Don Giovanni bij de dokter; Anna Enquists onbezielde meesterproef

Anna Enquist: Het meesterstuk. Uitg. De Arbeiderspers. 313 blz. Prijs: ƒ 39,90

Vorige maand maakte uitgeverij De Arbeiderspers bekend dat de roman Het meesterstuk van de dichteres Anna Enquist al voor het verschijnen in Nederland aan een Duitse uitgever was verkocht. Dat zou nooit eerder in de geschiedenis zijn voorgekomen. Toen ik het persbericht las, vroeg ik me af of de Duitse uitgever het boek dan al gelezen had. Er was nog geen recensie over verschenen. Het enige wat, afgezien van het manuscript, houvast zou kunnen bieden was Enquists naam als snel doorgebroken maar ook weer niet helemaal onomstreden dichteres.

Nu de roman dan eindelijk in Nederland verkrijgbaar is, komt ook de vraag op of Enquists Nederlandse uitgever hem eigenlijk wel zo goed gelezen heeft. Want waarom wordt er zoveel ophef over gemaakt? Het meesterstuk heeft zeker kwaliteiten, het boek snijdt een interessante problematiek aan, en het bevat een aantal meeslepende sfeerbeelden die de meesterhand van de dichter verraden, maar het rammelt nog aan alle klanten.

Doordat het verhaal gebaseerd is op de thematiek en het dramatisch schema van Mozarts opera Don Giovanni, zit het boordevol handelingen, intriges en personages, maar je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat deze in veel te grote haast in elkaar zijn geschoven. Geen van de personages komt tot leven, de intriges zijn meer kluchtig dan intrigerend, en de uitwerking van de thematiek is, op zijn zachtst gezegd, goedkoop. Het meesterstuk (wat een titel!) is niet meer dan een groot staketsel dat is opgevuld met oude lappen, grauwe watten en stugge wol. Het is een meesterproef, maar dan zonder bezieling. Als onopvallend gebracht debuut van een onbekende schrijfster zou het waarschijnlijk geen slecht figuur slaan in het aanbod van dit najaar. Maar nu het met zoveel promotionele activiteiten in een oplage van 20.000 exemplaren de boekhandels wordt ingedragen, is het een lachwekkende vertoning aan het worden.

Wat ging er mis? Anna Enquist (1945) is behalve dichteres ook psycho-analytica. Dat bleek al toen in 1991 haar eerste dichtbundel Soldatenliederen verscheen. Temidden van fraai verwoorde, heftige emoties liet ze daarin een glimp zien van een andere ziel die óók in haar borst huist, die van de dokter met spreekkamer, waar patiënten worden geholpen hun verborgen fantasieën naar buiten te laten stromen.

In de gedichten bleef deze andere kant echter beperkt tot voorzichtige aanduidingen en een enkel thematisch gedicht. Het stoorde niet. Dat kan niet worden gezegd van Het meesterstuk. Daar komt Enquists andere ziel volop tot ontwikkeling. De roman bevat het verhaal van een gehuwde vrouwelijke psychiater die van nabij getuige is van een huwelijkscrisis bij haar beste vriendin, een sociologe uit het welzijnswerk, en een ambitieuze kunstschilder.

De psychiater uit het boek is vooral waarnemer, 'onstilbaar nieuwsgierig' naar de verborgen verbanden. Maar haar objecten houden zich minder in. De kunstschilder staat op het punt een belangrijke tentoonstelling te krijgen in een gerenommeerd modern museum en op de dagen voor de opening wordt zijn armzalige leven via flashbacks en zijlijnen van verschillende kanten belicht.

Het is niet eens zozeer het optreden van een psychiater in het boek, dat irriteert. Het is vooral de thematiek, de stijl en de manier van kijken en redeneren die door de psychiatrie lijken te zijn aangetast.

De thematiek loopt over van de verwijzingen naar Freud. De kunstschilder blijkt op jonge leeftijd zijn vader te zijn kwijt geraakt. Door net als hij de kunst in te gaan probeert hij hem nu te overtreffen om zo zijn moeder te imponeren. Daarbij wordt hij gehinderd door zijn jaloerse broer, een kunsthistoricus die de kunst vooral analytisch benadert. In een artikel aan de vooravond van de grote tentoonstelling probeert hij de schilder onderuit te halen door minachtend op zijn traditionele techniek te wijzen.

Tot overmaat van ramp wordt dit alles dan nog van goedkoop toelichtend commentaar voorzien. We krijgen uitgebreid de gedachten van de psychiater te horen, en zijn getuige van haar vaak eindeloze gesprekken over bijna niets.

Het zijn vooral deze stukken die van een onvoorstelbare grauwheid zijn. In een mooie, poëtische beschrijving is nog niet de stemming van een personage opgeroepen, of deze wordt teniet gedaan door een koele, klinische blik. Enquist verwijst naar de vele 'rollen' die haar personages spelen, hun 'schijnzelfstandigheid' en hun 'schijnrelaties'. En over haar psychiater schrijft ze: “Ze vreest dat de tevreden eenzaamheid te danken is aan een kunstgreep, dat de veiligheid van het gezin waarin zij hoort en de zekerheid van die banden het haar mogelijk maken ten volle van de vrijheid te genieten.”

Wat een getob, wat kleinzielig, wat klein. Waar blijft het drama?