daaruit blijkt dat Strauss' proza-mannen en -vrouwen niet zozeer onder de aan-, maar eerder onder de afwezigheid van hun geliefde lijden. Of die afwezigheid van fysieke of van psychische aard is, dat doet er niet veel toe. Of man en vrouw door een oceaan van elkaar gescheiden worden of door een muur van stil verzet maakt evenmin wat uit. Al woont de geliefde onder hetzelfde dak, al heeft men iedere avond gemeenschap, toch wil er bij deze paren maar geen gemeenschapsgevoel ontstaan.

In plaats daarvan worden zij verteerd door het gevoel iets belangrijks te missen. Er gaapt, beseffen zij vagelijk, een onoverbrugbare kloof tussen de absolute liefde van de helden en heldinnen uit de literaire overlevering en de aarzelende liefdes van henzelf. Geen van hen is nog bereid op het slagveld van de liefde tot de uiterste consequentie door te vechten. Ze stellen zich tevreden met slappe compromissen, waarin zij zichzelf verliezen.

Ze oefenen vrije beroepen uit en het staat hun vrij om waar dan ook en met wie dan ook naar bed te gaan. Maar hun vrijheid leidt niet tot zelfontplooiing en hun intelligentie verschaft geen zelfinzicht.

In een van de miniaturen bijvoorbeeld smacht een vrouw, verlaten door haar zoon, ernaar alleen nog maar een 'ruimtevullende figuur' te zijn. Ze eet, dijt uit, verstart en denkt niet meer. Ook niet meer aan haar zoon, haar enige liefde. Haar vet, meent zij, heeft haar gered.

Mensenverslindster

Soms lijkt het of Botho Strauss voor even genoeg heeft van zijn verfijnde, zwakke prozaschepsels. Op zulke momenten gaan zijn realistische beschrijvingen in meer bizarre scènes over en hij introduceert dan een krachtiger mensentype, het type van de mensenverslindster. In een van de verhalen draagt een jonge vrouw, een flinke Hollandse, ter herinnering aan een andere jonge vrouw die zij heeft opgegeten aan haar ene arm de mooie hand van haar gedode seksegenote. Aan haar andere arm hangt een gruwelijk klauwtje: haar eigen hand. Hier is de eenwording met een ander nu eens wèl gelukt, en wel in zeer letterlijke zin, dankzij een fout in de enzymhuishouding van de vrouw. Door die genetische vergissing krijgen oeroude emoties bij haar vrij spel.

Strauss' pleidooi voor een aansluiting bij het mythologische denken, zowel in het essay als in het boek, is niets meer en niets minder dan de aanmoediging het zoeken naar ware gevoelens niet op te geven. Daar horen beladen gevoelens bij als eenwording, opofferingsgezindheid en gemeenschapszin. In zoverre kun je hem inderdaad conservatief noemen. Maar hij is vooral een romanticus, die een gevoel verwoordt dat hij met velen deelt: het lijden onder de onherbergzaamheid van onze tijd. 'Op aarde is er nauwelijks nog iets dat mijn vluchtinstinct niet prikkelt', zegt een man in de laatste tekst uit de bundel. 'Ik pas niet in mijn tijd', concludeert hij, 'en mensen die er wel in passen zijn haar slaven.'

Zijn dergelijke ideeën van Botho Strauss op de Bühne te zien, of na te lezen in een van zijn prozabundels, dan vinden ze gretig aftrek. Worden ze geventileerd in een journalistiek blad als Der Spiegel, dan stuiten ze terecht op weerstand. Strauss was zelf van mening dat hij met 'Anschwellender Bocksgesang' een journalistieke tekst had afgeleverd. Maar als je onder dat handwerk verstaat: toegankelijkheid, precisie en een zekere nuchterheid - dan is Wohnen dämmern Lügen oneindig veel journalistieker.