Een aangeklede aap; Expositie over het narcisme in de moderne kunst

Volgens beeldend kunstenaar Edwin Janssen is het contact tussen de kunstenaars en de omringende wereld in de twintigste eeuw verloren gegaan. In Museum Boymans maakte hij hierover een tentoonstelling, waarin de kunstenaar wordt afgespiegeld als een eenzelvige Narcissus.

Edwin Janssen: Narcissus en de poel des verderfs, tentoonstelling in Museum Boymans- van Beuningen, Museumpark 1820, Rotterdam. T/m 30 oktober. di-za. 10-17 uur, zon- en feestdagen 11-17 uur.

Edwin Janssen (33) beschouwt zichzelf als een vertegenwoordiger van wat hij noemt de 'plaatjesgeneratie': beeldende kunstenaars die zich toeleggen op het hergebruiken van beeldmateriaal. Zij eigenen zich bestaande beelden toe. Daarbij maken zij geen onderscheid tussen kunstwerken en materiaal afkomstig uit de massamedia. Als het plaatje maar bruikbaar is.

Wie hieruit concludeert dat Janssen lichtvaardig denkt over het kunstenaarsschap heeft het mis. Het tegendeel is het geval, zoals blijkt uit zijn expositie in Museum Boymans-van Beuningen. Deze expositie draait om de vraag naar zin en inhoud van het kunstwerk. Het kunstwerk heeft, volgens Janssen, veel aan inhoud ingeboet omdat beeldende kunstenaars sinds de negentiende eeuw vertoeven in de ivoren toren van de zelfreflectie. Nog steeds hebben ze geen alternatief gevonden voor de opvatting dat het kunstwerk autonoom is, dat het naar niets verwijst dan naar zichzelf. Janssen heeft, zoals hij zegt, de behoefte om deel uit te maken van de wereld om hem heen. Hij zou willen dat het kunstwerk verbonden is met die omringende wereld.

In de twintigste eeuw staat de kunst in het teken van het l'art pour l'art, en is iedere beeldend kunstenaar een Narcissus, aldus Janssen. 'Narcissus en de poel des verderfs' heet de expositie die hij inrichtte met materiaal van anderen - op één object na, dat van zijn eigen hand is. In de tentoonstelling is een kleine olieverfstudie van Rubens opgenomen waarop Narcissus staat afgebeeld. De elegante jongeling zit geknield aan de rand van een poel. Het merkwaardige is dat Narcissus niet, zoals de mythe wil, verrukt verzonken is in de beschouwing van zijn eigen beeltenis maar met een mengeling van schrik, angst en afkeer naar het water staart. Rubens loopt vooruit op het tragisch lot van Narcissus. Het schilderijtje lijkt ons te waarschuwen: wees niet als Narcissus!

Ironie

In de zeventiende eeuw bevatten kunstwerken vaak morele lessen. Zij gaan, soms expliciet maar meestal verhuld over het onderscheid tussen goed en kwaad. Janssen nam het moralisme van de zeventiende-eeuwse schilderkunst tot uitgangspunt van zijn installatie. Eigenlijk is de zaal die hij inrichtte meer een exposé dan een expositie: een verhandeling in woord en beeld over de kunstenaar als Narcissus en, algemener, over rol en betekenis van het kunstwerk - maar wel met de nodige ironie.

In de lange, smalle zaal van het Boymans hing Janssen aan de ene wand drie keer twee grote panelen, steeds één paneel met knipsels, foto's en fotokopieën, en het andere met schilderijen, of indien een bepaald schilderij niet beschikbaar was, een kopie daarvan, ingelijst en wel. Tussen de schilderijen hangt ook weer drie keer een als schilderij ingelijste spiegel,waarin de beschouwer zichzelf ziet. Iedere combinatie van twee panelen heeft een thema.

Het eerste betreft het menselijk handelen. Hier hangt bijvoorbeeld een voorplaat van het tijdschrift Time, met daarop de kop van een neanderthaler-achtig wezen. De tekst luidt: How man began - fossil bones from the dawn of humanity are rewriting the story of evolution. Ernaast hangt een cover van het tijdschrift New Woman, met een foto van een stralende jonge vrouw. Het nummer is gewijd aan Summer Love. Bij de schilderijen neemt De Kwakzalver van Gerard Dou (ook uit de collectie van Boymans) een centrale plaats in. De kwakzalver is een bedrieger, dat laten zijn gezicht, zijn potsierlijke kledij en het aapje naast hem duidelijk zien. De schilder, die zichzelf als toeschouwer op de achtergrond afbeeldde, is daarentegen een redelijk wezen. Hij heeft de kwakzalver ontmaskerd. Het Herberginterieur van Adriaen Brouwer toont een liederlijk zootje van dronken mannen, terwijl in Het Snijden van de Kei van Jan Steen zo te zien een steenpuist verwijderd wordt - hardhandig, zonder poespas van een kwakzalver. Ook hangt hier de Narcissus van Rubens.

Spiegels

Het tweede thema is de beeldend kunstenaar zelf. Het eerste paneel is behangen met fotografische portretten van door Janssen bewonderde artiesten. Yves Klein, Matisse, Blinky Palermo, Magritte en anderen, en ook Janssens vader, trots poserend op een tentoonstelling van zijn zoon. Het andere paneel bevat ondermeer de Democritus en Heraclitus van Hendrick Terbrugghen, een kopie van het beroemde zelfportret in een bolle spiegel van de 16de-eeuwer Parmigianino, en het zelfportret van Rembrandt staande voor een schilderij (kopie). Hier is opnieuw de Narcissus van Rubens, in kopie, en dus in veel oogstrelender kleuren dan het origineel, zoals dat met kleurenfotografie meestal het geval is. Er ontstaat een mentaal Droste-effect: Janssen kopieerde de door Rubens geschilderde Narcissus die de kunstenaar symboliseert. Het is een gesloten cirkel die geen uitweg biedt naar de werkelijkheid buiten het kunstwerk.

Het derde thema tenslotte is boetedoening. Met bijvoorbeeld een afbeelding van een aap die Mein Kampf zit te lezen, en een artikel dat eerder dit jaar op de opiniepagina van deze krant verscheen onder de titel 'Een terugkeer naar de oude waarden lost het moreel verval niet op'. Het prachtige paneeltje met Het Branden van Sodom en Gomorra van Joachim Patenier hangt hier, en een Flagellanten-processie van Gerard Ter Borch. De spiegel bevindt zich dit keer net iets te hoog, wie op zijn tenen gaat staan ziet hoogstens zijn kruin. Aan de tegenoverliggende wand plaatste Janssen beelden die de mens in verschillende 'stadia van ontwikkeling' weergeven. Ze staan of zitten voor grote spiegels. Aan het begin Dad, een aangeklede aap die de National Geographic zit te lezen (van Janssen, 1992), aan het eind de robotvrouw van Nam June Paik, gebouwd uit oude radio's. Zij heeft ronde luidspreker-borsten, op haar schouders draagt zij een 'Rembrandt control switch', zoals het label vermeldt, en zij huilt. Zij is de tegenpool van de weelderige, vrolijke vrouw van Niki de Saint-Phalle.

Janssen heeft gelijk wanneer hij de moderne kunst als narcistisch kenschetst. Het onderwijs aan onze academies is daarvan een getrouwe afspiegeling. Sinds zo'n 25 jaar wordt van de studenten verwacht dat zij, van het begin tot aan het verlaten van de academie, aan 'zelfexpressie' doen, zelfbeleving, zelfontplooiing. Hoe zelver ze bezig zijn hoe beter. Gombrich schreef in 1987 op zijn onnavolgbaar simpele manier: 'Als er ooit een esthetische doctrine waar is gebleken, dan is het wel dat een kunstenaar zijn eigen wereld schept. Maar deze eigen wereld kan alleen bestaan wanneer hij het objectieve bestaan van de werkelijkheid erkent.' Aan de wisselwerking tussen kunstwerk en werkelijkheid ontleent het kunstwerk zijn betekenis. Maar die wisselwerking is maar al te vaak zoek.