Lekke zwanen en egels uit de grasmaaier

Het vogelasiel aan het Rotterdamse Afrikaanderplein telt vele innovaties. De opvallendste daarvan is een bij de ingang geplaatste noodopvang voor de nacht. De voorziening bestaat uit een rij houten bakken, waarvan de grootste volgens de opschriften zijn bestemd voor zwanen, reigers, enzovoort. De kleinere dienen als tijdelijk onderkomen voor zang- en bosvogels, maar ook voor vleermuizen, eekhoorns en niet al te dikke konijnen. Het woord 'bezet' op de deksel geeft aan dat een bak in gebruik is.

's Ochtends gaan de nieuwe gasten, net als de dieren die overdag arriveren, ter observatie naar een belendend pand. Daar houdt zich een gevarieerd gezelschap op. De voorste kooi, bekleed met het laatste nummer van De Havenloods, is toebedeeld aan een kauw met een miezerig verenpak. Daarnaast zit een aalscholver naast een onberoerd bakje vis, dan volgt een aangereden zilvermeeuw, even verder een bonte specht die bijkomt van een kattebeet. Halverwege de ruimte bevindt zich een bassin met allerhande eenden, volgens coördinator Koos van Donk slachtoffers van botulisme. “Hier zwemmen ze in helder water, zodat gaandeweg hun maag-darmkanaal wordt doorgespoeld”, zegt hij. “Maar daarmee ben je er niet. We moeten ook de bloedzuigers weghalen die zich tijdens hun verlamming om en in de snavel, neusgaten en oogleden hebben genesteld. Een smerig werk, maar wel effectief.”

Tijdens de rondleiding staan we even stil bij twee jonge egels, weeskinderen die zonder hulp geen kans hadden gemaakt. “We krijgen hier gemiddeld 150 egels per jaar”, aldus Van Donk. “Sommige zijn door een hond gebeten of in een grasmaaier terecht gekomen, anderen zijn ziek van het ratten- en slakkengif dat de mensen in de tuin strooien. Hun toestand is vaak erbarmelijk: soms zitten ze onder de maden of zijn er hele gaten in het lichaam gevallen.” Ernstig eraan toe is ook een jeugdige knobbelzwaan die ontredderd in een hoek van de ruimte staat. “Dat dier is lek”, zo luidt de diagnose. “Aan zijn jas kan je zien dat hij niet meer waterdicht is, misschien heeft hij in een smerige vijver gezeten. Om aan te sterken moet hij nu dubbel zoveel eten als normaal.”

Na bezichtiging van een zieke gierzwaluw, de laatste van een groep van 55 die van de zomer werd bevangen door de hitte, komen we in het domein van de roofvogels. In de eerste van een reeks grote hokken huist een eenjarige havik met gehavende staart en vleugelpennen: de erfenis van de ondeugdelijke kooi waarin een onbekende vogelliefhebber hem tot voor kort hield. De twee buurhokken bieden onderdak aan een buizerd en een bruine kiekendief. “Dit soort vogels komt soms terecht in pootklemmen die jagers plaatsen om hun gebied tegen hen te beschermen”, weet Van Donk. “Ook worden ze het slachtoffer van moedwillige vergiftigingen. Er zijn mensen die eendagskuikens met gif neerleggen in de hoop 600 gulden te kunnen vangen voor een opgezette roofvogel. Deze twee hebben geluk gehad, het herstel ging zo goed dat we ze over een paar dagen kunnen vrijlaten.”

Het vogelasiel komt voort uit de activiteiten van Karel Schot, een onderwijzer van de toenmalige Blazoenschool in Rotterdam-zuid. Koos van Donk, een van zijn leerlingen, herinnert zich dat het in de vroege jaren vijftig begon met een zieke duif. Nadat het dier tussen de schoolbanken weer op krachten was gekomen, namen andere zwakke of gewonde vogels zijn plaats in. Mussen, spreeuwen, sperwers en zelfs ganzen werden bij de school afgeleverd of opgehaald door leerlingen, die daartoe per tram de stad doorkruisten. De klas van meester Schot kreeg zo snel een ander aanzien. Tegen de wanden stonden rijen kooien, elders kwam een landingsbaan voor meeuwen die tijdens de les vrij rondvlogen. Foto's tonen dat zij ook graag gebruik maakten van de hoofden van leerlingen die daar, anders dan in Hitchcocks film The Birds, geen bezwaar tegen hadden. Vogelpoep was evenmin een probleem: wie werd besmeurd, stak zijn hoofd onder de kraan of waste even zijn hemd uit.

Nadat de initiatiefnemer in 1980 was overleden, verhuisde het inmiddels sterk uitgebreide opvangcentrum naar zijn huidige adres. Onder de noemer Vogelklas Karel Schot zetten Van Donk en drie andere ex-leerlingen daar met hulp van 55 vrijwilligers het werk voort.

Trots zijn zij op hun vindingen, waaronder een 'ozonbestendige' afrastering van kunststof en een inmiddels befaamde droogcabine voor slachtoffers van olievervuiling. Voor de vogels de cabine in gaan, worden zij besprenkeld met kalk en (na toediening van een anti-stress pil) zorgvuldig gewassen. Gezien zijn ervaring op dit terrein ging Van Donk op verzoek naar Saoedi-Arabië, waar hij na de Golfoorlog de gevolgen van de olieramp hielp bestrijden. Maar dat was een uitzonderlijke situatie, zegt hij, verder heeft het asiel vooral van doen met de menselijke wandaden van alledag. Hij wijst op een vijver met jonge zwanen wier ouders zijn verdwenen; zoals zovelen voor hen werden ze waarschijnlijk doodgegooid of met een stuk hout neergeslagen. Daar niet ver vandaan passeren we een groep illegaal ingevoerde Chinese eksters en, naast een bij de vuilnisbak gevonden konijn, een kooi met kanaries, parkieten en goudvinken: “Allemaal vogels die door hun eigenaars zijn afgedankt. Als de mensen geen zin meer in ze hebben of met vakantie gaan, worden ze zonder omhaal naar buiten gegooid. De vogels die daarna bij ons terechtkomen hebben geluk gehad, al gaan de meesten na verloop van tijd naar de dierenhandel. Als tegenprestatie krijgen wij meel- en buffalowormen, dan hebben de anderen hier weer te eten.”

Voor de meeste gasten heeft het verblijf in de Vogelklas een happy-end. Ter illustratie wijst Koos van Donk op een lepelaar die bij een aanrijding in de buurt van Willemstad hersenletsel opliep. Het dier stond een tijdlang te boek als 'dizzy', maar kijkt nu weer fris uit de ogen. “Over een paar dagen komt hij vrij”, meldt zijn verzorger. “Dan kan hij een nieuw leven beginnen.”