Een Venus in het zand; Beeldenmuseum in Scheveningen

In de Scheveningse duinen, onder het , negentiende-eeuwse Paviljoen van Wied staat het Museum Beelden aan Zee, dat vandaag wordt geopend. Het is een sober, particulier museum van oud-zakenman Theo Scholten, gewijd aan contemporaine beeldhouwkunst.

Museum Beelden aan Zee, Harteveltstraat/Boulevard, Scheveningen, tel. 070-358.5857, di t/m zo 11-17u. 'Een koninklijk paviljoen en een museum aan zee' VOM-reeks (1994-2), Monumentenzorg, Den Haag.

Onzichtbaar ligt het Museum Beelden aan Zee in een Scheveningse duin geschoven. Het enige teken aan de voorbijganger dat achter de keermuur, het zand en het helmgras kunst schuilgaat, is een ruim drie bij vier meter hoog gezicht van brons op een sokkel in het zand. Als een archeologisch artefact, een laatste spoor van een verloren beschaving van reuzen, wijst dit kunstwerk van de Poolse beeldhouwer Igor Mitoraj de weg naar 'Beelden aan Zee', het jongste particulier museum van Nederland en het enige dat aan contemporaine beeldhouwkunst is gewijd. Het is vandaag door koningin Beatrix geopend.

Oprichter is oud-Robecotopman Theo Scholten (67), die samen met zijn vrouw Lida al een kwart eeuw kunst verzamelt. Vijftien jaar geleden besloten zij zich toe te leggen op één thema: het mensbeeld. Hun collectie bevat inmiddels ruim zeshonderd objecten, alle gekocht van levende kunstenaars uit een groot aantal landen. Het besluit een eigen museum te bouwen dateert uit begin jaren tachtig; dertien jaar en twaalf miljoen gulden later is het er.

Van meet af aan heeft vastgestaan wie het museum zou ontwerpen: Wim Quist. “Ik bewonder de eenvoud en de zuiverheid van zijn werk,” zegt Scholten, die in verscheidene kunst- en museumcommissies zitting heeft en ook bestuurslid is van het Nederlands Architectuurinstituut. “Hij is een classicus. Zoals al zijn museumontwerpen is dit een sober gebouw. Als er ergens een begin van luxe te bekennen is, is dat onze schuld.”

Alleen al de locatie is opmerkelijk: het museum is in twee halve cirkels gebouwd onder en naast het neo-classicistische Paviljoen Von Wied. Het symmetrische paviljoen is als het ware op een voetstuk komen te staan. Koning Willem I liet het in 1826 bouwen als verjaarscadeau voor zijn ziekelijke vrouw Frederica Louisa Wilhelmina, met de bedoeling dat ze door de gezonde zeelucht zou aansterken, zo schrijft kunsthistorica Caroline Sillem in de vandaag verschenen uitgave van Monumentenzorg van Den Haag, Een koninklijk paviljoen en een museum aan zee.

Het paviljoen werd na de Eerste Wereldoorlog eigendom van de Haagse Litteraire Sociëteit De Witte. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bouwden de Duitsers er vijftien verdedigingswerken omheen, waarvan sommige met betonnen muren van twee meter dik, die met tientallen meters overdekte loopgraven met elkaar waren verbonden. Pas met de restauratie, die tegelijkertijd met de bouw van het museum plaatsvond, zijn daarvan de laatste restanten weggehaald. De sociëteit gebruikt het paviljoen nog steeds een aantal maanden per jaar, en gaf Scholten het terrein in erfpacht in ruil voor de financiering van de restauratie. Wel zijn museum en sociëteit volledig gescheiden.

Panorama

Een dramatischer contrast tussen de binnen- en buitenkant van het museum was moeilijk denkbaar geweest. Behalve de verdekt opgestelde ingang aan de Harteveltstraat, met een fraai hek ontworpen door beeldhouwer André Volten, toont het museum van buiten een zorgvuldig gedetailleerde blinde muur van zachtgele platen van schoon beton en een bescheiden verlichting. Des te verrassender is het om bij binnenkomst te zien hoe gul het daglicht naar binnen stroomt. Door de strook ramen langs de gebogen buitenmuur is de hemel en hier en daar een wuivende graspluim te zien.

Hoge schermen van wit kunststof delen de zaal op in 'kamers'. Hier staat een jurk van gaas van de jonge Nederlandse beeldhouwster Elizabeth Stienstra, daar een figuur in de bewust-houterige stijl van Balkenhol; hier een dikkerd van Botero, daar een dunne van Eja Siepman-van den Berg en een felgekleurde Cobra-'tuinkabouter' van Karel Appel. In de drie depots in het museum liggen ook werken opgeslagen van nog honderden anderen, onder wie Man Ray, Mari Andriessen, Henk Visch, Arman, Arthur Spronken, Nic Jonk en Charlotte van Pallandt. “We kunnen niet meer dan één derde van de collectie tegelijk laten zien,” zegt Scholten. “Maar dat heeft grote voordelen. In de eerste plaats is mijn overtuiging: less is more. Bovendien kan de opstelling telkens veranderen. Nu zijn bijvoorbeeld niet meer dan vijf van de zestig portretten te zien, maar later wordt een thematentoonstelling over het portret gehouden.”

Opdrachtgever en architect doen voor elkaar in perfectionisme niet onder, en de afwerking is er ook naar. De plafonds zijn van latten van Amerikaans grenen, de vloeren zijn binnen en buiten van gehamerd en gezaagd zandkleurig graniet dat de Scholtens zelf in Italië hebben uitgezocht. Ook in de betonnen wanden gaan form en function mooi samen. Precies in het midden van ieder blok zit een stalen dop met schroefdraad verzonken. Die lange rijen glinsterende rondjes voegen een sierlijk geometrisch patroon toe aan het matgele beton. “Bij het gieten loopt er een ijzeren pen doorheen om de bekisting bij elkaar te houden,” legt Scholten uit. “Maar als die met de buitenlucht in contact komt gaat het roesten. De roestvrij stalen konussen beschermen het materiaal en vormen tegelijkertijd een ingebouwd ophangingssyteem.”

Vanaf de grote zaal kijk je door zalen en patio's dwars door het gebouw heen naar de terrassen aan de zuidkant; ook binnen zijn zee, strand en wolken nooit ver weg. In het hart van het museum ligt een Venus van Jan Meefout languit op een sokkel tegen een achtergrond van glas en duinzand. Daartegenover ligt in het zandkleurige complex de enige witte ruimte, met theatraal aangelichte witte beelden en een hoog plafond van bogen. “Dit is de voormalige kelder van het paviljoen,” legt Scholten uit. “Die is anderhalve meter uitgegraven om hem bij het museum te betrekken. Technisch gezien was het een lastig en kostbaar karwei, niet in de laatste plaats omdat de fundering moest worden verdiept. Maar dit is voor mijn gevoel een belangrijke plek in het gebouw: hier komen het paviljoen en het museum samen.”

Bijna de helft van het museum staat in de buitenlucht. De bezoeker belandt vanzelf bij de drie elkaar overlappende terrassen aan de zuidkant van het paviljoen. Het is er streng en sereen tegelijk. Ook hier is minder meer: op uitgekiende plaatsen, met steeds meer uitzicht over zee, staan een aandoenlijke bronzen Eline Vere, een imposante La Guardata van Pino Castagna en een bruut, geblinddoekt hoofd van glanzend zwart steen door Hede Bühl Waarom het hoofd pleisters op de ogen heeft, wil de poetsvrouw weten die met een stoffer de beelden van zand ontdoet. Scholten heft de handen en zegt: “Zo ziet de kunstenaar de mens, denk ik.” O, dus dat heeft geen speciale betekenis? Nou goed, dat wou ze alleen maar even weten.

Amerikaans model

Museum Beelden aan Zee is in feite Quists tweede ontwerp voor het echtpaar Scholten: het eerste maakte hij voor een andere locatie, hun voormalige woonplaats Bilthoven. Dat plan is toen gestrand op bezwaren van omwonenden. Ook in Scheveningen zijn er bezwaren geweest, vooral tegen de keermuur. Maar het grootste obstakel waren de eisen van Hoogheemraadschap Delfland: om te voorkomen dat de zeewering zou worden verzwakt waren er technische voorzieningen nodig die de bouwkosten met miljoenen guldens opdreven. Overigens was deze tegenvaller aanleiding voor het ministerie van WVC om een half miljoen gulden bij te dragen in de kosten. “Ook psychisch was dat een belangrijke aanmoediging,” zegt Scholten. Daarnaast heeft de Mondriaan-stichtinggeholpen met de aankoop van het grote buitenbeeld van Mitoraj.

Museum Beelden aan Zee is een bij uitstek particulier initiatief, en Scholten verwacht en verlangt weinig van de overheid. Anders dan de bekende 'Mr. & Mrs.'-vleugels van Amerikaanse musea is Beelden aan Zee niet naar de oprichters genoemd, maar de organisatie is wel op Amerikaanse leest geschoeid. Op de directeur na, Theo Scholtens broer Paul, bestaat de staf volledig uit vrijwilligers. Het besluit daartoe had ook een praktische achtergrond: met een betaalde staf was de exploitatie onbetaalbaar geweest. “Het Frank Lloyd Wright Center in Chicago heeft liefst 750 vrijwilligers! Het is toch ook veel prettiger om door een gastheer of -vrouw te worden ontvangen dan om door een norse suppoost te worden geduld.” Het inzetten van vrijwilligers past volgens Scholten in toenemende mate bij de maatschappelijke constellatie van Nederland. “Enerzijds wordt er op een groot aantal culturele en sociale overheidstaken bezuinigd, anderzijds is er een toenemend aantal goed opgeleide mensen dat de vrije tijd en het geld heeft om zich daarmee bezig te houden.”

Inmiddels beschikt Beelden aan Zee over een groep van ruim honderd vrijwilligers, oftewel 'partners' zoals ze er worden genoemd. Hun betrokkenheid bij het museum noemt Scholten 'aangepast engagement'. Ter bevordering van de teamgeest krijgen de 'partners' een krantje van het museum, en het afgelopen jaar hebben ze een door de Scholtens ontworpen opleiding gevolgd waar onder anderen Jan-Willem Schrofer en Bram Kempers les kwamen geven.

Scholten is er heilig van overtuigd dat de toekomst van de kunst in Nederland niet meer in handen ligt van de overheid, maar van de particuliere verzamelaar. “Naarmate de welvaart toeneemt komt de grondslag voor overheidsbemoeienis met de kunst te vervallen. In de negentiende eeuw is de basis voor de verzamelingen van veel Nederlandse musea, zoals het Boymans-van Beuningen en het Kröller-Müller door particulieren gelegd, en dat zal aan het eind van deze eeuw weer gebeuren. Sinds de oorlog is het aantal bedrijven en particulieren dat zich over de kunst ontfermt, enorm gegroeid: kijk maar naar Duitsland, Japan en de Verenigde Staten. In Nederland zijn er de afgelopen jaren verscheidene particuliere musea opgericht - Overholland, Jopie Huisman, Van der Togt, De Pont - en in luttele jaren is het denken over de rol van de overheid 180 graden gedraaid. Ik heb zelf die overgang meegemaakt. In plaats van dedain voor 'de rijke stinkerd die per se zijn naam aan een prestigeproject wil verbinden' is de houding nu: hoe had u het gehad willen hebben. Hoe ik het hebben wil, kan iedereen nu in Beelden aan Zee zien.”