Toekomst EMU sluipt in agenda Lindau

ROTTERDAM, 8 SEPT. Er bevinden zich meer dan alleen 1000 kilometer tussen het Duitse Lindau en het Britse Bath. Precies twee jaar geleden was de informele 'Ecofin', de bijeenkomst van de ministers van financiën en centrale bankpresidenten, in de Britse provincieplaats de opmaat voor het uiteenspatten van Europa's monetaire toekomstdroom. Boven Lindau, waar de groep van bewindslieden morgen informeel samenkomt, staan de sterren twee jaar later gunstig. Te gunstig, bijna. In twee jaar tijd lijkt de discussie over wie er mee moet doen met Europa's monetaire toekomst omgeslagen in een fel debat over wie straks mee mag doen.

In Bath was de stemming grimmig. Het afwijzende Deense referendum over de deelname aan de toekomstige Economische en Monetaire Unie, die een half jaar daarvoor in het Verdrag van Maastricht was vastgelegd, heeft een diepe wond veroorzaakt. Een soortgelijk Frans referendum was op til.

De Duitsers, afgeschrikt door de oplopende inflatie in verband met de financiering van de hereniging met het Oosten, weigerden de rentetarieven naar beneden bij te stellen, en stelden daarmee de loyaliteit van de mede-lidstaten zwaar op de proef. Met een wisselkoerssysteem waren de Europese munten in een bandbreedte van maximaal 2,25 procent aan elkaar gekoppeld. Wie zijn munt niet wilde devalueren ten opzichte van de mark, was verplicht het hoge-rentebeleid van Frankfurt volgen, bij een snel intredende recessie en oplopende werkloosheid.

De Britse minister van financiën Norman Lamont weigerde op zijn beurt het door de regering-Thatcher op een veel te hoge koers ingebrachte pond sterling te devalueren, en zo weer in lijn te brengen met de andere Europese munten. Daarmee veroorzaakte hij in Bath zo'n woede in het Duitse kamp dat de toenmalige Bundesbank-president Schlesinger alleen door zijn latere opvolger Tietmeyer er van kon worden weerhouden op te staan en de zaal te verlaten.

De gevolgen van Bath liggen morgen in Lindau de bewindslieden nog vers in het geheugen. Het pond devalueerde anderhalve week later alsnog, gedwongen door een opstandige valutamarkt, en sleepte de Italiaanse lire mee in zijn val. De ondergang en het daaropvolgende vertrek van beide munten uit het Europese wisselkoersstelsel bleek een gevaarlijk precedent. Een jaar later was zelfs de gezamenlijke kas van de Bundesbank en de Banque de France te klein om de Franse franc gekoppeld te houden aan de mark. Na een wekenlange speculatiegolf op de valutamarkten, verklaarden op een speciale zitting de ministers van financiën en bankpresidenten de bandbreedte van 2,25 procent waartussen de munten onderling mochten schommelen, tot nader order nietig. Daarvoor in de plaats kwam een vrijblijvende bandbreedte van 15 procent. Nu Europa zelfs al niet in staat was gebleken de munten onderling te kunnen koppelen, leek de gemeenschappelijke monetaire toekomst verder weg dan ooit.

Hoe anders staat het gesternte komend weekeinde boven Lindau. De Europese economie herstelt zich wonderbaarlijk snel, de werkloosheid zet een dalende trend in en de meeste munten gedragen zich op de valutamarkt zo eensgezind alsof de nauwe bandbreedte nooit heeft opgehouden te bestaan. Dat geeft de verzamelde bewindslieden voor het eerst sinds twee jaar weer de kans om vooruit te kijken.

Daarbij zullen zij zich met name buigen over de voortgang van de financiële huishouding van de lidstaten en over de economische groei van de EU. Daar beide door elkaar worden gedeeld, ontstaan de twee beruchte breuken die Europa sinds het Verdrag van Maastricht in hun ban houden. De eerste breuk is die van het begrotingstekort van de EU-lidstaten gedeeld door de omvang van de economie - het bruto binnenlands produkt (bbp). De tweede is die van de staatsschuld gedeeld door het bbp.

Volgens de maatstaf van het Verdrag van Maastricht zal bij de totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie in 1997 of uiterlijk 1999 de uitkomst van de begrotingsbreuk onder de 0,03 moeten uitkomen, drie procent dus. Die van de staatsschuld moet minder zijn dan 0,6 ofwel zestig procent. Na de economische recessie van eind 1992 en 1993 haalt niemand, Luxemburg uitgezonderd, de drie-procentsnorm. Wat betreft de staatsschuld kent de Unie een aantal notoire zondaars: Italië, België en Griekenland komen boven de honderd procent, in Spanje en Portugal heeft het begrotingstekort zulke vormen aangenomen dat de schuld in de komende jaren razendsnel stijgt. Volgens Maastricht wacht de lidstaten die niet aan de eisen voldoen een reprimande van de EU, bijvoorbeeld een beperkter toegang tot de financiële middelen uit Brussel.

In de meeste EU-lidstaten zijn inmiddels regeringsprogramma's van start gegaan, die het begrotingstekort - en daarmee op termijn ook de staatsschuld - moten beteugelen. Wat sinds Bath is veranderd, is dat de noemer van beide breuken, het bbp, er veel beter voorstaat dan verwacht. Wie deelt door een veel sneller groeiende omvang van de economie, heeft plotseling een veel beter uitzicht op het halen van de drie-procentsnorm van het begrotingstekort. De staatsschuld blijft een probleem.

De vooruitzichten voor de economische groei zijn zonder meer gunstig. Steeds meer tekenen wijzen er op dat de Europese economie dit jaar een onverwacht, bijna spectaculair herstel vertoont. Europees Commissaris van economische zaken, Henning Christophersen, schatte namens de Commissie de groei van de Europese economie voor 1994 op 2 procent. Eerder dit jaar werd een voorlopige schatting van 1,25 procent al opgetrokken naar 1,6 procent. Het heeft er alle schijn van dat zelfs deze raming wordt overtroffen. In Duitsland schatte minister van economische zaken, Günther Rexrodt, de groei voor dit jaar op tussen de 2 en 2,5 procent. Ook de vijf belangrijke economische instituten in Duitsland kwamen gisteren ook op deze raming uit. Frankrijk, de andere leidende Europese economie, komt volgens het nationale statistische bureau INSEE dit jaar uit op een groei van 2 procent. De economie van het Verenigd Koninkrijk, dat anderhalf jaar eerder al in de herstelfase kwam, vertoont volgens de jongste Oeso-ramingen dit jaar een groei van rond de drie procent. Voor volgend jaar zijn de Europese groeivooruitzichten nog beter.

Nog een jaar geleden was er grote scepsis of meer lidstaten dan alleen Luxemburg de Maastricht-normen voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie zouden halen. Voor de landen in de monetaire periferie van de EU was het idee van een 'harde kern' van lidstaten die samen verder wilden gaan nog een comfortabel verre gedachte.

Nu het gunstige economische tij en een beter dan verwachte begrotingsdiscipline de Maastricht-criteria voor de kernlanden sneller dichtbij brengt, is die stemming omgeslagen. Afgelopen dinsdag zei Alexandre Lamfalussy, de voorzitter van het Europese Monetaire Instituut, de voorloper van de Europese centrale bank, dat Europa in 1997 nog wel eens voor verrassingen zou kunnen komen staan wanneer meer lidstaten de Maastricht-norm halen of dicht benaderen.

De reacties op het parijprogramma van de Duitse regeringspartij CDU-CSU, dat vorige week de toekomstige leden van de harde kern met naam en toenaam noemde (Frankrijk, Duitsland en de Benelux), spreken boekdelen. Wie straks dreigt achter te blijven, ziet zichzelf nu als toekomstig 'B-land'. De discussie over het Europa van twee (of meer) snelheden is daarmee weer springlevend. De periferie waaronder Italië, Spanje en Portugal zijn afwijzend, de 'kern'-leden houden een slag om de arm. Pas in de loop naar de Intergouvernementele Conferentie in 1996 zal de discussie, bij de herijking van het Verdrag van Maastricht, een hoogtepunt bereiken. In Lindau wordt dit weekeinde onder leiding van EU-voorzitter Duitsland plenair de eerste stap gezet.