Stone's persiflage op het geweld ontbeert ironie

VENETIE, 9 SEPT. Precies op het moment dat elders op het Lido een debat werd afgesloten over de wenselijkheid of onwenselijkheid van het gebruik van nieuwe technologie in de zevende kunst, ging hét symbool van de computergestuurde film, Natural Born Killers van de Amerikaan Oliver Stone, in première. Dat was geen toeval en zelfs nadrukkelijk de bedoeling van de festivalorganisatie, maar de overbodigheid van de discussie bleek daardoor pijnlijk en eens te meer. De ontwikkeling en toepassing van technologie in film zijn natuurlijk helemaal niet tegen te houden - pogingen daartoe zijn even donquichotterig als de wijze waarop Venetië steevast het primaat van de Amerikaanse film tracht te ondermijnen. En even hypocriet, want niet alleen mogen de Amerikanen wel ieder jaar weer de programmering commercieel aantrekkelijk komen maken, maar ook geldt uitgerekend Natural Born Killers als de gedoodverfde winnaar van de Gouden Leeuw.

Maar dat laatste moet ik nog zien gebeuren, ook al is David Lynch voorzitter van de jury. Te hopen valt, en vurig ook, dat de prijs naar een andere film gaat, ongeacht welke voor mijn part. En dat Stones platvloerse en weerzinwekkende marketing-truc wordt doorzien. Hij verkoopt zijn film immers als stellingname tegen geweld en aangezien, zo lees ik net in de krant, in zijn land jaarlijks bijna 1500 jongeren onder de achttien omkomen door geweld, dat vorig jaar door onder meer driehonderd kinderen onder de veertien jaar werd bedreven, klinkt dat nobel. Stone gaat de verantwoordelijkheid van de kunstenaar niet uit de weg - zoiets.

Geloof hem niet, het zijn de vrome praatjes van een charlatan. Dezelfde wereldverbeteraar, die in zijn voorlaatste film, JFK, nog dodelijk ernstig (en verward en langdradig) politieke machinaties aan de kaak stelde, heeft nu de hyperbool en de ironie ontdekt. Maar het is alsof je een peuter met een granaat ziet spelen, Stone is te veel fanaticus om ooit ironisch te kunnen worden. Zijn natural born killers zijn een verliefd koppel dat alles wat beweegt overhoop knalt. Ze worden media-sterren, precies als de Serial Mom van de in de ironie en observatie veel beter geschoolde filmer John Waters. Ze vermoorden in korte tijd massa's mensen, worden opgesloten en breken, onder de toeziende camera's van het televisieprogramma American Maniacs, weer uit. Einde film.

Het klinkt inderdaad allemaal zot genoeg om een persiflage op te leveren, maar al wat Stone persifleert is de discussie over het eventuele verband tussen het vertoon van geweld en het gebruik ervan. Hij denkt die op zijn eentje wel even te kunnen beslechten. Niet met argumenten maar, gewoon, met grof geweld en hij ziet wel waar het op uit draait.

Hij hanteert de methode van de video-clip, met dezelfde psychedelische montage, murw-makende beeldvervormingen, flitsende, overrompelende scènes, imponerende (voor wie het interesseert) technische hoogstandjes en aandachtverhogende stills, alles lukraak door elkaar en zonder navolgbare ratio maar met precies hetzelfde doel voor ogen als de clipmaker: de begeerte opwekken naar dit en naar niets anders dan dit. Zelfs al vermoeit zijn visuele geschut al snel, zijn zogenaamde belachelijke helden worden echte helden, en zijn zogenaamde stellingname wordt verheerlijking. En die geest denkt hij aan het slot van zijn kermis van bloed en dood weer in de fles te krijgen door de ikonen van het geweld in zijn land even voorbij te laten flitsen. Dan mogen de koppen van Charles Manson, Rodney King, O.J. Simpson zijn platte en humorloze Kung Fu-produkt nog even van filosofische diepgang komen voorzien en toont Stone nog even vrijblijvend zijn maatschappelijk bewustzijn. Zo'n gering talent zo'n delicaat onderwerp te lijf zien gaan: het is om woedend van te worden.

Hoe anderen dat doen - doorgaans ook niet goed - is hier volop te zien. Veel films gaan over geweld, of tonen het om een bewering te doen over mens en cultuur. De Australiër Peter Jackson slaagt daar met zijn in het hoofdprogramma opgenomen Heavenly Creatures heel aardig in. Weliswaar is zijn film erg anekdotisch en vertelt hij de ware geschiedenis van twee meisjes die in de jaren vijftig zo verknocht aan elkaar raakten dat zij tot behoud van hun relatie de moeder van een van hen vermoordden, hij heeft er met een bijna choreografische en wervelende cameravoering en montage (en ook al met behulp van technologisch gerealiseerde sprookjesbeelden) een meeslepend geheel van weten te maken.

Nog weer andere kandidaten voor de Gouden Leeuw als de Spanjaard Juan José Bigas Luna en de Afrikaan Idrissa Ouédraogo moesten het maar niet redden. Luna heeft een film gemaakt met de titel La teta i la lluna, wat 'de tiet en de maan' betekent en hij gaat inderdaad over tieten en een beetje over de maan. Een jongetje wordt jaloers op zijn babybroertje en wil ook aan de borst - nou ja, onthutsend in de verkeerde zin. De Afrikaanse film - over een Malinees jongetje in Frankrijk dat door stille krachten wordt bezocht - is charmant maar suf. De kansen van Stone stijgen dus.