Een onschuldige duivel; De motieven van een seriemoordenaar

Waarom worden mensen gefascineerd door moordenaars? Slachtoffers willen maar niet tot onze verbeelding spreken, ze liepen er toevallig, zochten wat vertier op een verkeerde plaats of trouwden met de verkeerde vent. Onlangs verschenen twee boeken van familieleden van Amerikaanse seriemoordenaars die uitgegroeiden tot moderne Amerikaanse mythen.

Mikal Gilmore: Shot in the Heart. Uitg. Viking, 403 blz. Prijs: ƒ 54,40 Lionel Dahmer: A Father's Story. Uitg. Morrow, 255 blz. Prijs: ƒ 50,10.

De daders herinneren we ons, niet de slachtoffers. In juli 1976, in de staat Utah, joeg Gary Gilmore twee jonge mormoonse mannen in koele bloede een kogel door het hoofd. Gilmore, die gepakt werd net toen de doodstraf weer was ingevoerd en zelf eiste dat hij zou worden geëxecuteerd, werd binnen een paar weken de beroemdste moordenaar van Amerika en de rest van de wereld. Vijftien jaar later werden in Milwaukee in het appartement van de suffige alcoholist Jeffrey Dahmer de resten van verminkte en ontleedde jongens gevonden - uiteindelijk bleek Dahmer zeventien jonge jongens te hebben vermoord. Hij werd tot een dikke negenhonderd jaar gevangenschap veroordeeld, mag af en toe een interview geven op de Amerikaanse pulptelevisie en zucht nu in de Columbia Correctional Institution onder zijn reputatie als de gruwelijkste serial killer aller tijden.

De slachtoffers van deze twee mannen hebben alleen nog hun namen. Ze spelen kleine bijrollen in de boeken, documentaires en speelfilms die over Gary en Jeffrey zijn gemaakt. Het zijn namen die je op den duur herkent, maar waar maar geen gezicht bij wil verschijnen. Slachtoffers willen maar niet tot je verbeelding spreken, ook al doe je nog zo je best; dat is een waarheid die zo pijnlijk onrechtvaardig is, dat hij steeds weer verdrongen moet worden. Slachtoffers zijn passief, hebben geen motieven, ze doen niets, lokken hoogstens iets uit en meestal zijn ze dood. Vaak heeft hun slachtoffershap weinig te maken met de rest van hun leven - ze liepen daar gewoon, ze zochten wat vertier op een verkeerde plaats, ze trouwden met de verkeerde vent. Wat we ons van hen herinneren zijn hun smeekbeden, het gespatte bloed op het behang, de gruwel van het losse hoofd, de ontzieldheid van bleke lichamen.

Mikal Gilmore, jongere broer van Gary, en Lionel Dahmer, vader van Jeffrey, hebben beiden zo'n beetje tegelijkertijd hun herinneringen gepubliceerd aan de moordenaar in hun leven. Beiden zitten behoorlijk met de slachtoffers in hun maag: Mikal vermeldt keer op keer keurig de namen van de twee jonge Mormonen die Gilmore doodschoot en om de zoveel bladzijden van Shot in the Heart spreekt hij zijn medeleven voor de nabestaanden uit. Lionel Dahmer draagt A Father's Story op aan de zeventien jongens die in handen vielen van zijn zoon. Ook belooft hij, ongetwijfeld aangespoord door beschuldigingen van lijkenpikkerij die aan de publikatie van zijn boek voorafgingen, een deel van de winst over te maken aan 'families van slachtoffers'. Dat is dat; in het verhaal komen zij verder nauwelijks meer voor. Begrijpelijk, want ze spelen geen noemenswaardige rol in de duistere drama's die in deze twee boeken voor de lezer worden opgevoerd.

Waarom worden we gefascineerd door moordenaars? Waarom vereenzelvigen mensen zich steevast met daders en bijna nooit met slachtoffers, tenzij het martelaars zijn? Die vragen zijn nu zo vaak gesteld, dat we het antwoord inmiddels wel kunnen raden: er is geen antwoord. Moord is mysterie. Altijd, ook al kennen we de dader en zijn motieven en alle feiten. In het hart van iedere moordzaak ligt altijd een witte, of liever zwarte, vlek, waar niet-moordenaars niet bij kunnen, een duister psychologisch-genetisch niemandsland, dat je je misschien kunt voorstellen, waar je ongeremd over kunt speculeren en fantaseren, waarmee je je eventueel kunnen identificeren, maar dat je nooit werkelijk betreedt. In het geval van Gary Gilmore en Jeffrey Dahmer, O.J. Simpson en de broertjes Menendez komt ons voorstellingsvermogen dichter bij de werkelijkheid dan bij verzonnen moordenaars in boeken en films. Er zijn bewijzen, certificaten van echtheid: rechtbankverslagen, politiefoto's, interviews, bandopnames, getuigenverklaringen en televisiebeelden, vooral veel televisiebeelden.

Vuurpeleton

Gary Gilmore en Jeffrey Dahmer zijn populaire moordenaars. Ze zijn uitgegroeid tot moderne Amerikaanse mythen, een kop groter dan het leven zelf. Gilmore's verbeten gevecht om voor het vuurpeloton te komen verdeelde halverwege de jaren zeventig de publieke opinie van de Verenigde Staten. The Executioner's Song (1979), de minutieus gedetailleerde faction-novel die Norman Mailer over Gilmore schreef en de speelfilm die eruit voortvloeide, verschafte hem na zijn executie de tragische dimensies van de eeuwige Gefnuikte Amerikaan, speelbal van zijn eigen demonen en onoverwinnelijke maatschappelijke krachten.

De gruwelijkheid van Dahmer, die een hoofd in zijn koelkast bewaarde en lichaamsdelen van sommige jongens verorberde, leek hem zo buiten al wat menselijk was te plaatsen, dat zijn fletse, bijna-autistische persoonlijkheid al snel veranderde in een schertsfiguur, een soort vleesetende zombie uit een film van thrash-koning John Waters; jongens, wie vertelt de leukste Jeffrey Dahmer-grap? Toen na zijn arrestatie in 1991 bleek dat het merendeel van zijn slachtoffers zwarte jongens waren, die hij had meegelokt naar zijn huis onder de belofte vijftig dollar te betalen voor het poseren voor naaktfoto's of wat snelle seks, probeerden activisten hem nog even hun straatje in te trekken en hem af te schilderen als gewoon een racist of homohater, maar de waanzin in het hoofd van Dahmer liet zich niet vastleggen in een eenvoudige sociale agenda. Die waanzin liet zich helemaal niet vatten; Dahmers persoonlijkheid paste op geen enkel profiel.

Als kind was Dahmer gefascineerd geweest door dode dieren langs de kant van de weg, die hij verzamelde in plastic zakken en thuis ontleedde. Als adolescent raakte hij in de ban van dode mensen. Zijn eerste seksuele verlangens voelde hij op zijn veertiende, toen hij in de buurt van zijn ouderlijk huis in Milwaukee een jogger zag rennen. De daarvolgende dagen wachtte hij hem op in de bosjes - met een honkbalknuppel. Zijn angst om verlaten te worden was zo groot, dat hij alleen seksueel contact kon hebben met een man die bewusteloos was, of nog liever, levenloos. In de homosauna's van Milwaukee drogeerde hij zijn partners of hij sloeg ze buiten westen. Zijn minnaars thuis hield hij bij zich door hun geslachtsdelen op sterk water te zetten, door hun ingewanden op te eten, door polaroids te maken van hun verminkte lichamen. Voor hij hen doodde luisterde hij altijd naar het kloppen van hun hart.

Zowel Mikal Gilmore als Lionel Dahmer doen in hun boek een poging het beeld van hun broer respectievelijk zoon te onttrekken aan de groteske lachspiegel van de media en hen weer menselijke proporties te geven. De drama's in Shot in the Heart en A Father's Story zijn familiedrama's, intiem en persoonlijk. Het eerste boek is ambitieuzer van opzet en beter geschreven dan het tweede, maar de gelijkenissen zijn veelzeggend; beide mannen presenteren zichzelf niet alleen als ooggetuige, iemand die erbij stond er ernaar keek, maar als mensen die onlosmakelijk verbonden zijn met de misdaden van hun bloedverwanten.

Bloed, daar gaat het in deze boeken om. Amerikanen, zo blijkt dagelijks uit de bekentenisshow van Ophrah Winfrey, hebben er geen moeite mee zichzelf als personages in een drama te zien, en ook broer Gilmore en vader Dahmer kijken als het ware naar zichzelf op het podium in hun eigen familietragedie - maar wat schokt is de rol die ze zichzelf hebben toebedeeld. Hun getuigenissen zijn er niet op gericht zichzelf vrij te pleiten van de misdaden van Gary en Jeffrey. Integendeel, beiden bekennen in de ogen van Gary Gilmore en Jeffrey Dahmer meer dan een glimp te zien van hun eigen persoonlijkheid.

Vervuild bloed

In Shot in the Heart beschrijft Mikal Gilmore, een journalist die voor het muziekblad Rolling Stone werkt - wat aan zijn voortdurend op effect jagende stijl te merken is - hoe hij uit alle macht geprobeerd heeft zijn familie ver achter zich te laten. Een van de vele citaten die hij aan zijn hoofdstukken vooraf laat gaan is van de Amerikaanse schrijver Harry Crews en luidt: 'Het bloed is onze enige permanente geschiedenis, en de geschiedenis van het bloed laat zich niet herschrijven.' Norman Mailer, schrijft Gilmore, heeft zijn best gedaan, maar hij concentreerde zich in The Executioner's Song, niet op de familiegeschiedenis van Gilmore - en juist daarin ligt volgens Gilmore de hele tragedie besloten.

Vader Gilmore was een schimmige figuur, een beroepsoplichter, die opgejaagd werd door onbekende vijanden en zijn eigen geschiedenis grotendeels verzonnen bleek te hebben: de beroemde boeienkoning Harry Houdini wees hij als zijn vader aan. Zijn moeder was een spiritistisch medium, die haar halve leven in een rolstoel doorbracht. Na tal van geheime huwelijken, waaruit een onbekend aantal onechte kinderen voortkwam, trouwde hij met een meisje uit een strenge mormoonse familie. Vader Gilmore nam zijn nieuwe gezin mee op zijn vlucht voor het leven, liet een spoor van ongedekte cheques achter, zat regelmatig in de gevangenis en verdween voor lange perioden. Als hij thuis was, dronk hij en sloeg zijn vrouw, en later ranselde hij zijn zoontjes vrijwel dagelijks af, met zijn blote handen of zijn koppelriem. Moeder Gilmore ging het gevecht met haar man aan; ze had last van hysterische uitbarstingen en woedeaanvallen. Vlak na de geboorte van Mikal probeerde ze hem in de wieg in een kussen te laten stikken. Alle zonen, vier in totaal, werden hun hele jeugd gekleineerd en gemaltraiteerd, terwijl ze vast zaten in de kleine, intense hel van het gezin Gilmore.

Twee broers werden van kansarm tot kansloos, een ervan was Gary. Zoals een van zijn vroegere medegevangenen uit een opvoedingsgesticht het uitdrukt: “He was a good guy that got fucked over. A lot of it, I admit, he did himself. But not all of it. Not all of it by a long shot.” Toen Gary in 1976 op twee achtereenvolgende dagen een weerloze man in zijn achterhoofd schoot, was zijn vader al overleden aan kanker, en zijn jongere broer aan de verwondingen door messteken die hij tijdens een geheimzinnig verblijf in Chicago had opgelopen. Zelf had Gary het grootste gedeelte van zijn leven in opvoedingsgestichten of gevangenissen doorgebracht.

“Zou ik één moment kunnen vinden waarop alles verkeerd begon te gaan?” schrijft Gilmore in Shot in the Heart, dat volstaat met familiekiekjes van de Gilmores als doorsnee Amerikaans gezin. “En als het me lukte zo'n moment te vinden, zou dat zich dan in Gary's leven bevinden? Of zou het moment buiten hemzelf liggen - bijvoorbeeld in de geheime duisternis van zijn vaders eigen geschiedenis? (-) Maar wanneer je alle schakels in het verhaal maar dicht genoeg bekijkt, ontdek je iets veel ergers: ieder moment deed er iets toe, en er waren verdomme gewoon te veel slechte bij.”

De familie als hel, het gezin als onontkoombaar zwart gat; Gilmores schrijnende familiegeschiedenis volgt het scenario van de erfzonde. In zijn boek krijgt bloedverwantschap een mythische status, stof voor een tragedie met Griekse of Bijbelse dimensies. Alle Freudiaanse kluwens waarin dominante vaders en rebellerende zonen gevangen zitten, worden voelbaar gemaakt, maar Gilmores bedoelingen zijn niet therapeutisch in de traditionele zin van het woord. Aan het eind van de lijdensweg van het gezin Gilmore ligt niet de bevrijding van de psychoanalyse. Niemand wordt herboren in Shot in the Heart, niemand maakt zich los van knellende familiebanden, niemand ontsnapt voorgoed aan de inktzwarte krochten van het gezinsleven. Het doet er niet wezenlijk meer toe wat is aangeboren en wat niet, want het is allemaal onontkoombaar en onuitwisbaar. Wat Gilmore aan het eind van zijn boek aanvaardt, of liever gezegd, claimt, is zijn familie-erfenis van dood en verderf. “'Het komt nooit meer goed. Nooit. Het komt nooit meer goed.' Ik zeg dit steeds maar weer tegen mezelf, totdat ik genoeg troost in de woorden vind om weer verder te kunnen slapen.”

Alledaagse vernederingen

Troost. Mikal was niet Gary, maar hij had Gary kunnen zijn - en de lezer van Shot in the Heart dus ook. Ongelukken, kanker, geldgebrek, alcoholisme, bedrog, ruzie, mishandeling, seksueel misbruik, kleine alledaagse vernederingen, gebrek aan liefde, er zijn heel wat mensen die in hun leven zo'n cocktail van ongeluk aan hun lippen gedrukt krijgen. Niet allemaal worden zij moordenaars, maar ze kunnen moordenaars wel begrijpen. Mikals haat tegen de ouders die hem dit alles hebben aangedaan is ongeveer even groot als zijn liefde voor hen, een liefde die zich niet laat ontkennen; zijn familie heeft hem gevormd, zit in zijn bloed. De moorden die Gary pleegt en zijn verlangen om zelf vermoord te worden, krijgen in Mikals relaas de betekenis van een regelrechte katharsis, de onafwendbare uitkomst van de tragische familiegeschiedenis van de Gilmores.

De spiraal van geweld en moord waarin Gary Gilmore terecht kwam is nog wel enigszins aanschouwelijk te maken, vereenzelviging met Jeffrey Dahmer lijkt onmogelijk. En de laatste van wie je dat zou verwachten is wel de man die in alle Freudiaanse scenario's verantwoordelijk zou worden gehouden voor zijn beestachtige handelingen: zijn vader. Toch vindt ook in A Father's Son de identificatie plaats van de vader met zijn zoon de moordenaar, een identificatie die des te schokkender is omdat hij zo onverwacht komt.

Aanvankelijk lijkt het erop dat Lionel Dahmer vastbesloten is zijn handen van zijn zoon af te trekken. Van zichzelf schetst hij het beeld van een goedbedoelende huisvader die helemaal opgaat in zijn werk als chemicus, terwijl zijn behoorlijk hysterische eerste vrouw (flink aan de pillen tijdens haar zwangerschap, haar vader een alcoholist die haar mishandelde) zich thuis met de kleine Jeffrey bezighoudt. Ook Dahmers boek staat vol kleuterfoto's: vader en zoontje in het pierenbad, samen op de fiets, de kleine Jeff met een schoolvriendje prik drinkend, in een Halloween T-shirt met een onschuldige duivel; de onbeholpen kijkende puber Jeff als gemiddelde scholier op een portretfoto, met strak gekamd haar en een stijf brilmontuur. De vader lijkt de vraag waar en waarom het misging niet willen stellen. Terwijl hij in zijn laboratorium voortploeterde, groeide achter zijn rug een monster op. Na de scheiding liet zijn eerste vrouw Jeff aan zijn lot over en toen Lionel en zijn tweede vrouw Shari zich noodgedwongen over hem ontfermden, bleek het te laat. De zoon bleek apathisch, niet in staat zich ergens voor in te zetten, een alcoholist bovendien. En wat deed die mannelijke paspop in zijn klerenkast?

De vader zag het allemaal niet, ook niet toen zijn zoon eind jaren tachtig gearresteerd werd, wegens een poging tot verkrachting van een dertienjarige jongen. Hij rook niets in het appartement van zijn zoon, hij geloofde alles wat hij zei. Op een dag kreeg hij argwaan toen Jeffrey, die bij zijn oma inwoonde, hem niet wilde vertellen wat er een kistje zat (de vader vermoedde homoporno), maar hij accepteerde de excuses van zijn zoon toen die hem een paar dagen later inderdaad wat pornoblaadjes liet zien. In het kistje zat het hoofd van een van Jeffrey's slachtoffers.

Rust

Tot dan toe wijkt Lionel Dahmers verhaal niet af van de feiten, overbekend door televisiedocumentaires en gelegenheidsbiografieën. Het lijkt wel of hij er zelf niet echt bij is geweest. Wanneer zijn zoon is gearresteerd, wanneer 'the Dahmers', inmiddels berucht, belaagd worden door horden journalisten, wil Lionel Dahmer iedere betrokkenheid ontkennen; twee dagen na Jeffs arrestatie gaat hij gewoon weer naar zijn laboratorium. Maar wanneer zijn zoon veroordeeld is en de rust enigszins terugkeert, durft hij eindelijk in de spiegel te kijken. Wat hij ziet, is niet prettig: “een man die zijn gevoelens moeilijk kon uiten, die zo opging in de kleine dingen van het sociale leven dat hij vaak het grote geheel uit het oog verloor, die op anderen vertrouwde om hem te leiden in zijn reacties op het leven, omdat hij niet kon vertrouwen op zijn eigen richtingsgevoel - een man wiens zoon wellicht slechts een diepere, donkerder schaduw was van hemzelf.”

De vader identificeert zich plotseling met zijn zoon, het mediamonster Jeffrey Dahmer, serie-moordenaar en kannibaal. Bloedverwantschap valt niet te ontkennen, generaties geven elkaar het ongeluk door met een oud-testamentaire hardheid. Ook Lionel Dahmer leed in zijn jeugd aan een wanhopige verlatingsangst, ook hij kende het intense verlangen anderen volledig in zijn macht te hebben, ook hij voelde zich vaak dood van binnen. In Jeff ziet hij plotseling niets anders dan een groteske uitvergroting van zijn eigen angsten en verlangens. Zo zoon, zo vader. Jeffrey is nu veel meer zijn kind geworden dan hij ooit is geweest.

En Lionel Dahmer is niet de enige die een zoon heeft gevonden. In A Father's Story beschrijft hoe hij samen met zijn tweede vrouw na een bezoek aan Jeff de dozen met post meeneemt die Jeff in zijn cel heeft ontvangen. De meeste brieven bevatten een wanhopige vereenzelving met de figuur van Jeffrey Dahmer: er zijn liefdesbrieven bij ('babe, doll, darling, my lovely' 'Het staat geschreven dat wij samen zullen zijn') troostrijke brieven ('mijn droom zei me dat je geestesziekte complex was, maar verklaarbaar, net als de mijne'), gekkenbrieven, wanhoopskreten, dankbrieven (van racisten) en seksbrieven van zowel mannen als vrouwen. Voor al deze briefschrijvers is Dahmer een troostrijk personage geworden.

Lionel Dahmer schrijft het niet met zoveel woorden, maar de boodschap is duidelijk. Het is een boodschap die niet verschilt van die in het boek van Mikal Gilmore: in laatste instantie is er in Jeffrey Dahmer veel meer wat we herkennen dan wat ons vreemd is. 'Een vrouw vroeg alleen dat hij erin toestemde met haar in de hemel verenigd te worden.' Het raadsel dat Lionel Dahmer in zijn boek oplost is dan ook niet waarom Jeffrey Dahmer deed wat hij deed, maar dat de jury tijdens zijn proces besloot dat een man die zeventien mensen had gedood, gemutileerd en opgegeten niet als krankzinnig mocht worden beschouwd.