Drieduizend monumenten morgen een dag open

AMSTERDAM, 9 SEPT. Lelystad en Almere hebben geen monumenten. Dat zijn volgens de wet “alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde” en die oorden in de nieuwe polders bestaan nog geen vijftig jaar. Lelystad en Almere dan ook niet mee aan de Open Monumentendag, morgen tussen tien uur 's ochtends en vijf uur 's middags. Ruim vierhonderd andere Nederlandse gemeenten doen wèl mee. Samen stellen ze circa drieduizend monumenten, voornamelijk historische bouwwerken, gratis open voor het publiek, dat massaal belooft toe te stromen.

Het is voor de achtste keer dat het gebeurt, steeds op de tweede zaterdag van september. Oude kerken, raadhuizen, molens, forten en kastelen, maar ook gewone woonhuizen, die normaal voor buitenstaanders potdicht zitten, zijn ditmaal vrij te betreden. De eerste keer, in 1987, werd die gelegenheid door 350.000 burgers benut; vorig jaar bleek het aantal bezoekers gestegen tot 700.000, een cijfer dat berust op verscheidene enquêtes. In kringen van monumentenzorg is al sprake van een rage, die ook elders in Europa om zich heen grijpt, nadat de toon in Frankrijk werd gezet.

Wat Nederland betreft begon het destijds (1984) met een ogenschijnlijk onbetekenend briefje dat bij het ministerie van WVC binnenkwam. A. Westendorp, voormalig hoofd voorlichting, die na zijn pensionering in Frankrijk was gaan wonen, schreef: “Bij ons in Frankrijk wordt een Journée Monuments Portes Ouvertes georganiseerd. Dat loopt goed. Een idee voor Nederland, dat ook zoveel interessante monumenten heeft?”

Een goed idee, was de algemene opinie, zowel ten departemente als bij de Nationale Contactcommissie Monumentenbescherming (NCM), die enkele honderden particuliere organisaties in deze sector overkoepelt. Zo kwam het, twee jaar later, tot een Stichting Open Monumentendag, gehuisvest bij de NCM in Amsterdam, waarna al spoedig de vlag met sleutel werd gehesen ten teken dat het volk zich in historische panden mocht komen vertreden.

Toch vormen de opengestelde objecten maar een fractie van wat Nederland aan gebouwd cultureel erfgoed te bieden heeft. Op het ogenblik telt ons land 45.489 door het rijk erkende monumenten, waarvan 43.840 bovengronds en 1.649 ondergronds, waarmee gedoeld wordt op archeologische vindplaatsen. Daar komen nog eens naar schatting 20.000 monumenten bij die op gemeentelijke lijsten staan. Diverse steden en dorpen onplooien de laatste tijd een opmerkelijke activiteit waar het gaat om bescherming van historische gebouwen die niet direct een landelijke betekenis hebben. E.R. van Brederode, voorzitter van de Stichting Open Monumentendag, schrijft deze lokale trend in belangrijke mate toe aan de jaarlijks terugkerende nationale gebeurtenis: “De Open Monumentendag heeft ongetwijfeld stimulerend gewerkt op het gemeentelijk monumentenbeleid.”

Daar komt bij dat de lijst van rijksmonumenten voor uitbreiding vatbaar is sinds bouwwerken van jongere datum (daterend uit het tijdvak 1850-1940) een groeiende belangstelling genieten. Tot omstreeks 1985 kwamen ze er nogal bekaaid af bij Monumentenzorg, maar nu krijgt ook deze categorie de erkenning die ze verdient. Een landelijke inventarisatie van het 'jongere monument' is kort geleden afgesloten, zodat een selectie voor de rijkslijst kan volgen. In afwachting daarvan hebben sommige gemeenten bouwwerken uit die periode alvast op hun eigen lijst 'geparkeerd'.

Absolute topper op monumentengebied - en vanouds ook een prominente publiekstrekker op de Open Monumentendag - is Amsterdam met 6.748 beschermde gebouwen, op verre afstand gevolgd door Maastricht (1.444), Utrecht (1.133), Leiden (1.124) en Middelburg (1.084). Een stad als Rotterdam (258) kan daar niet aan tippen, maar doet niettemin geestdriftig mee aan de open dag, die dit keer het motto 'Monumenten tussen wal en schip' draagt en gewijd is aan de havenarchitectuur. Dat betekent dat behalve de schaarse klassieke monumenten vooral pakhuizen, vemen en scheepvaartkantoren te bezichtigen zijn, inclusief de 'keet van Oud', een uit 1923 stammende schepping van de architect Oud aan de Aakstraat, geïnspireerd op de beeldende-kunstbeweging De Stijl.

Het zijn stuk voor stuk jongere panden, die hoofdzakelijk in de afdeling industriële monumenten of monumenten van bedrijf en techniek vallen; ook een categorie die de laatste jaren aan betekenis wint en uiteenlopende objecten omvat, variërend van fabrieken, watertorens en treinstations tot sluizen, bruggen en gemalen. Ook Amsterdam, zo rijk aan eeuwenoud erfgoed, vergeet deze sector niet: hier is onder meer de oude gasfabriek achter de Haarlemmerpoort te bezichtigen, evenals het Olympisch Stadion, dat twee jaar geleden op de monumentenlijst kwam te staan.

De open dag gaat ditmaal gepaard met een ledenwerfactie voor de Vereniging Open Monumenten, kortweg VOM, die vorige maand werd opgericht om het cultuurbezit een extra particuliere steun in de rug te bieden. Een soort pendant van de National Trust in Engeland en bedoeld als pressiegroep nu er rond de Nederlandse monumentenzorg nogal wat politieke onzekerheid heerst. De laatste minister van WVC, d'Ancona, kwam - op verzoek van de Tweede Kamer - met het Strategisch Plan Monumentenzorg, waarin voor de komende tien jaar 1,4 miljoen was uitgetrokken om achterstanden bij restauraties in te lopen. Maar de nieuwe bewindsman van cultuur, staatssecretaris Nuis, heeft forse bezuinigingen aangekondigd, zodat nog moet blijken wat er van d'Ancona's plan terecht komt.