Overreden door een pletwals; Grotesk proza van Geertrui Daem

Geertrui Daem: Een vader voor Elizabeth. Uitg. Meulenhoff/Manteau, 186 blz. Prijs ƒ 29,90

Op de allereerste bladzijde van Geertrui Daems nieuwe verhalenbundel Een vader voor Elizabeth staat een schlemielige vrijgezel aardappelen te schillen. De schillen komen terecht op een krant, om precies te zijn op aankondigingen van de cinema's Rio en Majestic. Even later de zin: “De semi-direct naar Oudenaarde van 13.10 u passeert met het gebruikelijke gedender achter het huis.” De trein rijdt hier inderdaad rakelings voorbij, “zodat ge, als ge niet van hier zijt, of eens niet goed oplet, u kunt laten verrassen.”

Daarmee weet je als lezer meteen waar je aan toe bent. Je bevindt je in Vlaanderen, meerbepalend Oost-Vlaanderen, halverwege de jaren zestig-zeventig. Je bevindt je in een stevige brok ongekuist Vlaams proza, waarin niet alleen de dialoog Vlaams is, maar ook het commentaar eromheen. Je bevindt je in handen van een 'wij-verteller' - en als ge niet van hier zijt, zwijgt dan stil, 't is al goed dat ge moogt meeluisteren. Dat alles is van de eerste bladzij duidelijk.

Ik vermeld dit omdat Geertrui Daems debuut, althans in Vlaanderen, nogal heftige pro- en contrageluiden heeft losgemaakt. Haar eerste boek werd meteen met Boon vergeleken, kreeg te snel een herdruk en een paar prijzen - en kreeg bijgevolg ook nogal snel academische tegenwind: het was allemaal slechts oninteressant Vlaams naturalisme. Het was authentiek en herkenbaar, zegden de enen, maar wat schiet je daarmee op, zegden de anderen. Haar nieuwe boek is niet anders. Hoeveel recensies moet ik hier schrijven? Die van haar tegenstanders kan ik zelf ook wel bedenken. Daar komt niet veel denken bij te pas. Daem is niet veranderd bewijst ze al op haar eerste bladzijde, dus waarom zou zo'n recensent zijn kritiek veranderen? Maar er komt een tweede soort reactie bij: die van de windgevoelige recensent die destijds Boniface te enthousiast onthaalde, desondanks academisch au sérieux genomen wil worden, en dus nu gas terugneemt. Het verrassingseffect is er niet meer, zal hij schrijven. Of: deze nieuwe bundel is wel erg ongelijk. Dat zal wel, maar dat was de eerste ook. Wat mij betreft: godzijdank is Geertrui Daem niet veranderd.

Het zal wel gaan om een controverse tussen herkenbaar realisme en kunstigheid. In Geertrui Daems verhalen is geen kunstigheid. Ze pretendeert ook niet dat ze artistiek Nederlands schrijft. Ze laat de onhandige handigheid van haar dialect klinken en botsen. Ze moet het van haar rauwheid hebben, en van de rauwheid van haar mensen. Ze is deprimerend. Seks is vreselijk, liefde overkomt je zoals je door een beton-pletwals overreden wordt. Daem heeft een bijzonder talent voor de sukkelachtigheid, de zieligheid van dorpse mensen. Ze zet die scherp en grotesk neer. Leer ik daar iets van? Nee. Voegt ze iets toe aan mijn werkelijkheid? Nee. Waarom hou ik er dan van? Net omdat ze niets toevoegt. Geen pretenties, bijvoorbeeld. Houdt ze van deze mensen, is ze er solidair mee, of zet ze hen juist iets te grotesk-ongenadig neer, om daarmee wraak te nemen op haar eigen milieu? Beide: ik denk dat Geertrui Daem juist interessant is door deze haat-liefde.

De twee handvatten van de harmonica, waarmee deze bundel bij elkaar wordt geduwd of uit elkaar getrokken, zijn het eerste en het laatste verhaal: de twee mooiste. Ze vormen samen zowat een flinke novelle, waarvan de sukkelachtige dramatiek me helemaal overtuigt.

Het is een caféverhaal. Pronte cafédochter Claire trekt de dorpshaantjes aan. Ze heeft zelf een kind van een jaar of vijf, en wil niemand zeggen wie de vader is. Dorpshaantjes willen al te graag die vader zijn. Onder hen Wilfried, een weinig viriele sjacheraar. Achter zijn rug om wordt met hem gelachen, maar hij houdt oprecht stuntelig van Claire. Op het doopfeest van de dochter doet hij een eerste poging om zijn vaderschap waar te maken. Hij danst met het wichtje in zijn armen, trapt van pure zattigheid op de zoom van haar dekentje, en botst met haar tegen de rand van de toog. ('Zat of niet. Hij had goede reflexen. Het bloedde niet eens').

Een paar jaar later verlooft hij zich inderdaad met Claire. Uiteraard is het weer feest in de stamkroeg en uiteraard wordt Wilfried weer zat. Volgt zijn tweede poging tot vaderschap: op het moment dat 'Elizabetteke' door haar grootvader naar bed gebracht wordt, fluistert Wilfried haar in het oor dat hij haar papa wil zijn. Waarop hij een boer als een donderslag laat exploderen. Tegen de verbouwereerde grootvader zegt hij geschrokken “'t Is van al die acied.” Later op de avond valt hij van zattigheid achterover op zijn kop. De hulpdienst moet komen. Einde feest.

Zo vertelt Geertrui Daem. Elk hoogtepunt is een dieptepunt. Alles is klein, behalve de tactloosheid.

Toch lijkt het slotluik me niet zonder mededogen geschreven. Het is tien jaar later. Het zijn niet langer de stamgasten, maar het is Elizabetteke zelf die nu wel eens wil weten wie haar vader is (zeker niet de sinds zijn val kwijlend impotent en incontinent in een rolstoel zittende Wilfried - de beste seks is geen seks, schijnt moeder Claire te denken.) Die Vatersuche loopt slecht af. Wie de vader blijkt, is niet de echte climax. Die had ik wel voelen aankomen. De climax is wat Geertrui Daem er verder mee doet. Elizabeth, een pretentieus waanwijs kreng, zal zich uiteindelijk vernederd naar de familieleugen schikken dat Wilfried toch haar vader is. Het is zoiets als een echte sprinter in het wielrennen, die kan midden in zijn sprint nog versnellen. Geertrui Daem heeft in haar slot nog een tweede, eigenlijker slot voorzien.