Architecten zijn de laatste generalisten; Onorthodox overzicht van de hedendaagse bouwkunst

Roemer van Toorn en Ole Bouman: The Invisible in architecture. Uitg. Academy Editions/Ernst & Sohn, 515 blz. Prijs ƒ 195,-

Zelden hebben Nederlandse architectuurcritici een ambitieuzer boek geschreven dan Roemer van Toorn en Ole Bouman met hun The Invisible in Architecture. Niet alleen willen deze twee jonge auteurs met dit boek een stand van zaken geven van de huidige architectuur, ze willen ook laten zien hoe de wereld in elkaar steekt. Als architectuur een afspiegeling is van de maatschappij, zo moeten ze hebben gedacht, dan is in de spiegel van de bouwkunst de maatschappij te zien. “Dit boek is een poging om de wereld van vandaag te schetsen op basis van architectuur,” schrijven ze in de inleiding.

Onze tijd is er een van een bombardement van beelden, vinden Van Toorn en Bouman, maar deze beelden zíjn niet de waarheid. De waarheid moet worden gezocht in de onzichtbare dingen en de architectuur is bij uitstek het middel om die duidelijk te maken. Architectuur is, als het goeddeels onzichtbare 'integrale proces van opdracht, ontwerp en uitvoering', het laatste generalisme in de huidige versplinterde maatschappij. Een groot deel van de huidige architectuur is verworden tot design, stellen Van Toorn en Bouman vast, maar The Invisible In Architecture wil laten zien dat de architectuur de plaats ('locus' in de taal van de schrijvers) kan zijn waar 'de individuele creativiteit samenkomt met culturele, sociale en economische processen.'

Een boek dat niet alleen een doorsnede van de huidige architectuur toont maar ook de waarheid onthult, kan natuurlijk niet anders dan zeer dik zijn. The Invisible in Architecture telt 515 grootformatige bladzijden, voor een groot deel bedrukt met akelig kleine letters, en weegt 3,5 kilo. Van Toorn en Bouman hebben er jaren aan gewerkt, als vervolg op de gelijknamige lezingencyclus van bekende architecten en critici die in 1987 en 1988 werd gehouden aan de afdeling Bouwkunde van de Technische Universiteit in Delft.

Archaïsme

The Invisible in Architecture is een onorthodox boek. De indeling die Bouman en Van Toorn van de hedendaagse architectuur hebben gemaakt, wijkt af van de gebruikelijke: bekende begrippen als postmodernisme en deconstructivisme spelen er geen rol in. De auteurs hebben het boek verdeeld in acht delen, of vectoren zoals ze het zelf noemen, alsof ze met wis- of natuurkunde bezig zijn. De acht vectoren - durée, context, grens, topos, programma, ruimte, identiteit en representatie - vormen de 'kern van de reactie tegen de Moderne Architectuur die gedurende de laatste 25 jaar heeft plaatsgevonden'. Ze zijn telkens onderverdeeld in drie mogelijke architectuur-'strategieën': archaïsme, façadisme en fascinisme, vreselijke woorden voor wazige begrippen. Het archaïsme 'legt de nadruk op het duurzame ding', verzet zich tegen de voortdurende versnelling van het moderne leven en heeft een afkeer van design. Façadisme 'definieert de omgeving in stilistische termen', concentreert zich op het scheppen van betekenisrijke beelden en werkt in psychoanalytische termen op het niveau van het ego. Fascinisme, ten slotte, stelt ons bloot aan een bombardement van beelden, het is een architectuur voor de 'homo cyberneticus' en vertegenwoordigt de overheersing van het superego.

De acht vectoren en drie strategieën leveren een matrix op van 24 hokjes. De matrix heeft iets weg van het periodiek systeem der elementen, maar anders dan Mendelejev, die enkele vakjes in zijn periodiek systeem moest leeglaten, is elk vakje in Van Toorns en Boumans matrix van begin af aan gevuld met een architect. Zo levert een combinatie van de vector durée met de strategie archaïsme de Japanse architect Tadao Ando op, leiden identiteit en façadisme tot Ricardo Bofill en staat programma plus archaïsme gelijk aan Lafour en Wijk.

Het blijft niet bij de 24 vakjes. Want naast drie besprekingen van het werk van hokjesarchitecten bevat elk van de acht 'vectoren' ook nog een inleiding, één of meer interviews met een beroemde architect, een 'beeldverhaal' over een gebouw en één of meer essays van een socioloog, antropoloog of andere geleerde. En zelfs dan zijn we er nog niet. Want de essays worden in de kantlijn voorzien van commentaar van Van Toorn en Bouman dat in geleerdheid niet onderdoet voor het essay zelf en waarop de aangesproken auteur, ook weer in de kantlijn, kan reageren.

Explosie

Als het de bedoeling was om met deze opzet de bewering te illustreren dat de wereld tegenwoordig bestaat uit een bombardement van beelden, dan zijn Van Toorn en Bouman geslaagd. The Invisible in Architecture is een explosie van citaten, stilstaande beelden, vragen, interviews en artikelen. Veel van die artikelen komen hard aan en laten de lezer amechtig achter, doordat ze bestaan uit proza van louter mokerslagen, al dan niet vol parafrases en citaten van onder bepaalde architecten zo populaire filosofen als Heidegger, Derrida en Baudrillard. Soms is een artikel een losse flodder, zoals dat van de Trotskist Ernest Mandel, die in alle ernst mag beweren dat het marxisme, een negentiende-eeuwse pseudo-wetenschap, aan het einde van de twintigste eeuw nog niets van zijn actualiteit heeft verloren. Wie de artikelen van Bouman en Van Toorn leest, ontkomt trouwens niet aan de indruk dat het (neo-)marxistische gedachtengoed nog steeds in hun brein rondwaart. Zo bestempelen ze de parken van Beth Galí in Barcelona als pijnstillers, gedepolitiseerde, typisch sociaal-democratische ontwerpen die de aandacht afleiden van 'de sociale twist'. Het is alsof Lenin aan het woord is.

Maar, zoals gezegd, het was juist de bedoeling van Bouman en Van Toorn met dit boek de werkelijkheid achter het bombardement van beelden te tonen. En hierin zijn ze niet geslaagd: de waarheid blijft even onzichtbaar als ze al was. De matrix geeft The Invisible in Architecture een zweem van natuurwetenschappelijke precisie maar wie alle vierentwintig vakjes heeft doorgeworsteld komt niet verder dan de weinig exacte conclusie dat de huidige architectuur zeer divers is en de wereld reuze ingewikkeld. Wat het boek ontbeert, is een duidelijke visie die al het geschrevene bij elkaar houdt.

Er dringt zich een vergelijking op met Charles Jencks, een andere dikke-architectuurboekenschrijver. Ook Jencks is verzot op het maken van indelingen en zou iedere architect het liefst met een etiket op het voorhoofd door het leven laten gaan. Maar zijn pillen hebben een duidelijke rode draad in de vorm van een helder, welbespraakt pleidooi, vroeger voor het postmodernisme en tegenwoordig voor 'hetero-architectuur', een bouwkunst waarin tegenstellingen bij elkaar worden gebracht. Het enige waar Bouman en Van Toorn voor lijken te staan is een herwaardering van het vak van de architect die meer moet worden dan de façade-ontwerper van projectontwikkelaarsgebouwen. De architect, de laatste generalist, moet zijn taak verbreden. “Al met al is ons pleidooi als volgt,” schrijven Van Toorn en Bouman in hun nawoord. “Ten eerste moet de architect als doel hebben de beperkingen die hem betreffen ter discussie te stellen en aan te dringen op het recht om invloed uit te oefenen op het programma van eisen; ten tweede moet de architect mogelijkheden zoeken om een zo nauw mogelijk verband te bereiken tussen vorm en programma, rekening houdend met de situatie en de schaal van de opdracht, maar zonder eerbied voor de heersende institutionele beperkingen. Deze desiderata moeten worden beschouwd als stappen op weg naar een alternatief dat een werkelijke relatie heeft met de publieke sfeer.” Maar voor zo'n pleidooi is geen boek van 515 bladzijden nodig, zoals Ole Bouman zelf in een artikel van enkele bladzijden in het tijdschrift ARCHIS al eens heeft aangetoond.

Is er dan helemaal niets goeds aan The Invisible in Architecture? Natuurlijk wel. Van Toorn en Bouman hebben een bewonderenswaardig aantal kopstukken uit de westerse architectuur gesproken, onder wie Sir Norman Foster, Jean Nouwel, Rem Koolhaas, Oriol Bohigas en Quinlan Terry, en verschillende van deze interviews zijn verhelderend. Hetzelfde geldt voor sommige artikelen en geleerde essays: tussen het bombardement van teksten en afbeeldingen zitten enkele parels. The Invisible In Architecture kan dan ook het best worden gelezen op de manier waarop veel mensen reageren op het bombardement van beelden: al zappend, of bladerend in dit geval, tot men op iets aardigs stuit.