Discrepanties

BIJ WET VAN 17 september 1870 schafte Nederland de doodstraf af, daarin slechts voorgegaan door San Marino (1848) en Portugal (1869). (Voor oorlogsomstandigen gebeurde dat trouwens pas onlangs.) Deze voortrekkersrol gold als een bewijs dat ons land “hoe klein en nietig ook, onder de toonaangevende volken op intellectueel en zedelijk gebied mag worden gerangschikt”, zoals een oud geschiedenisboek het uitdrukte. Dat is andere taal dan die van recente opiniepeilingen waarmee het Sociaal Cultureel Planbureau deze week kwam en waarin meer dan veertig procent van de ondervraagden zich uitspreekt vóór de doodstraf.

Deze discrepantie dateert niet van vandaag of gisteren. In 1870 haalde de abolitiewet het in de Eerste Kamer slechts met de hakken over de sloot (20-18). Zelfs in de jaren zestig van deze eeuw scoorde de doodstraf nog steeds percentages van dubbele cijfers in opiniepeilingen. En nu is onder de jongeren zelfs meer dan de helft voor de doodstraf. De betekenis van dergelijke uitspraken is vooral een symbolische. De keuze doet zich immers niet werkelijk voor. Zelfs in een land als de Verenigde Staten, waar de doodstraf de laatste jaren een ware revival meemaakt, zijn de hoge percentages voorstanders in de opiniepeilingen niet los te zien van de zekerheid dat slechts zeer weinig burgers - als jurylid, getuige bij de executie, laat staan als beul - daadwerkelijk te maken krijgen met de grimmige werkelijkheid van de doodstraf.

DE BEZWAREN TEGEN deze strafsoort zijn bekend en overtuigend. De doodstraf is onomkeerbaar, zodat een rechterlijke dwaling nooit kan worden rechtgezet. Het schaadt het beschavingspeil van een staat wanneer het er een speciaal apparaat op nahoudt om eigen burgers om te brengen. De overgrote meerderheid van de criminologen ziet niets in de doodstraf; “hij hoort thuis bij astrologie en bijgeloof”, zoals een van hen het vlak na de oorlog kernachtig uitdrukte. Afschrikkende werking valt niet aan te tonen, maar het gevaar van een discriminatoire toepassing die bepaalde bevolkingsgroepen onevenredig treft is daarentegen levensgroot.

Pure vergelding dan? Dat is een opdracht die de aardse justitie te boven gaat. Na tien jaar ervaring met de berechting van halsmisdrijven verklaarde een lid van het Amerikaanse Hooggerechtshof dat hij met tegenzin tot de conclusie had moeten komen “dat er geen zinnige grond is om de weinige gevallen waarin de doodstraf wordt opgelegd te onderscheiden van de vele zaken waarin dat niet gebeurt”.

PRAKTISCH GEZIEN is de roep om de doodstraf in Nederland gauw afgedaan, zoals de nieuwe minister van justitie Sorgdrager liet weten. Zij piekert er niet over. Wederinvoering zou trouwens grondwetswijziging vergen, want tien jaar geleden is het verbod van de doodstraf opgenomen in de hoogste wet van het land. Het is ook sterk de vraag of de voorstanders van de doodstraf in de meningspeilingen wel zo concreet denken aan wederinvoering. De hoge score van de doodstraf heeft eerder iets van een alarmsignaal, niet alleen over de criminaliteit maar ook over allerlei andere sociale spanningen waarop het SCP wijst, zoals de immigratie.

Symbolisch of niet, de toenemende populariteit van de doodstraf in de opiniepeilingen geeft te denken over de verhouding tussen de voor het justitiële beleid verantwoordelijke autoriteiten en de bevolking.

Ook uit andere opiniepeilingen blijkt dat vraag en aanbod op de markt van orde en veiligheid uiteenlopen en dat vraagt om een breder debat over aard en aanpak van de onveiligheid.