Janus Secundus 1

Jean-Pierre Rawie vindt het 'raar dat er al niet eerder een vertaling in het Nederlands verschenen is' van de Basia, de kusgedichten, van Janus Secundus. (Zie CS 2 sept.)

Zijn constatering is onjuist. Al in de zestiende eeuw is een vertaling gepubliceerd. De titel en de lange auteursaanduiding luiden: Het boek der kuskens. Nu aldereerst uuijt tlatijn overgestelt in onse gemeine Nederduijtsche taele eensdeels bij Jan van Hout, ende eensdeels bij Douza (= Johan van der Does) ende anderen, liefhebberen der Nederduijtscher poëzyen. In 1930 verscheen in Maastricht bij uitgeverij A.A.M. Stols een herdruk van deze oude uitgave, in tweehonderd exemplaren, met een houtsnede van Jan Franken. Hoe aardig de vertaling is mag blijken uit bijvoorbeeld het Zevende Kusje, van de hand van Van der Does: 'Met hondert kuskens hondertmael,/Met hondert duijst, lief eele,/ Iae duijzent kuskens duijzentmael,/ En duijzentwerf zoo veele/ Als aende Locht men sterren ziet/ Of droppels inde Rhijne,/Zoud' ick, zonder ophouden ijet,/ Deez' oogskens crijstallijne,/ Met 't montlijn klein, En kaecxkens rein/ Gestadelijck wel kussen.'