Ondernemers willen drugs legaliseren, maar er niet over praten

Het Masterplan is gereed. Acht maanden nadat een select gezelschap wetenschappers, politiemensen en ondernemers zich in het geheim in het Utrechtse stadskasteel Oudaen boog over de legalisering van drugsgebruik en drugshandel, ligt er een concreet plan met maatregelen over de manier waarop Nederland op efficiënte en legale wijze de war on drugs kan beëindigen.

Toch zal de buitenwereld nog tot het einde van dit jaar moeten wachten voordat de zogeheten Oudaen-groep met de plannen in de openbaarheid zal treden, zo hebben de initiatiefnemers deze week besloten. Het actieplan wordt nu eerst rondgestuurd aan een groep “invloedrijke ondernemers”, aldus mede-opsteller R. Dufour, zodat hun suggesties in het eindvoorstel kunnen worden verwerkt. Want volgens de Oudaen-groep zal alleen met royale steun van het bedrijfsleven het initiatief een kans maken om de strafbaarstelling van drugshandel op te heffen.

Maandenlang heeft de Oudaen-groep niet van zich laten horen. “Het was reculer pour mieux sauter”, zegt projectontwikkelaar uit Heemstede R. Dufour over de radiostilte die de voorstanders van een nieuw drugsbeleid in acht hebben genomen. Dufour nam vorig jaar het initiatief om een aantal mensen ongevraagd een discussiestuk op te sturen over een andere aanpak van het huidige drugsbeleid. “Ik was verontrust over de grote maatschappelijke domheid waarmee het probleem te lijf werd gegaan”, zegt hij. En als hij over 'het probleem' praat, doelt hij op het drugsverbod en niet op het drugsgebruik. Dat laatste is hoogstens een probleem doordat de samenleving de gebruiker criminaliseert.

In januari kwam de uit ongeveer 25 personen bestaande Oudaen-groep voor het eerst bijeen om te praten over een ander drugsbeleid. Het was in het algemeen een gezelschap van gelijkgestemden. Van de wetenschappers was dat niet verwonderlijk: een strafrechtsgeleerde zou zich in Nederland pas echt buiten de academische orde plaatsen indien hij zou pleiten voor een verharding van de aanpak van drugshandel. Ook de aanwezige politiechefs Nordholt, Wiarda en IJzerman hadden al eerder laten weten de huidige strafrechtelijke aanpak van drugshandel zinloos te achten.

Het nieuwe aan het debat was vooral de deelname van ondernemers die er tot dan toe nooit blijk van hadden gegeven veel op te hebben met het progressieve gedachtengoed over de wenselijkheid van volledige vrijheid van drugsgebruik. Volgens Dufour kostte het geen enkele moeite vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven bereid te vinden mee te praten over een nieuw beleid voor het gebruik van verdovende middelen.

“Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat het water tot aan de lippen stijgt, nu bekend is dat vijftig procent van het hele strafrechtelijke apparaat bezig is met drugsbestrijding. Voor het bedrijfsleven dreigt het probleem van corruptie. Alles in de maatschappij begint in zijn voegen te kraken. Normale zakelijke dienstverlening zonder steekpenningen en corruptie is straks niet meer mogelijk. Er wordt zoveel met zwart geld geconcurreerd dat fatsoenlijke bedrijven nu kapot gaan.”

Een van de andere initiatiefnemers van het drugsdebat zegt dat het cruciaal is dat het bedrijfsleven wordt wakker geschud. “De apartheid ging ook pas wankelen toen het bedrijfsleven tot de overtuiging kwam dat het zakelijk gezien een slecht beleid was.”

Over de inbreng van de ondernemers in de discussie tot nog toe bestaat onduidelijkheid. In januari werden alleen voordrachten gehouden door voorstanders van legalisering. Er waren toespraken van de topambtenaar van Economische Zaken, Geelhoed, van 's lands meest progressieve magistraat, advocaat-generaal Leyten, van hulpverlener Fromberg en de politiechefs Wiarda en Nordholt.

“Ik kan me niet herinneren dat ik een bekende ondernemer vervolgens het woord heb horen voeren. Laat staan dat die iets belangwekkends zei”, zegt een van de deelnemers. Een van de initiatiefnemers van de Oudaen-groep probeert tevergeefs een ondernemer/deelnemer bereid te vinden naar buiten te treden. “Het ligt te gevoelig”, zegt hij.

Navraag leert dat in ieder geval twee vaderlandse business-tycoons in januari hebben meegediscussieerd: Wintzen van softwarebedrijf BSO en Goldschmeding van Randstad. Wintzen is wegens verblijf in het buitenland niet te bereiken en Goldschmeding wil niet aan de telefoon komen. “Hij wil er niet over naar buiten treden”, laat hij via zijn secretaresse weten. Goldschmeding wil ook niet vertellen waarom hij niets wil vertellen.

Wintzen heeft zijn opvattingen over het drugsbeleid beknopt beschreven in een column in de Schierkrant. In dit blad van de discussieclub die op Schiermonnikoog voor het eerst bijeenkwam, schreef hij in juni dat er sprake is van “een dramatische afname van het gezond verstand”. Anders valt het in zijn ogen niet te verklaren dat “wij ministers en miljarden guldens opofferen aan bestrijding van de drugscriminaliteit die wij zelf hebben uitgelokt. Immers, de door de criminele stigmatisering uitgelokte prijsvorming heeft een kettingreactie tot gevolg die het nieuwe slachtoffer dwingt om óf te stelen óf te dealen”.

Andere ondernemers willen zich niet publiekelijk uitlaten over het drugsbeleid. Volgens een van de deelnemers vreest het bedrijfsleven aantasting van het imago als men zich te nadrukkelijk opwerpt als voorvechter van een maatschappelijk omstreden drugsbeleid.

Wanneer men zich in het debat mengt, zal dat stevig onderbouwd gebeuren. In het masterplan zal bijvoorbeeld staan hoe het staatsbureau voor de in- en verkoop van drugs moet worden ingericht. Andere punten die aandacht zullen krijgen is de vraag of Nederland internationaalrechtelijk wel mogelijkheden heeft een ander drugsbeleid te voeren en of de verslaving zal toenemen als drugs legaal te verkrijgen zijn.

Dufour verzekert dat uiteindelijk “tot de verbeelding sprekende” ondernemers de plannen zullen dragen. Doel is dan onder meer “de criminaliteit tot aanvaardbare proporties, zoals eind jaren zeventig, terug te dringen”.