Ik ben het Blonde Beest; Eigengereide debuutroman van Désanne van Brederode

Désanne van Brederode: Ave verum corpus. Gegroet waarlijk lichaam. Uitg. Querido. 224 blz. Prijs: ƒ 35,-

Fris, dat is wel het allerminste wat je van het debuut van Désanne van Brederode kunt zeggen. Brutaal is misschien een beter woord voor een roman waarvan alleen al de titel, Ave verum corpus, met als Nederlandse ondertitel Gegroet waarlijk lichaam, bepaald onbescheiden en gewaagd aandoet. Maar je kunt het boek ook exhibitionistisch noemen, of schaamteloos, of provocerend, of retorisch, en ook blasfemisch behoort tot de mogelijkheden, want Van Brederode spot graag met overgeleverde, religieuze symbolen. Jezus wordt weliswaar als één van de verlossers gezien - tot dit genus worden onder meer ook de popzangers Prince en Bono van U2 gerekend - maar ook als iemand die je op je studentenkamer kunt ontvangen en die je minnaar zou kunnen zijn. Voor een zoetsappige EO-Jezus is in Ave verum corpus geen plaats. De Jezus die de hoofdpersoon, Lucia, begeert, lijkt meer op de videoclip-Jezus van Madonna. Zowel de gewelddadige scène in een katholieke kerk met een kruisbeeld, als de nepkruisiging die Van Brederode op touw zet, lijken regelrecht door MTV geïnspireerd.

Dat is meteen een van de zwakke plekken in de roman: de kitscherige tv-beelden, de al te vlotte babbeltoon hier en daar, en de soms geforceerd aandoende, modieuze zelfbewustheid die het hele boek doorstraalt. 'Jij hebt dit boek ter hand genomen,' zo vangt het eerste hoofdstuk uitdagend aan. 'Nieuwsgierig? Gewoon uit verveling? Op advies van wie?' Ook het gefingeerde interview dat de schrijfster zichzelf in hetzelfde hoofdstuk laat afnemen, is ietwat vermoeiend, want wel vaker gedaan.

Toch draagt juist die waanwijze en kokette pose ook bij aan het bijzondere en eigengereide karakter van de roman. En bij alle literaire vernuftigheidjes die Van Brederode zich veroorlooft, de zogenaamde brieven die ze schrijft aan de lezer, het dubbelspel tussen schrijfster en hoofdpersoon en de conversaties met Jezus, maakt Ave verum corpus toch een prettig openhartige en zelfs integere indruk.

Ik kan mij voorstellen dat er lezers zijn die zich hoegenaamd niet aangesproken zullen voelen door de hoge toon die de schrijfster aanslaat. Mij was het onmogelijk om me te onttrekken aan het rigoureuze zelfonderzoek dat in deze roman wordt ondernomen door een filosofiestudente. Zij zoekt aanknopingspunten in andermans boeken en uitspraken, maar dan niet als het kindvrouwtje dat zich graag wentelt in hun grootheid, maar om er haar eigen voordeel mee te doen. “Ik zoek het gezelschap van helden”, zo bekent zij, “om me aan hun gelijk te voelen. Wat in eerste instantie op dweepzucht mag lijken, is juist mijn grootheidswaan incognito: eigenlijk bestaat er voor mij maar één held en dat ben ik zelf. Als Nietzsche de komst van het Blonde Beest aankondigt, duidt hij op mij. Ik ben het ook die aan het einde der tijden zal verschijnen, zittend aan de linkerhand van God, om te oordelen over de levenden en de doden.”

Het zelfonderzoek gaat twee kanten op, een geestelijke en een lichamelijke, die elkaar op een even eigenaardige als gewiekste manier aanvullen. De geest krijgt als het ware vorm in het boek dat onder onze ogen geschreven en voltooid wordt. Tegelijkertijd krijgt in het verhaal over de filosofiestudente het lichaam steeds meer de overhand. In de laatste hoofdstukken bereikt zij tenslotte een soort niets, een geesteloze lichamelijkheid. Daarmee is het doel bereikt dat de schrijfster zich had gesteld: zij heeft een waarlijk lichaam voortgebracht, zowel in de vorm van een boek als in de gestalte van haar hoofdpersoon, die na een flink aantal erotische uitspattingen tot een welhaast maagdelijke rust en inkeer is gekomen. Wat dit einde precies te betekenen heeft, zou ik niet durven zeggen. Is Lucia nu rijp voor een ontmoeting met God, of voor een mystieke versmelting met Jezus? Is zij thans bevrijd? Zo'n stichtelijke boodschap is minder aan mij besteed dan de worsteling die eraan voorafgaat, en die het leeuwedeel van Ave verum corpus in beslag neemt.

In de beschrijving van die worsteling houdt Van Brederode het midden tussen Connie Palmen en Marie Kessels. Vooral de vlotte manier van vertellen, de kortaangebonden, zakelijke stijl en de vele, snelle beweringen herinneren aan het debuut van Palmen, dat ook gewijd was aan een zoekende filosofiestudente. Sommige passages lijken bijna uit De wetten overgewaaid. “Voor Oudegeest blondeer ik mijn haar. Voor Oudegeest koop ik een mantelpakje. Voor Oudegeest doe ik lipgloss op.” In het obsessionele, passionele en sadomasochistische doet Ave verum corpus weer meer aan de roman Boa van Kessels denken.

Maar het eigene van dit debuut ligt vooral in de aantrekkelijke afwisseling van denken en doen, aardsheid en metafysica, anekdotiek en bespiegeling, wellust en ascese, lichaam en geest. Welbeschouwd gebeurt er niet veel in het boek. In een van de vele poëticale passages spreekt de studente, gesouffleerd door de schrijfster, van 'pretentieuze mausolea rond mijn kleine feiten'. Ik sluit niet geheel uit dat Van Brederode ons voor het lapje houdt met de onblusbare passie en het religieuze gedweep van haar heldin. Maar ook dan verdient zij veel lof voor de verve en de inzet waarmee zij het literaire spel heeft gespeeld.

UIT: DÉSANNE VAN BREDERODE, AVE VERUM CORPUS. GEGROET WAARLIJK LICHAAM

“Denk jij als je vrijt? Waaraan? Aan iemand anders? Aan iemand die je persoonlijk kent (-)? Aan een filmster, een presentatrice, een sporter? Denk je aan andere dingen dan de geslachtsdaad? Aan dingen die je je partner niet durft voor te stellen, uit angst veeleisend te lijken of pervers? Denk je in duidelijke gebeurtenissen, die je eventueel zou kunnen navertellen als iemand je er naar zou vragen, of denk je in beelden van lillend vet, druipende holen en penissen met harde, paarse koppen die je van achteren boren? Denk je aan een duizendkuttig monster zonder hoofd? Denk je aan een orgel van steeds dikker wordende dildo's die je allemaal moet passen tot je knapt? Wees maar gerust, ik vertel het niet door. Ik ben niet als jij. Ik lach je niet uit. Ik ben net als jij. Soms denk ik als ik met mij laat gebeuren de meest schaamteloze dingen. Denk je dat dat zondig is? Ik niet. Zondig ben ik als ik denk: wat zal ik straks eens eten? Zondig ben ik als ik denk: wat trek ik morgen aan?”