Sportieve waaghalzerij

Wie hele dagen achter een scherm of een loket zit heeft na werktijd behoefte aan iets heel anders. Een kick. Een prestatie. Dus doet de een aan canyoning - een bergwand afdalen langs rotsspleten en door watervallen-, springt de ander uit een vliegtuig, en kruipt een derde honderden meters onder de aardkorst. Gevaarlijke sporten, of niet?

Adressen 485 Speleo Nederland, Nederlandse Vereniging voor Grot- en Karstonderzoek, Postbus 19177, 2500 CA Den Haag. Inl 079-512437.

NBV Nederlandse Bergsport Vereniging. Van Aerssenstraat 178, 2582 JT Den Haag. Inl 070-3500991

KNAV Koninklijke Nederlandse Alpen-vereniging, Postbus 19118, 3501 DC Utrecht heeft een afdeling sportklimmen. Inl 030-334080.

NKB Nederlandse Kano Bond, Postbus 1160, 3800 AD Amersfoort. Inl 033-622341.

NOB Nederlandse Onderwatersport Bond, Nassaustraat 12, 3583 XG Utrecht. Inl 030-517014.

Paracentrum Texel. Inl 02220-11464; fax 02220-11414.

Bungy-jumping. Inl 070-3106242/3453662.

PBN Sport & Adventure. Sport & Adventure PBN: organiseert evenementen en sportdagen voor bedrijven, personeelsverenigingen e.d. waaronder klimmen, canyoning, kanoën, rafting. Inl 020-6263600.

Reeds in een grijs verleden probeerde Daedalus samen met zijn zoon Icarus met zelf vervaardigde vleugels het door hem zelf gebouwde labyrint van Kreta te ontvluchten. De hemelse vluchtpoging werd zijn zoon, die de veiligheidsadviezen van zijn vader in de wind sloeg, noodlottig: hij stortte in zee.

Zo stellen wij ons leven ook nu nog in de waagschaal. Proberen we te vluchten uit het steeds ingewikkelder wordende maatschappelijke labyrint? Willen we ontkomen aan onze eigen verveling? Drijft een onbewust verlangen ons naar de catastrofale val? Of gaat het ons er slechts om ons van anderen te onderscheiden?

De drang tot distinctie wordt groter naarmate de samenleving gelijkvormiger wordt. Maar bijna iedereen heeft die behoefte en dat leidt tot een paradox: onze pogingen om te ontkomen aan de uniformerende dwang in de samenleving hebben klaarblijkelijk een uniformerend effect. Als iedereen wil opvallen, valt niemand meer op.

“Tenzij we nog gekkere dingen doen, zoals allerlei vormen van waaghalzerij”, zegt psycholoog Peter Blitz. “De hele dag achter een loket of een beeldscherm zitten, daar kun je je identiteit niet meer aan ontlenen. Dus wat doe je in je vrije tijd: je stapt op een motorfiets, je doet aan bungy jumping of je gaat parachute-springen.”

Volgens Blitz zoeken mensen steeds vaker willens en wetens hun toevlucht tot gevaarlijke vrijetijdsbestedingen, waarin men durf en lef kan tonen. “Zo ontkom je aan het klootjesvolk. Iets doen wat angst inboezemt en die overwinnen, zoals op het moment dat je uit de deur van een vliegtuig moet springen, daar gaat het om. Je bent je wel bewust van de gevaren, maar die neem je op de koop toe, want je rekent er op dat de parachute opengaat. Eenmaal op de grond geeft dat een prettig gevoel, zelfrespect en herwonnen eigenwaarde. Dat heb je toch maar even gedaan. Maar de geleverde prestatie krijgt pas betekenis door de bewondering die je bij anderen oogst. Op een onbewoond eiland zal niemand het in z'n hoofd halen zoiets gevaarlijks te doen.”

'Het prettige gevoel' dat door activiteiten als bungy jumping of parachute-springen wordt opgeroepen, kan volgens Viktor Blum, arts bij het Sport Medisch Adviescentrum in Amsterdam, ook fysiologisch worden verklaard: “Zware fysieke of mentale inspanningen brengt een stress-reactie in je lichaam teweeg. Die toestand zorgt voor een verhoogde waakzaamheid en concentratie en stelt je in staat je te weer te stellen tegen en aan te passen aan extreme omstandigheden. We noemen dat coping-gedrag.”

Dat bevredigende gevoel na afloop, die kick-sensatie brengt mensen ertoe de (in)spanning opnieuw te zoeken of daarin verder te gaan en de grenzen te verleggen. “Dit heeft waarschijnlijk te maken met endorfinen, stoffen die je lichaam zelf onder deze omstandigheden aanmaakt”, aldus Blum. “De werking is vergelijkbaar met die van morfine: de stoffen hebben een pijnstillende werking en kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot verslaving. Je ziet bijvoorbeeld dat alpinisten ondanks zware bevriezingsverschijnselen aan ledematen toch doorgaan. Zelfs wanneer eenmaal sprake is van onherstelbaar lichamelijk letsel, is men geneigd later opnieuw soortgelijke risico's te nemen.”

HEIKO JESSAYAN

Grotten

De wereld van de 'grotters' of speleologen onttrekt zich vrijwel geheel aan de waarneming van buitenstaanders. Speleologisch Nederland bestaat uit ongeveer 500 mensen die hun favoriete sport liefst zo veel mogelijk uit de publiciteit houden: het ongerepte van een grot is juist wat de grotter de diepte in lokt. “In Turkije ben ik een keer een gang ingekropen waarvan ik zeker wist dat er nog niemand was geweest. Onbekend terrein ontdekken, dat geeft een apart gevoel”, zegt Marc Brosschot, bestuurslid van 'Speléo Nederland'.

Bij speleologie gaat het erom een grot af te dalen tot het laagste punt. De tocht voert langs nauwe, vaak gladde, natte en bochtige meandersystemen, kruipgangen, grote zalen en 'putten': gaten met loodrechte wanden die langs een touw worden afgedaald en op de terugweg met aluminium laddertjes weer worden beklommen. De diepste grot ter wereld bevindt zich in Frankrijk: de bodem van de Reseau Jean Bernard in Haute-Savoie ligt 1500 meter onder de grond en vergt een tocht van drie dagen. Nederlanders grotten het meest in de de Ardennen, waar je tot 150 meter diep kunt komen.

Niet ver van Dinant vormt een klein gat in een weiland de toegang tot de 'Trou Wéron', een grot van ruim 100 meter diep. Piet de Hondt wilde er ontdekken of het grotten iets voor hem zou zijn. “Na drie meter zat ik al vast met mijn borstkas en het deed behoorlijk pijn om me weer los te wrikken. Niet veel later kwam ik in een van de bochten van het meandersysteem echt hopeloos klem te zitten; het duurde zeker een half uur voor ik loskwam. Ik kon nauwelijks meer ademen, en dacht echt dat de dood nabij was - dertig meter onder de grond en muurvast in een meandersysteem. Toen ik eenmal losgewurmd was ontdekte ik dat mijn broek vol ontlasting zat. Door de spanning of door de druk op mijn borstkas?”

Volgens Brosschot is grotten niet echt gevaarlijk - dodelijke ongelukken heeft hij niet meegemaakt - als je materiaal maar in orde is. Er wordt gewerkt met stijgklemmen, touwen, ladders en lampen. “Als je lamp het begeeft, zit je natuurlijk in de problemen.” Maar ook onderkoeling kan fataal worden, zeker in combinatie met uitputting. “De sport sloopt krachten, alleen al omdat je uitrusting zwaar wordt door vocht en modder. Een vriend werd onlangs met zware onderkoelingsverschijnselen uit een grot in Frankrijk gesleept. Hij was op het randje.” En het gevaar kan ook uit onverwachte hoek toeslaan. Sommige grotten zijn 'crue-gevoelig': ze stromen onder water als het buiten regent. In 1992 zat een Nederlandse expeditie 14 uur vast op een richel in een grot op Irian-Jaya omdat de boel was ondergelopen. Brosschot: “En in Turkije moesten we op een gegeven moment over een berg vleermuizen-poep klimmen. Opeens begon de lucht de trillen en te gonzen. Het leek wel of de hele grot instortte. Het was een immense zwerm vleermuizen die zich in beweging zette.” Het kan nog doller: in Mexico zijn ooit grotters verongelukt omdat ze dodelijke dampen inademden die worden veroorzaakt door een zeldzame schimmel die groeit op vleermuizen-poep.

Voor De Hondt is het bij die ene keer gebleven: “Ik ga geen enkele grot meer in, zelfs niet in een ruimtepak of haaienkooi.”

Sportklimmen

Met je vingertoppen zoek je naar piepkleine spleetjes, terwijl je met je benen een spreidstand van anderhalve meter moet maken om je te kunnen afzetten op een richeltje van nauwelijks twee milimeter breed. Dan volgt een 'foothook': met je benen pak je een steunpunt boven je hoofd, waardoor je bijna onderste boven komt te hangen. Voor geoefende sportklimmers lijkt geen rotswandje meer onbeklimbaar. Met alpinisme heeft dit weinig te maken, want de sportklimmer kan overal terecht waar rotsen zijn en klimt in Nederland ook op brandweertorens of op speciaal ontwikkelde artificiële klimmuren.

“Sportklimmen op hoog niveau is absolute topsport en vraagt om continue training en een aangepaste manier van leven”, Robert Steenmeyer, een van de twee gediplomeerde berggidsen van ons land.

Het gaat daarbij om slechts één ding: het overwinnen van zo moeilijk gelijke rotsen in een zo soepel mogelijke stijl. Niet het bereiken van een top is het doel, maar het overwinnen van technische problemen als spekgladde wandjes, net iets te smalle spleten of 'overhangen': rotsen steiler dan negentig graden.

Het sportklimmen heeft zich in ijltempo ontwikkeld. Volgens Steenmeyer hebben vooral de klimmuren daar een grote impuls aan gegeven. “Voor veel mensen is een uurtje klimmen op de muur net zoiets als een uurtje squashen.” Tien jaar geleden waren er in ons land nog nauwelijks echte sportklimmers: het klimmen op de rotsen in de Ardennen of de Eifel gold toen vooral als oefening voor het maken van tochten in de Alpen. Nu zijn er ongeveer 4000 actieve beoefenaars en worden er regelmatig wedstrijden en kampioenschappen georganiseerd. De winnaar is degene die de moeilijkste wand - de waardering is in graden van een tot twaalf - zo snel mogelijk weet te beklimmen.

Gevaren zijn er bij het moderne sportklimmen nauwelijks meer. De klimmaterialen hebben de staat van perfectie bereikt en bij een val vangt het touw de klimmer probleemloos op. Tenzij je natuurlijk zoals een aantal Amerikaanse en Franse klimmers liever geen touw gebruikt. Steenmeyer: “Tot tien jaar geleden vielen er alleen in België per jaar al vier, vijf man dood. Tegenwoordig zitten er echter in alle rotsen ingemetselde haken waaraan je het touw kunt fixeren. Daardoor is het nu een hele kunst om nog neer te storten.”

De kick van het sportklimmen ligt volgens Steenmeyer vooral in de strijd met de zwaartekracht die je slechts kunt winnen door een perfect evenwichtsgevoel en dito lichaamsbeheersing. Bij de moeilijkste routes is elke lichaamsbeweging cruciaal en kan een pink die een centimeter te veel naar links wordt geplaatst ogenblikkelijk een val tot gevolg hebben. Het 'sportklimcultuurtje' waarin machismo een grote rol speelt - dikke spierbundels, felgekleurde maillot's, haarbanden en grootspraak - ergert Steenmeyer echter wel eens: “Dat alles heeft met het klassieke alpinisme - de natuur, de rust, het bergleven - helemaal niets te maken.”

Alleen in nachtmerries

“In 1982 stortte ik bij een beklimming van de Ortler, een bijna 4000 meter hoge berg in Noord-Italië, 40 meter naar beneden, een volledige touwlengte. Ik was net 19 jaar en in mijn 'Sturm und Drang-periode': de fase in je bergsportcarrière waarin gevaar geen enkele rol speelt, waarin je alles doet en durft. De oorzaak van de val was niet zozeer een fout alswel een enorm rotsblok dat uit de wand naar beneden kwam suizen, recht op mij af. In een reflex sprong ik uit de baan van het projectiel, maar waar ik sprong was slechts een 800 meter diepe afgrond. Door het touw, eveneens in een reflex, om een rotskopje te gooien wist mijn touwgenoot mijn val op te vangen.

Ik zie de rotswand nog langssuizen - een te snel afgedraaide film, inderdaad - en herinner me nog dat ik, eenmaal tot stilstand gekomen, ledemaat voor ledemaat controleerde om te kijken wat de schade was. Het is verbijsterend hoe rationeel je op dat soort momenten kunt zijn. Ook weet ik nog dat mijn vriend boven van alles riep, maar dat ik geen lucht had om iets terug te roepen. Dat was misschien wel het meest traumatische: hij dacht waarschijnlijk dat ik dood was en ik wilde schreeuwen dat het allemaal wel mee viel, maar was niet bij machte enig geluid te produceren. Normaal gesproken komen dit soort situaties alleen voor in nachtmerries.

Dat ik ongedeerd bleef is een wonder. Minder verwonderlijk is het, dat ik na het ongeluk vier jaar niet meer heb geklommen. Nu ben ik al weer acht jaar bezig, maar mijn beleving is anders: niet langer staat de moeilijkheid van de route en de prestatie centraal, maar mijn eigen genot, de zon, de natuur en de bewegingen van mijn eigen lichaam. Mensen die niet begrijpen dat ik weer ben gaan klimmen, antwoord ik met de vergelijking dat niemand die een auto-ongeluk heeft gehad zijn rijbewijs in de prullenbak gooit. Niemand klimt omwille van het gevaar. Je klimt hooguit om het genot van de sensatie geen gevaar te voelen terwijl je weet dat je het wel zou kúnnen voelen. Normaal gesproken gebeurt er niets engs, dat weet je. Natuurlijk, er kan altijd een rotsblok naar beneden komen zeilen of een lawine. Maar er kan ook altijd een spookrijder opdoemen of een dronken wegpiraat.''

MICHA KAT

Parachutespringen

Hoewel een kleurrijk en spectaculair anekdotenbestand anders doet hopen, leidt het niet openen van een parachute onvermijdelijk tot oogcontact met Magere Hein. Directeur Bob Rienks en onderdirecteur Simon Woerlee van het Paracentrum Texel doen geen moeite die realiteit te verdoezelen. Daags na het gesprek met beide lieden blijkt pijnlijk hun gelijk: een 22-jarig meisje springt met haar tweede sprong naar het hiernamaals.

Rienks en Wierlo benadrukken wel met klem de zeldzaamheid van dodelijke sprongen. Fatale vallen zijn vrijwel altijd aan menselijke fouten toe te schrijven. Er wordt altijd met twee parachutes gesprongen - volgens wettelijke verplichting -, en dat geen van beiden werkt is volgens het paracentrum een absurditeit. Wel moet men op Texel regelmatig kleinere wonden likken: van enkelverstuikingen tot gebroken armen of benen.

Een veelvoorkomend probleem is de landing waarbij de benen naast elkaar gehouden moeten worden, maar nogal wat springers spreiden op het laatste moment instinctief de benen waardoor ze de landing minder goed kunnen opvangen. Ook moet een parachutespringer in zijn euforie nimmer de wind uit het oog verliezen, de blessurekans wordt aanzienlijk vergroot bij het landen met de wind mee en alleen een gek springt met windkracht zes of meer.

'Totale stilte', 'grensverleggend' en een 'onnavolgbaar gevoel van vrijheid' zijn de klinkende clichés waarmee de sport getypeerd wordt. Voor de freaks vormt een vrije val de ultieme verlossing van een dagje kantoorwerk. Slechts voor de buitenstaander is de sport gevaarlijk, fervente springers vinden een fietstocht door Amsterdam vele malen riskanter dan een goed voorbereide sprong. “Het komt nooit in je op dat een sprong je laatste kan zijn.”

Voor angstlozen die een reguliere sprong niet prikkelend genoeg vinden wacht de vrije val. In vakjargon de AFF, ofwel: Accelerated Free Fall. Samen met twee instructeurs maakt de cursist een vrije val van 60 seconden. Voor hen die zonder cursus een sprong willen maken biedt het centrum de mogelijkheid van een tandemsprong. Samengeklonken aan de instructeur en met slechts tien minuten instructie maakt men deze sprong voor nog geen driehonderd gulden.

Onder gunstige weersomstandigheden leer je in een cursusweek meteen ook vrije valoefeningen als: salto's, draaien en je horizontaal door de lucht begeven, het zogenaamde 'tracking'. Deze laatste oefening is van belang bij formatiespringen. Tijdens de vrije val ligt de snelheid rond de 200 km per uur, die snelheid kan oplopen tot 300 km per uur door een verticale houding aan te nemen. Ook de plaats van de landing heeft invloed op de snelheid van de val. Boven een aardappelveld of het strand, die beide veel warmte afstralen (de hete lucht stijgt op), krijgt de parachute meer 'lift' - tegendruk. Boven zeewater van rond de 19 graden gaat de sprong veel sneller. De duur tussen de sprong uit het vliegtuig en de landing ligt bij een hoogte van 4000 meter gemiddeld op zo'n drie minuten. Een vrije val duurt ongeveer een minuut, maar na zestig gelukzalige seconden moet men het openen van de parachute niet veel langer uitstellen.

Wildwatervaren

In de ogen van de buitenwacht is het naar beneden razen in een dertig centimeter hoge en negen kilo zware kano op een razende rivier vol rotsen weinig meer dan flirten met de dood. De geoefende wildwatervaarder denkt daar anders over: hij lijdt aan een niet te vermurwen onsterfelijkheidsbeleving. Althans zolang de peddel niet breekt. Gebeurt dat wel, dan is de kanoër overgeleverd aan de elementen. Alleen als je sneller bent dan het water kun je manoeuvreren, zonder peddel moet je nog maar zien dat je heelhuids de kant bereikt.

De wildwatervaarder moet het water kunnen lezen en over een feilloze behendigheid beschikken. 'Walsen' liggen op de loer: horizontale draaikolken die zich op de volle breedte van de rivier voordoen. Blijf je daarin hangen dan word je teruggezogen en bestaat het risico dat je er niet levend uitkomt. De draaikolken zijn de belangrijkste oorzaak van de verdrinkingsgevallen die zich jaarlijks bij het toeristische wildwatervaren voordoen, naast gletcherrivieren met temperaturen tussen de drie en vijf graden. In Europa verdrinken er zo zes tot tien kanoërs per jaar. Te pletter slaan op de rotsen komt veel minder vaak voor.

In Nederland is de wildwatersport eind jaren zestig op bescheiden schaal begonnen in de regio Eindhoven bij de stuwtjes in de Dommel. In 1970 werd de alpinesport kanoslalom voor het eerst uitgeroepen tot keuzesport voor de Olympische Spelen van München. Vijfentwintig jaar later zitten, mede door het werk van Jaap Engers, coach van Nederlands nationale selectie, 's winters zes mensen in een trainingskamp in Costa Rica, in het voorjaar in Colorado en komende september in de bergen van Japan bij de World Cup finale. Tijdens de Olympische Spelen van 1996 zullen er tussen veertig nationaliteiten waarschijnlijk twee Nederlanders deelnemen.

Ook het toeristische wildwatervaren heeft sinds de jaren tachtig een enorme vlucht genomen. Van een liefhebberij voor een handjevol mensen is het wildwatervaren uitgegroeid tot een sport waaraan zich in Nederland ruim honderdduizend mensen hebben aangesloten die in zo'n vijftig organisaties aktief zijn. Andere disciplines zijn branding varen, zeekajak varen en zelfs kanopolo.

Wildwatervaren, en de kanosport in het algemeen, is een milieu-vriendelijke en niet te prijzige mogelijkheid een 'gevaarlijke' sport te doen, met uitstekend materiaal en met als voordeel dat je de sport het hele jaar door kunt beoefenen.

YVO VAN REGTEREN ALTENA