Alles wat ik schrijf wordt een schandaal; Harold Brodkey wil de lezer veranderen in zijn personages

De Amerikaanse schrijver Harold Brodkey had al een legendarische reputatie voordat in 1991 'The Runaway Soul' werd gepubliceerd. In deze ruim achthonderd pagina's tellende roman vertelde hij het levensverhaal van een weesjongen, joods, wonderkind en het alter ego van de schrijver. Dit jaar verscheen zijn tweede roman, Profane Friendship. Een gesprek met Brodkey in New York over literaire erkenning, aids en de werking van het geheugen. “Je kunt het verleden van een personage niet straffeloos construeren. Voor je het weet is het je eigen absolute waarheid.”

Harold Brodkey: Profane Friendship. Uitg. Jonathan Cape, 387 blz. Prijs ƒ 56,75 (geb.). De Nederlandse vertaling verschijnt in januari bij uitg. Arena - : The Runaway Soul. Uitg. Vintage. 835 blz. Prijs ƒ 29,30 - : Verhalen op vrijwel klassieke wijze. Vert. Ronald Cohen. Uitg. Amber. 681 blz, ƒ 59,50.

“Ruik je de brandlucht?” vraagt Harold Brodkey als ik met een krakkemikkige goederenlift bij zijn appartement op de twaalfde verdieping ben aangekomen. “De mafia heeft gisteren een van de huizen hieronder in brand gestoken. De lift werkt nog niet, maar goddank doet de airconditioning het weer. Welkom in de Upper West Side.”

Het is een onverwacht begin van een gesprek met de schrijver van The Runaway Soul en Profane Friendship, romans vol complexe stijlexperimenten en psychologische bespiegelingen. Je brengt zijn leven eerder in verband met het werk van Joyce en Proust dan met dat van Raymond Chandler en Mario Puzo. Maar Harold Brodkey heeft meer verrassingen in petto.

Ik had verwacht een elitair, bijna monomaan schrijver tegenover me te krijgen, een man in een ivoren toren die alleen maar zou willen spreken over hogere literatuur. Maar Brodkey blijkt ook een mening te hebben over de rol van de pers in de zaakO.J. Simpson, over de verwerpelijkheid van plastische chirurgie, en over de boeken van Janwillem van de Wetering en Cees Nooteboom, die volgens hem in de loop der jaren minder goed zijn geworden.

Ik had verwacht een arrogante man te spreken te krijgen, iemand die interviewers kleineert en als de Mohammed Ali van de Amerikaanse literatuur in de krant alleen maar roept dat hij de Grootste is. Maar de 63-jarige Newyorker is charmant en geestig, oprecht geïnteresseerd in de persoon die tegenover hem zit, en op een aandoenlijke manier cynisch over het gebrek aan erkenning waarmee hij moet leven sinds hij drie jaar geleden zijn overweldigende eerst roman The Runaway Soul publiceerde. “Natuurlijk doet het pijn dat ik geen succes heb,” zegt hij midden in het gesprek. “Ik heb aids, ik ga dood - ik wil dat de mensen zeggen dat ik geweldig ben, ik wil dat ze me cheques sturen.”

Ik had verwacht een doodzieke man aan te treffen, een aidspatiënt die al twee jaar onafgebroken vecht tegen longontstekingen, huidproblemen, moeheid en de bijverschijnselen van aidsremmende geneesmiddelen. Maar de Harold Brodkey die op kousevoeten door de sober ingerichte zitkamer loopt en enthousiast begint te eten van de cadeau gekregen Haagse hopjes, maakt een vieve indruk. Zijn ziekte is niet aan zijn verschijning af te lezen; hij is iets magerder dan op zijn publiciteitsfoto's, maar ziet er nog steeds goed uit - een strenge oudere man met een kortgeknipte grijze snor en baard. Pas wanneer het interview echt begint, blijkt hoe moe hij is: hij moet languit op de bank liggen en praat met een stem die zo min mogelijk adem verspilt. Ik moet denken aan de fax die hij stuurde toen ik hem had gevraagd om een afspraak op dinsdag omdat ik een dag eerder misschien nog een jetlag zou hebben. “Ik weet nog niet wanneer ik het interview kan doen,” luidde het antwoord. “I'm always jet-lagged lately.”

De naamsbekendheid van Brodkey, zo constateert hij zelf met een mengeling van sarcasme en tevredenheid, is met sprongen omhoog gegaan sinds hij anderhalf jaar geleden in The New Yorker bekend maakte dat hij aids had. Nuchter en minutieus schreef hij over zijn besmetting (het resultaat van 'adventures in homosexuality' in de jaren zeventig) en zijn naderende aftakeling, en analyseerde hij de reacties van zijn vrouw, zijn vrienden en kennissen. En sinds hij in februari van dit jaar met galgenhumor en ontroerende details opnieuw verslag deed van zijn ziekte (onder de titel 'Dying: An Update'), is hij in de Newyorkse literaire wereld ten minste zo bekend als zijn bijna-naamgenoot, de Nobelprijswinnaar Joseph Brodsky, met wie hij vroeger vaak verward werd.

Hoe indrukwekkend Brodkey's aidsartikelen ook zijn, het is jammer als hij alleen daarom bekend zou worden. Hij is in de eerste plaats de schrijver van The Runaway Soul, de 835 bladzijden dikke Bildungsroman die hij in 1991 publiceerde, 34 jaar na zijn eerste verhalenbundel. The Runaway Soul is het levensverhaal van Brodkey's alter ego Wiley Silenowicz - wees, jood en wonderkind, geboren in 1930 en getogen in de buitenwijken van St. Louis. Het is een filosofische roman over de moeizame reconstructie van de herinnering aan het verleden, en over de roeping van de schrijver om de 'runaway soul' zo goed mogelijk op papier te krijgen. Het is ook een modernistische autobiografische roman, associatief en vol vormexperimenten, af en toe te ingewikkeld, maar met droevige en humoristische passages en onvergetelijke personages.

Vóór de publikatie van The Runaway Soul had Harold Brodkey op basis van zijn korte verhalen in selecte kring een legendarische reputatie opgebouwd als 'best unpublished American novelist'. Ongewild, zegt Brodkey nu, want de reden dat zijn magnum opus zo lang op zich liet wachten, was dat hij geen geschikte uitgever kon vinden. Uiteindelijk werd het van 2000 tot 1300 vellen ingekorte - en twee keer van titel veranderde - manuscript uitgegeven door Farrar, Straus & Giroux. Dat vervolgens niet alle kritieken enthousiast waren ('Als Brodkey Sheherazade was, zou hij de eerste nacht niet eens overleven,' schreef USA Today) ligt volgens Brodkey aan het dilettantisme van de uitgeverij: “Ze stuurden leesproeven naar een handjevol recensenten, en publiceerden The Runaway Soul zes weken later. In die tijd kun je niet eens het eerste deel lezen! Ik kan het weten, I wrote the fucking thing, en ik kan het zelf niet eens in zes weken lezen.”

Brodkey toont nog meer begrip voor de critici: “The Runaway Soul is een onmogelijk boek om over te schrijven. Het is niet commercieel, het is niet afgeleid van Proust of Joyce, en het lijkt alleen op zichzelf. En je kunt het zeker niet in één ruk uitlezen. Toch is het niet ontoegankelijk, als je er maar de tijd voor neemt, en als je je eigen ervaringen maar gebruikt om je in Wiley in te leven. Kennelijk heeft niet iedereen dat gedaan. Op die manier word je natuurlijk nooit herkend als de grootste schrijver die ooit geleefd heeft.”

Verbijsterd

Ook de reacties op Brodkey's laatste roman, het dit jaar verschenen Profane Friendship, waren niet onverdeeld gunstig. Het verhaal van de homoseksuele verhouding tussen twee jongens in Venetië, een liefde die een leven lang doorwerkt, werd door sommige critici uitgeroepen tot een filosofische roman van wereldformaat, en door andere afgebroken als een pseudo-drama vol pseudo-proza. “Ik ben nog steeds verbijsterd door de manier waarop het in Amerika is ontvangen,” zegt Brodkey. “Op iedere zes critici was er een die zei dat het een meesterwerk was. Verder vond iedereen het verschrikkelijk. Zelfs homoseksuelen, van wie ik zo had verwacht dat ze het mooi zouden vinden. So much for my intelligence. Maar goed, ik zou er inmiddels aan gewend moeten zijn. Alles wat ik schrijf wordt een schandaal.”

Profane Friendship werd geschreven in opdracht van een instelling die zich inspant voor het behoud van de stad Venetië. “Het Consorzio Venezia Nuova vraagt elk jaar iemand om een kerstboekje te schrijven als relatiegeschenk. Waarom ze bij mij kwamen weet ik niet; misschien omdat ik een chique reputatie had, misschien omdat ze Brodsky al gehad hadden, en de stap naar Brodkey dan maar klein is. Eigenlijk wilden ze een gedicht, maar ik tekende een contract voor een novelle van 125 pagina's. Uiteindelijk werden het er vierhonderd.”

Brodkey onderstreept dat Profane Friendship veel eenvoudiger van opzet is dan The Runaway Soul. “In sommige opzichten is het een traditionele roman: twee personages, een afgebakende handeling, en een taal die relatief eenvoudig is. Het Engels waarin ik schreef moest goed in het Italiaans vertaald kunnen worden. Dat vergde een andere instelling, want vanaf het begin van mijn carrière heb ik een soort Engels ontwikkeld dat heel moeilijk te vertalen is - als tegenwicht tegen het versimpelde Engels van de meeste na-oorlogse schrijvers, die hun boeken bewust en onbewust hebben geschreven met het oog op vertaling en internationaal succes. Met Profane Friendship heb ik dat ook gedaan; op het moment dat ik in Venetië aankwam om daar mijn boek af te schrijven, voelde ik me bevrijd van de verplichting om met taal te experimenteren.

“Toch hebben heel weinig mensen Profane Friendship gelezen zoals ik het bedoeld had: als een komedie over de onmogelijke liefde van de verkeerde mensen in de verkeerde stad. De reden daarvoor kan ik wel bedenken. Iedereen wist dat ik aids had, dat dit mijn laatste boek zou zijn. En het boek van een stervende, dat neem je veel te serieus. Daar komt bij dat Profane Friendship niet grappig is op de manier van Woody Allen of John Irving. De humor zit hem in de pathetiek en de idiotie van de gebeurtenissen. Je lacht erom zoals je in lachen kunt uitbarsten bij een begrafenis, of bij de eerste keer dat je met iemand neukt.”

Ik vertel Brodkey dat ik bij het lezen van The Runaway Soul veel heb moeten lachen, maar dat dat bij Profane Friendship niet het geval was. “Dat komt omdat je nooit een homoseksuele ervaring hebt gehad,” repliceert hij. “Shame on you!'

Snoep

Praten met Harold Brodkey is als een milde vorm van psycho-analyse waarbij je nu eens de psychiater en dan weer de patiënt bent. Liggend op de sofa houdt de schrijver lange associatieve monologen, om plotseling met een intieme vraag of een onverwachte opmerking het gesprek weer op de toehoorder te brengen. Brodkey probeert je te ontleden en te determineren alsof je een personage in een van zijn boeken bent. Als zijn vrouw halverwege het gesprek binnenkomt, is dit de manier waarop hij me introduceert: “Ellen, dit is Pieter Steinz uit Holland. Hij is niet joods en niet homoseksueel, houdt van Vermeer en Soutine en heeft snoep voor me meegebracht.”

Zijn monologen doorspekt Brodkey met memorabele statements. “De roman is wellicht het meest complexe samenhangende geheel dat een cultuur kan produceren,” zegt hij wanneer de naam van zijn collega John Updike valt. “Maar hij is gecastreerd door de Anglo-Amerikaanse schrijvers.” En als ik hem vraag of hij zich aangesproken voelt door zijn bijnaam 'the Proust of the Upper West Side' antwoordt hij: “Het moet een enorm genoegen zijn om met Proust vergeleken te worden, maar aangezien ik de vergelijking nooit heb geaccepteerd, heb ik dat genoegen nooit gehad.”

Aan mijn lijstje met vragen kom ik nauwelijks toe. Twee of drie keer, wanneer Brodkey moe wordt, of vindt dat zijn antwoorden ook naar zijn eigen maatstaven te lang worden, krijg ik de kans om het gesprek een andere kant op te sturen. “Ik praat te veel. Stel me een vraag.” Profane Friendship gaat over homoseksuele liefde in Venetië. Werd u bij het schrijven niet gehinderd door de schaduw van Thomas Mann?

“Het is zinloos om Profane Friendship te vergelijken met Dood in Venetië. Mann en ik bevinden ons in een verschillend universum. Goed, mijn boek speelt zich af in Venetië, maar met een beurs van een ander consortium was het Berlijn geweest, of Amsterdam. En ja, het gaat over de verhouding tussen twee mannen, maar wel een die hemelsbreed verschilt van die in Dood in Venetië. Mann schrijft over een oude man die verliefd wordt op een jongetje, ik over twee kinderen die opgroeien en een seksuele relatie krijgen. Mann schrijft niet over het effect van liefde op de geest, hij is niet geïnteresseerd in de spanning die er kan bestaan tussen twee mannen die veel met elkaar omgaan. De liefde tussen Aschenbach en Tadzio in Dood in Venetië is abstract, ze is een allegorie op de verhouding tussen kunst en schoonheid.

“Uiteindelijk gaat Profane Friendship niet in de eerste plaats over liefde of over homo-erotische genegenheid, het gaat over het besef van die genegenheid. Ik wil laten zien hoe de hoofdpersoon zich langzaam rekenschap geeft van zijn homoseksuele gevoelens. De beste manier om dat te doen is zijn geest te analyseren en zijn gedachten op te schrijven in een ononderbroken stroom. Er zijn critici die dat stream of consciousness noemen, maar ik gebruik liever de aanduiding 'experience in continuous time'. Anders dan mijn literaire voorgangers wil ik niet zomaar het bewustzijn van mijn personages blootleggen, opdat de lezer zich beter met hen kan identificeren. Ik wil dat de lezer mijn personages wordt.” Dat is een onmogelijk verlangen.

“Helemaal niet. Het gesprek dat wij hier voeren bewijst dat het kan. We schelen 30 jaar, onze sociale en seksuele geschiedenissen zijn verschillend, we hebben een andere moedertaal - en toch kun je met mij praten. Veel natuurlijker dan met welke andere man van mijn leeftijd ook, inclusief je vader. Je kent mij. En dat allemaal omdat je The Runaway Soul gelezen hebt, een boek dat zo geschreven is dat mijn herinneringen bij het lezen in jouw autobiografische ervaringen veranderen. Sommige mensen hebben moeite met dat effect van mijn proza, ze hebben bij het lezen het gevoel dat hun geest of hun eigen wil ontkend wordt; anderen geven zich eraan over. Het lezen van een van mijn boeken is voor hen het spelen van een partituur. You fill yourself in.”

Menselijk onvermogen

Het duizelt me. Hoewel ik The Runaway Soul fascinerend vond, gaat Brodkey's interpretatie van het effect van zijn eigen proza mij iets te ver. Ik geloof niet dat ik het levensverhaal van Wiley Silenowicz gelezen heb als mijn eigen autobiografische ervaringen. Sterker nog: ik ben verbaasd om te horen dat Brodkey The Runaway Soul beschouwt als autobiografisch genoeg om hem te leren kennen. Betekent dat dat hij de herinneringen van Wiley als een betrouwbare weergave van zijn eigen verleden ziet? En is niet één van de grote thema's van Brodkey's werk juist het menselijk onvermogen om de vluchtige werkelijkheid (en dus ook de herinnering aan het verleden) in woorden te vangen?

Als ik die gedachten uitspreek, zegt Brodkey dat hij in The Runaway Soul weliswaar veel van zichzelf gestopt heeft, maar dat het niet onherroepelijk het laatste woord over zijn leven is. “Voor de herinneringen van Wiley in The Runaway Soul gebruikte ik mijn eigen leven als basis. Dat dat verwarrende gevolgen heeft, blijkt nu ik bezig ben met mijn memoires. Als ik probeer om te schrijven over mijn moeder of mijn adoptiefvader dan merk ik dat ik nauwelijks los kan komen van de personages die ik Wiley in The Runaway Soul laat oproepen. The false voice gets in the way. Je kunt het verleden van een personage niet straffeloos construeren. Voor je het weet is het je eigen absolute waarheid.”

Brodkey heeft drie uur gepraat en is zichtbaar vermoeid. Hij zegt dat hij nu moet gaan rusten, en informeert of ik nog iets wil weten. Ik vraag hem of hij denkt dat zijn literatuur een breed publiek kan bereiken.

“Ik hoef geen breed publiek, ik wil een intelligent publiek. Een goed boek moet onderdeel worden van een conspiracy of the educated and the bookish, een klein groepje van fanatieke lezers die altijd de behoefte zullen hebben om hun ervaring te verbreden en hun honger naar taal te stillen.”

Als de cassetterecorder al lang uitstaat, en ik aanstalten maak om weg te gaan en de metro te nemen naar het Metropolitan Museum, houdt Brodkey nog een liefdevol betoog over zijn grootste liefde, de schilderkunst. Hij vertelt over zijn bezoek aan het Mauritshuis, jaren geleden, en schampert over de smaak van Marcel Proust, die juist over de 'lousiest' Vermeer daar (Het gezicht op Delft) niet uitgeschreven raakte. Hij beweert dat je de grote Venetianen Titiaan en Tintoretto pas goed op hun waarde kunt schatten als je boven de vijftig bent. En hij spreekt zijn afschuw uit over het schoonmaken van de late schilderijen van Rembrandt. Vooral van de Poolse Ruiter in de Newyorkse Frick Collection hadden ze af moeten blijven.

De laatste woorden van Harold Brodkey bij de deur lijken uit de grond van zijn hart te komen.

“Zou je niet veel liever schilder zijn dan wat je nu bent? I know I would.”