Lijden aan poëziespuwsels; De vervormde en geruwde klinkers van Jacques Hamelink

A.D.: Folklore Imaginaire de Flandre. Bezorgd door Jacques Hamelink. Uitg. Querido. 266 blz. Prijs ƒ 49,90

Wat is een koeiepoeper? En wat is een breme? In een van de gedichten uit de nieuwe bundel van Jacques Hamelink komt een koeiepoeper voor. Hij heeft zich 'heet als een breme' opgesteld voor 'haar helgeel hoeregeurveld'. Er is ook sprake van bloeiend koolzaad waar hij zichzelf aan ontbloot en van 'overvloeiende lulmelk'. We krijgen dus wel een indruk van wat er gaande is, maar de fijne details blijven duister. Misschien weet Hamelink zelf ook niet wat er nu precies op dat geurende koolzaadveld plaatsvindt, want officieel is hij alleen maar de bezorger van zijn bundel. Als we hem mogen geloven is de Zeeuws-Vlaamse schoolmeester Aarnout Dees (A.D.) de dichter van deze Folklore Imaginaire de Flandre. Hamelink zelf deed niets anders dan het manuscript in 1987 in ontvangst nemen en doorgeven. 'In mijn hoedanigheid van aanreiker van dit boek uit de oude doos wijs ik iedere door de kritiek voor mij bestemde lof of blaam af', zo meldt hij alvast in zijn geestige voorwoord.

A.D. zou geleefd hebben van 1799 tot 1901. Vlak voor zijn dood overhandigde hij zijn dichterlijke produktie aan zijn vriend Petrus Dieleman. Deze Dieleman, die her en der ook wat aantekeningen toevoegde, is dus de tweede bezorger. En om het nog ingewikkelder te maken: een van de afdelingen bevat de keuze die A.D. zelf weer maakte uit de poëzie van zijn jonggestorven vriend Antoon Rooze, de schrijver van onder andere het koeiepoepervers.

Je zou denken dat de betekenis van woorden als breme en koeiepoeper er niet zo veel toe doen, maar dan doet niets er veel toe in dit bizarre boek. Wie zich niet wil verdiepen in de al dan niet imaginaire folklore van dit geval, zal het al snel schouderophalend terzijde leggen. Er valt voor de oppervlakkige lezer niet veel van te begrijpen en ook niet zo veel aan te beleven, behalve dan een absoluut eigen en verbluffend mengsel van bevlogen lyriek en gekke woorden, rare zinnen, vreemde titels en merkwaardige gebeurtenissen. Maar het is ook weer niet zo dat wie zich er wel in verdiept vanzelf alles gaat snappen.

Het aantrekkelijke en intrigerende van dit boek is nu juist gelegen in de voortdurend onzekere verhouding tussen feit en fictie. Er is een suggestie van historische waarheid, regionale geschiedenis en bronnenonderzoek. Veel gedichten zijn geschreven in een soort koeterwaals, met dialectische, negentiende-eeuwse en bijbelse invloeden, maar daar schemert toch ook steeds een zweem van echte poëzie doorheen. De Folklore is een te groot en ambitieus project om zomaar aan voorbij te gaan, maar het is weer te willekeurig van opzet om als een heus literair document serieus te nemen.

Uiteindelijk is het, zoals altijd, een kwestie van smaak. Ik ben er wel van gaan houden, van dit bijna balorige boek, vol stemmen en elkaar becommentariërende instanties, bevolkt door mensen die geen van allen helemaal goed bij hun hoofd lijken te zijn, maar toch ook wel weer met een vreemd dichterlijk talent begiftigd. Dit is een bundel vol tegenstrijdige stemmingen en gemengde gevoelens, met een zekere nadruk op boertige leut, kluchtige scènes, spuugwedstrijden en andere agrarische humor. De verzen komen waarschijnlijk het best tot hun recht als ze gelezen worden zoals A.D. ze zelf las: 'in zwaar roetzwart Axelerambachts, alle klinkers vervormd en geruwd'.

De rol van Hamelink in dit geheel is uiterst dubbelzinnig. Het kan niet anders of hij moet zich wel op zijn gemak voelen in zijn dubbele functie van dichter en commentator. Zijn collega A.D. beschrijft hij als een 'licht uitzinnige oude papegaai, burlesk en gedoemd', 'een in zijn lichte en zware blauwezeekleifolklore bevangen (-) hypochondrisch en euforisch doorkliefde oudcalvinistische dorpsschoolmeester', als een lijder aan 'poëziespuwsels', bezocht door 'toevloeiingen van spreeksel'. Veel liefde of bewondering spreekt hier niet uit, eerder een geamuseerde distantie.

Je zou bijna vergeten dat het Hamelink zelf is die hier zijn eigen bedenksel van commentaar voorziet. A.D.'s gedichten zijn volgens hem geschreven in een 'in barre verbeeldingen, in allerhande hyperbolen en schijnbaar disparaat elkaar overrijdende wagensporigheden zich uitputtende stijl', en ook dat is mooi en treffend gezegd. Mocht Hamelink nog de schijn van een mystificatie willen ophouden, dan verraadt hij zich met zijn stijl, want die is in alle onderdelen gelijk: in zijn eigen voorwoord, in de brieven en prozastukken van A.D., in de aantekeningen en de biografische schets van Dieleman, en in de gedichten - of ze nu van A.D., Antoon Rooze of Hamelink zelf zijn.

Hoe nu deze streekroman in poëzie, opgehangen aan het bizarre leven van ene Aarnout Dees, te lezen? Om te beginnen maar als een lofzang op de pure poëzie en als bonte staalkaart van genres: er zijn gezangen, oden, gebeden, rapsodieën, elegieën en epigrammen in te vinden, alsmede bucolica en anacreontica. Daarnaast lijkt het een poging van Hamelink om de taal en de geschiedenis van zijn geboortestreek bij zijn eigen taal en geschiedenis in te lijven. Iets vergelijkbaars deed hij eerder al met de bijbel, in zijn even groot en bizar opgezette bundel Sacrale komedie (1987).

De oude A.D. was zelf niet helemaal tevreden toen hij in 1901 zijn verzamelde gedichten samenstelde. Hij liet zijn zes 'boeken' na in de wetenschap dat er 'in 't midden een gat' zat. Hij kon niet weten dat zijn oeuvre bijna een eeuw later alsnog voltooid zou worden. Hamelink plaatste (zonder verdere aantekening) in het hart ervan zijn eigen bundeltje Asael's Rust, een aandoenlijk in memoriam voor zijn in 1984 kort na de geboorte overleden zoontje Asael. Zo reiken de oude dichter 'die iedereen leek te overleven' en de jonggestorvene elkaar de hand. A.D.'s poëzie wordt hier alsnog van een hart voorzien, terwijl Asael zich nu alsnog opgenomen weet in een groot historisch verband, in een grote Zeeuws-Vlaamse familie van bevlogen dichters.

Mooi of ontroerend kunnen Hamelinks grillige gedichten moeilijk genoemd worden, maar als onderneming is zijn Folklore een ontroerend geval: opgezet rondom een gat, geschreven rondom een groot gemis dat nooit meer goed gemaakt kan worden. Bij wijze van schrale troost is er dan alleen nog de poëzie, de 'moederspraak van de mensheid', zoals A.D. haar noemt in zijn openingsgedicht. Aan haar en haar gebruikers is deze bundel uiteindelijk opgedragen: niet aan de sprekers van 'vaderprozataal', maar aan die 'achterlijke zwerfstammen' die nog geloven in de geest van de poëzie. In een brief aan Petrus Dieleman schreef de oude Dees: 'Peet, buiten de poëzie is alles gelul. Alles.'