Mooie rommel aan de muur

De arme man was zo groot als een reus en hij lachte altijd. Hij droeg een rugzak die gevuld was met aardappelen en een kampeergasje.

Als hij honger had ging hij in het gras zitten en dan kookte hij een paar aardappelen. De arme man had veel vrienden. Hij was geboren in Duitsland maar hij had ook vrienden in Nederland, in Zwitserland, in Frankrijk en in Engeland. De arme man ging vaak bij zijn vrienden logeren. Hij was bijna altijd onderweg.

De arme man vond altijd van alles op zijn reizen. Het waren geen kostbare dingen die hij vond maar dingen die de mensen op straat hadden achtergelaten omdat ze te lui waren geweest om ze in de afvalbak te gooien. De arme man raapte sommige dingen op zoals een treinkaartje, een buskaartje, een stukje touw, een leeg sigarettendoosje of een spijker. Die dingen plakte hij op een stuk papier of op een houten plankje. Op die manier maakte de arme man hele mooie dingen van de rommel die hij op straat vond.

Zijn vrienden bewonderden de arme man. Ze kochten de dingen die hij maakte en die hingen ze thuis als schilderijen aan de wand. Zo kwam het dat er in alle landen waar de arme man vrienden had dingen van hem aan de wand hingen. Zo werd de arme man steeds beroemder. Ze hingen zijn werken in het museum op en ze noemden hem een kunstenaar.

De arme man is lang geleden gestorven maar zijn kunst hangt nog altijd in de musea. Een kunstwerk van de arme man is tegenwoordig heel kostbaar. Je kan het alleen nog kopen als je heel rijk bent. Misschien wil je wel weten hoe de arme man heette. Zijn naam was Kurt Schwitters.