Literatuur is geen pistoolschot maar een tijdbom; Schrijver José Prats over Cuba en medeplichtigheid

Volgens de Cubaanse schrijver en criticus José Prats Sariol worden de schrijvers in zijn land, zowel door het regime als door de exilgemeenschap, alleen beoordeeld naar politieke maatstaven. Zelf weigert hij een keuze te maken tussen 'dissident en revolutionair'. Die houding is niet zonder risico's.

Literair Cuba is het Cuba van de verdeeldheid. Van al dan niet vrijwillig verbannen schrijvers, van dissidente dichters, van leden van de officiële schrijversbond en van hen die daaruit zijn gestoten. De Cubaanse literatuur is allang niet meer uitsluitend de literatuur van Havana, maar ook die van Miami, New York, Madrid, Parijs en Londen. Guillermo Cabrera Infante schrijft bij voorbeeld vanuit Londen aanklachten tegen degenen die hem zijn geliefde Cuba hebben afgenomen. In zijn vorig jaar maart verschenen verzamelbundel 'Mea Cuba' schrijft hij: “Cubaan zijn is Cuba meenemen in een voortdurende herinnering (-) Cuba is een paradijs waaruit we vluchten in een poging ernaar terug te keren.”

De Cubaanse literatuur krijgt ook gestalte door minder bekende grootheden, zoals de dichter Raúl Rivero, die na het ondertekenen van een politiek pamflet tegen Fidel Castro is verbannen naar de marge van de Cubaanse samenleving; dichter zonder uitgever, zonder inkomsten, maar nog wel met een publiek. “Bekenden lopen me op straat voorbij zonder iets te zeggen. Ik ben de onzichtbare dichter,” zegt hij in Havana, de stad die hij nooit wil verlaten.

De exil-schrijver Cabrera Infante en de dissident Rivero hebben een bewuste keuze gemaakt met onontkoombare gevolgen. Voor José Prats Sariol (Havana, 1946) ligt dat anders. Evenmin als Rivero wil hij Cuba verlaten, hoe moeilijk de situatie nu ook is voor hem en zijn familie. Net als Cabrera Infante wil hij echter geen concessies doen aan de zuiverheid van de literatuur en de literatuurkritiek. In Cuba betekent dat wandelen op een politiek mijnenveld, laveren tussen Fidel Castro en zijn leus 'binnen de revolutie alles, daarbuiten niets' en Jorge Mas Canosa, de havik onder de exil-Cubanen die vanuit Miami werkt aan de blauwdruk van een Cuba zonder Castro en met hemzelf als nieuwe president. Voor een middenweg lijkt geen ruimte, hoewel Prats en veel Cubanen met hem juist in het compromis de oplossing zien voor de voortdurende Cubaanse crisis, waarvan het einde nog steeds niet in zicht is.

Rum en limoen

De joviale Prats en zijn tweede echtgenote Maruchy, docente literatuur aan een balletopleiding in Havana, zijn de perfecte gidsen voor buitenlandse journalisten die de pols komen nemen van het afbladderende Cubaanse socialisme. We ontmoeten elkaar in de badplaats Varadero, op zo'n anderhalf uur rijden van de hoofdstad Havana. Halverwege de nu in ijltempo door gemengd Cubaans-buitenlandse ondernemingen met luxe hotels volgebouwde landtong staat La Casa Dupont. Deze villa uit de jaren dertig, die op één van de mooiste plekjes van Vardero is gebouwd, was tot de nationalisatie ervan in het begin van de jaren zestig eigendom van de Amerikaanse industrieel Dupont. Met veel smaak en met oog voor schoonheid richtte Dupont zijn huis in met stijlmeubels, liet hij zware houten lambrizeringen aanbrengen en balkons bij de slaapkamers met uitzicht op de heldere, groene Caraïbische zee. Op zolder, waar door grote openstaande ramen een koele zeebries binnenwaait, is nu een bar gevestigd; dollars only. Het Cubaanse drankje op basis van rum en limoen met een kruidentakje erin, mojitos, is nog zoals het in de tijd van de rijke Amerikaan geweest moet zijn; de muziekvideo's op een televisiescherm zijn eigentijds.

Toen Fidel Castro en zijn guerrilleros vanuit de Sierra Maestra in 1959 in triomf Havana binnentrokken, was Prats dertien en net als de meeste Cubanen een overtuigd medestander van de charismatische revolutionair. Twee jaar later werd hij al ingezet bij de alfabetisering van de boeren in de Sierra Maestra. Na de invasie van Cubaanse ballingen in de Varkensbaai vormden Prats en zijn compañeros een studentenbrigade, die loopgraven maakte en oefende met Tsjechoslowaakse geweren.

Prats: “In die tijd kwamen de eerste marxistische boeken in Cuba. We ontmoetten Republikeinse strijders uit de Spaanse burgeroorlog die in Cuba onderdak hadden gevonden en leerden de 'Hymne van het Vijfde Regiment', waarmee groten als Hemingway, Octavio Paz en Pablo Neruda toen ten strijde trokken.” Prats voelde zich niet zozeer communist, als wel Cubaans revolutionair. Havana leek het centrum van de nieuwe wereld. Hij was zeventien jaar en gaf les aan een middelbare school waarvan de leerlingen vaak ouder waren dan hijzelf. Zijn eerste artikelen werden gepubliceerd in het blad van de communistische jongeren, het huidige Juventud Rebelde. “Ik werd aangesteld als journalist, maar ik verzon mijn verhalen. Als ik bijvoorbeeld een fabrieksdirecteur had geïnterviewd, dan maakte daar een compleet eigen verhaal van. Dat kon natuurlijk niet.”

In 1970 studeerde hij af aan de Universiteit van Havana met een publikatie over het literaire tijdschrift Orígenes van de dichter José Lezama Lima (1910-1976). Prats: “Lezama was, samen met Alejo Carpentier, de grootste Cubaanse schrijver van deze eeuw. Voor mij is hij een soort gids geweest. Orígenes was in die tijd het belangrijkste literaire tijdschrift van Latijns Amerika waarin schrijvers uit het hele continent publiceerden.”

Aan Lezama dankt Prats zijn basis-axioma voor het leven: de tolerantie. In het begin van de jaren zeventig was er in Cuba echter weinig ruimte voor tolerantie. Ernesto 'Che' Guevara, Castro's Argentijnse medestrijder uit de guerrilla, was in 1969 omgekomen in Bolivia. Prats: “In tegenstelling tot Castro was Guevara een realist. Hij verzette zich tegen de triomfalistische toon die Castro begon aan te slaan.”

Een rampzalig slechte suikeroogst in 1971, die Cuba economisch-politiek afhankelijk maakte van de Sovjet-Unie, viel samen met een serie rampzalige ontwikkelingen in de Cubaanse kunstwereld. Dieptepunt was het Eerste Nationale Congres van het Onderwijs en de Cultuur, waarop de verharding in het standpunt van Castro zijn beslag kreeg. De schrijver Heberto Padilla werd als 'contra-revolutionair' gearresteerd, Lezama heette ineens een 'trawant van Padilla' en zijn werk werd verboden, het toonaangevende en progressieve literaire tijdschrift Caimán Barbuda (de bebaarde krokodil) mocht niet meer verschijnen. Bepaalde spraakmakende kunstenaars werden om hun homoseksualiteit uit de staatskunstenaarsbond UNEAC gezet. Regisseur Vicente Revuelto van het vooruitstrevende Teatros Estudio, dramaturg Virgilio Piñera en schrijver César López werden gedwongen tot zelfkritiek van de stalinistische soort en vervolgens uit de bond gezet. Padilla kwam in de gevangenis terecht en mocht uiteindelijk door interventie van schrijvers en intellectuelen uit de hele wereld Cuba verlaten.

Nationalisme

José Prats was twee jaar lid van de UNEAC toen dit alles gebeurde. Het veranderde zijn houding tegenover Fidel Castro en de revolutie. “Ik realiseerde me dat de prijs voor het opbouwen van een nieuwe samenleving te hoog was. Geleidelijk werd de balans tussen de tijd voor en na de revolutie, en tussen het leven in Cuba en dat in de rest van Latijns Amerika verstoord. Pablo Milanés zong 'Ik leef in een niet-perfecte samenleving', en zo zag ik dat ook. De Cubaanse revolutie was een vorm van nationalisme. Castro zei dat de revolutie Cubaanser was dan de palmen, en nationalisme was toen goed. Zijn uitspraak 'Binnen de revolutie alles, daarbuiten niets' begrepen we toen niet. We dachten dat kritiek op de revolutie daar ook toe behoorde. Maar later realiseerde ik me dat nationalisme vooral een wapen was in handen van het regime.”

Prats eigen breuk met de revolutie-volgens-Castro kwam vooral tot stand onder invloed van de werken van Canetti en Camus. “Ik werd me bewust van de dubbele moraal van de macht. Castro en de zijnen waren niet langer de revolutionairen, maar de conservatieven. De revolutionairen dat zijn wij.”

Het begin van de jaren tachtig was de tijd van de Cubaanse militaire avonturen in Angola en Ethiopië. En het was het begin van de rantsoeneringen, van het verplichte vrijwilligerswerk in de suikerrietoogst. “We betaalden onze vrienschap met de Sovjet-Unie met bloedgeld.” Prats kreeg in die tijd te maken met de censor, en met zelf-censuur (“wat veel erger is”). Hij citeert lachend de Oostenrijkse journalist en schrijver Karl Krauss: “Terecht is alle satire verboden die de censor niet begrijpt.”

Met de introductie in 1991 van de 'speciale periode', zoals het Cubaanse eufemisme voor de voortdurende economische crisis luidt, begon ook de schaarste aan papier. Nog maar zelden worden Cubaanse schrijvers in Cuba uitgegeven. Zelfs de partijkrant Granma verschijnt in een uitgeklede versie. Bij het drukken krijgen officieel erkende schrijvers, uiteraard leden van de UNEAC, maar bovendien ook partijleden, voorrang. Van partijlid Miguel Barnet worden nog steeds romans uitgegeven; zijn boek El Cimarrón verscheen ook in een Nederlandse vertaling. En natuurlijk ook Roberto Fernández Retamar, de voorzitter van het officiële literatuurinstituut Casa de las Américas.

Wie zich als schrijver in Cuba verzet tegen de partijlijn, valt in ongenade. In 1991 schreef de dichteres Maria Elena Cruz Varela een manifest waarin zij Castro vroeg om een aantal politieke en economische hervormingen. Het werd ondertekend door tien intellectuelen en schrijvers, onder wie Raúl Rivero. Cruz Varela, die een paar jaar eerder nog een nationale poëzieprijs kreeg, werd kort na de publikatie van het Manifest van Tien onderworpen aan een 'walg-bijeenkomst' door de Brigades van Snelle Actie, een door het regime gecontroleerde 'spontane uiting van de woede van het volk'. Ze moest haar eigen gedichten opeten en verdween voor twee jaar in de gevangenis.

De andere ondertekenaars verlieten het land of werden uitgerangeerd. In een soort tegen-manifest, georganiseerd door UNEAC-voorzitter Abel Prieto, werden vooral de artistieke kwaliteiten van schrijvers als Cruz Varela in twijfel getrokken. Op leden van de UNEAC werd druk uitgeoefend om het manifest te ondertekenen. Velen voldeden, bang voor het verlies van werk en promotiekansen of voor een publikatieverbod. De ex-vrouw van Rivero, de actrice Coralia Veloz, kreeg te horen dat niet-ondertekenen de kans van hun gezamenlijke dochter op een universitaire opleiding aanzienlijk zou beperken. Rivero wilde daarom dat zij ondertekende, ook al werd hij zelf in het manifest aangevallen.

Prats, die ten tijde van de publikatie van het Manifest van de Tien in Parijs verbleef, weigerde het tegen-manifest te ondertekenen. Sindsdien wordt zijn werk niet meer uitgegeven door de UNEAC, met als vaste argument de papierschaarste.

Prats maakt onderscheid tussen de politieke en literaire activiteiten van Cruz Varela. “Ze is een dichteres van de tweede categorie, en dat heb ik haar ook gezegd. De open brief die ze heeft geschreven is belangrijker dan haar poëzie. Cubaanse schrijvers en dichters worden veelal beoordeeld op hun politieke houding, zowel door het regime als door de exilgemeenschap. Nu is bij voorbeeld Armando Valladares, een dissident die in Madrid woont, ineens een groot dichter. Als hij dichter is, ben ik een kosmonaut.”

Na het Congres van 1971 is de Cubaanse literatuur uiteengevallen in een exil-literatuur die alleen roem verwerft in het buitenland, en een officiële literatuur die afhankelijk is van de grillen van het regime en te maken heeft met schaarste aan inkt en papier. Het betrekken van de stellingen aan weerszijden van de Straat van Florida heeft de verhoudingen binnen de Cubaanse literaire wereld niet bevorderd. “Volgens Heberto Padilla is iedereen die in Cuba leeft, een medeplichtige van het regime. En hij heeft gelijk,” zegt Prats, die zich desondanks niet wil neerleggen bij het feit dat de politiek de boventoon voert in de Cubaanse literatuurkritiek. “Ik weiger me te voegen in de discussie 'dissident of revolutionair'. De Cubaanse literatuur bevindt zich tussen twee grote manipulatoren: Castro en Mas Canosa.” De weigering van Prats om een kant te kiezen, kan hem duur komen te staan. De relatie met de UNEAC en zijn voorzitter (“een waardeloze verhalenschrijver”) is verstoord, maar ook van de exil-Cubanen hoeft hij weinig goeds te verwachten.

Harde valuta

Het werk van Prats, momenteel vooral literaire kritieken en beschouwingen over Latijns-Amerikaanse schrijvers, verschijnt alleen in het buitenland. De royalties worden daardoor in harde valuta uitgekeerd. Zijn gezag als criticus en schrijver leidt bovendien tot uitnodigingen voor buitenlandse reizen. Hij levert ook bijdragen aan het blad Vivarium van de rooms-katholieke kerk dat bij gebrek aan samizdat-literatuur of een ondergrondse pers nu de spreekbuis is van de voorzichtige binnenlandse oppositie in Cuba. Prats geeft cursussen over twintigste-eeuwse Cubaanse literatuur aan de Universiteit van Havana: “De jonge dichters komen bij me thuis met werk waarvan ze absoluut niet hoeven te verwachten dat het ooit onder Castro zal worden gedrukt.” De bibliotheek van Prats vormt een mekka voor veel van deze jongeren. Prats: “Mijn exemplaar van Tres tristes tigres van Cabrera Infante is zeker doorvierhonderd mensen gelezen, het valt helemaal uit elkaar.”

Als alternatieve bibliothecaris treedt Prats in de voetsporen van Coen Stork, de voormalige Nederlandse ambassadeur in Havana, aan wie de Cubaanse schrijvers en kunstenaars volgens Prats veel te danken hebben: “Hij kwam hier aan met één koffer met kleren en twee containers vol boeken. Zijn bibliotheek was fenomenaal. Zijn huis was een ontmoetingsplaats voor mensen die zich tegen het regime hadden gekeerd, vooral kunstenaars. Op Koninginnedag nodigde hij tot ontzetting van het corps diplomatique de alternatieve jazz-groep van Gonzálo Rubalcava uit. Als hij bij ons kwam, was dat niet in een dienstauto, maar op de fiets van zijn tuinman.”

Dankzij Stork verscheen in Havana de eerste Spaanstalige uitgave van Max Havelaar in Latijns Amerika. Prats verzorgde het voorwoord, door Stork geholpen bij het zoeken naar relevante secundaire literatuur. Max Havelaar kost omgerekend elf cent en is een van de weinige interessante boeken die nog te koop zijn in Havana. “In Cuba hebben we niet één Multatuli,” zegt Prats, “maar een groepje Multatuli's. Max Havelaar was een moedig politiek pamflet tegen de autoriteiten, een tijdbom, zoals literatuur altijd een tijdbom is en niet, zoals Sartre beweerde, een pistoolschot.”

In zijn eigen werk tracht Prats ook de nodige springladingen aan te brengen, maar politieke pamfletten zijn het niet, of het moet zijn met terugwerkende kracht. Een tweede roman, met als werktitel Guanabo Gay, is in voorbereiding en gaat over het leven van homoseksuelen in Cuba. Het thema sluit nauw aan bij het leidmotief van de tolerantie zoals Prats dat in de jaren zeventig leerde bij Lezama en herondekte bij Canetti. Een essay over de onlangs in Zwitserland overleden Canetti moet tegen het einde van het jaar af zijn. In Mexico verschijnt de bundel Conversaties met een zwijgende man, met daarin het verhaal 'Cuba en de nacht' over Cubaanse bootvluchtelingen. Prats schreef het al twee jaar geleden. Nu bouwen zijn overburen een vlot waarmee ze zo snel mogelijk naar de Verenigde Staten willen vertrekken. José Prats blijft. Hij maakte als tiener in de jaren vijftig het vreugdevolle begin mee, hij hoopt nog vóór z'n vijftigste ook het einde van de inmiddels ontspoorde revolutie te beleven.