HET ONDERSCHATTE HOORCOLLEGE

In de klaagzang over het universitaire onderwijs - massaliteit, ongeinteresseerde docenten enzovoorts - vormt het hoorcollege een dankbaar mikpunt voor critici. De ernst van de situatie wordt nog eens bevestigd door een recent onderzoek van de Carnegie Foundation waaruit zou blijken dat 'driekwart van de Nederlandse wetenschappers onderzoek boven onderwijs verkiest'.

Nu zijn hierbij nogal wat vraagtekens te zetten, omdat de grenzen meestal vager zijn dan de bekende dichotomie onderzoek-onderwijs suggereert. Naast hoorcolleges en werkgroepjes bestaat immers een belangrijke taak van de docent uit het begeleiden van doctoraalonderzoek. Op veel vakgroepen dragen doctoraalstudenten naast promovendi actief bij aan het onderzoek dat diezelfde wetenschappelijk medewerkers zeggen te verkiezen.

De tegenstelling onderwijs-onderzoek wordt ook ondergraven, omdat docenten, zeker in colleges voor ouderejaars, kunnen rapporteren over lopend onderzoek - en vaak is het vertellen van wat je zelf het laatst ontdekt hebt, ook het meest stimulerend. Het is goed mogelijk dat enquêtes die aantonen dat men onderzoek prefereert, vertekend zijn omdat allerlei mengvormen tussen onderwijs en onderzoek over het hoofd worden gezien.

Als symbool van het hoger onderwijs staat het hoorcollege in een bijzonder kwaad daglicht. De Volkskrant suggereeerde onlangs zelfs dat het hoorcollege maar beter verboden kon worden (15 juni), gezien de slechte ervaringen die die krant had opgedaan op een ronde door de Nederlandse collegezalen. Het ideale model zou de Engelse tutorial zijn, het bespreken van studiemateriaal in kleine groepjes en het regelmatig schrijven van papers. Alleen zo zou werkelijk contact tussen docent en student plaats kunnen vinden, en zouden ordeproblemen tot het verleden behoren.

Ook uit een heel andere hoek komt kritiek op het ouderwetse hoorcollege: de snelle ontwikkelingen op het gebied digitale informatieverwerking brengen interactief computer-ondersteund onderwijs binnen handbereik van iedere universiteit. Daarmee zou het mogelijk worden om leerprogramma's op individuele behoeften toe te snijden, iets dat in schril contrast staat tot de eenheidsworst die op hoorcollege's gepresenteerd wordt. De enige keuze die een student daar nog heeft is luisteren of niet, of, in het ergste geval: wegblijven.

Er zal ongetwijfeld veel aan te merken zijn op de wijze waarop colleges in Nederland gegeven worden (en dat het in het buitenland, zelfs vlak over de grens nog veel erger kan zijn doet hier niet ter zake). Maar het is een misvatting dat kleine discussiegroepjes of computerprogramma's het hoorcollege overbodig maken. Vanuit de docent gezien geeft het hoorcollege de mogelijkheid om via het gesproken woord structuur en samenhang tussen losse onderdelen te presenteren. Uiteraard moet dit, waar nodig, worden ondersteund met de hele parafernalia van dias, geprojecteerde schema's, filmfragmenten, kaarten en dergelijke. Soms zijn de details tijdelijk zinvoller dan de grote lijn, zoals een schilderij van Jeroen Bosch pas in zijn volle omvang begrepen kan worden na bestudering van elk wonderbaarlijk wezentje in de marge. Alleen de docent kan dat evenwicht in het oog houden en er mee spelen door herhaaldelijk in en uit te 'zoomen' van detail naar grote lijn, van voorbeeld naar abstractie en terug. Het aanbrengen van een dergelijke samenhang is voor studentengroepjes of individuele studenten achter hun computer, zeker in een vroege fase van hun studie, vaak te moeilijk.

Vanuit de student gezien is de essentie van het hoorcollege het leren luisteren naar het gesproken woord. Dat vereist een heel andere concentratie dan bij het werken met visueel materiaal, of het nu boeken of interactieve computerprogramma's zijn, waarbij je altijd terug kunt 'bladeren'. Juist de huidige generatie studenten die is opgegroeid in het post-radio tijdperk en geen regenachtige zondagmiddagen gekluisterd heeft gezeten aan voetbalverslagen of hoorspelen, mist die auditieve training. Wie niet leert om hoorcolleges te volgen, kan later niet goed luisteren en niet de lijn van een verbaal betoog volgen. En evenmin zelf een geordende mondelinge presentatie van meer dan een paar minuten geven. Zelfs al zullen we in de toekomst steeds meer elektronisch communiceren, dan nog zullen face-to-face, en dus in hoofdzaak verbale, contacten niet verdwijnen. En wie niet kan luisteren, kan ook niet schrijven. In een wereld waarin feitenkennis snel veroudert en een groot deel daarvan bovendien op te zoeken valt via data bases, wordt het opbouwen van verbanden, het formuleren van hypothesen en het stellen van kritische vragen alleen nog maar belangrijker. Dat proces is grotendeels verbaal, al debateert menig denker eerst in zijn hoofd (al of niet op de fiets) voordat hij/zij iets uitspreekt. Het hoorcollege is een van de laatste bolwerken van een lange westerse orale traditie, nu kansel en yeshiva zoveel aan betekenis hebben ingeboet en de lengte van een betoog op de televisie een functie is van de gemiddelde zap-snelheid van de kijker. De teloorgang van het hoorcollege valt niet toevallig samen met de uitholling van de universitaire debatcultuur. Nederland kent daarin toch al niet zo een sterke traditie als Frankrijk of de Angelsaksiche landen. Zelfs bij promoties, de gelegenheid bij uitstek waarbij het wetenschappelijk debat centraal staat, wordt zelden vurig en met overgave geopponeerd en verdedigd. Het lijkt erop dat alleen nog studentenverenigingen en de bureaus voor studium generale nog pogingen doen om het debat levend te houden.

Er is nog een ander argument ten gunste van hoorcolleges, hoewel dat juist door critici graag als tegenargument wordt gebruikt. Hoorcolleges, veel meer dan werken in kleine groepjes, zijn uitermate geschikt voor een heterogeen en multi-cultureel publiek. Veel buitenlandse (niet-westerse) studenten zijn niet gewend om in een discussie openlijk hun mening te geven. Een hoorcollege dat op systematische en stimulerende wijze laat zien dat een kwestie vanuit verschillende kanten belicht kan worden, vormt een voedingsbodem voor latere discussietechniek.

Hoorcolleges vereisen een enorme fysieke en intellectuele inspanning van de docent. Er zijn weinig dingen moeilijker dan een boeiend betoog te houden voor honderd of meer rumoerige en kritische studenten op een regenachtige maandagochtend om half negen. De docent is dramaturg, regisseur en hoofdrolspeler tegelijk die in een monoloog de nodige spannende wendingen, herhalingen, epitheta ornantia en rustpauzes moet brengen.

Doceren van hoorcolleges hoeft overigens niet alleen maar een monoloog te betekenen - ook in grote zalen kunnen korte opdrachten worden gegeven, en niets doet het beter om studenten bij de les te houden dan een schijnbaar rethorische vraag waarop wel een antwoord wordt verwacht. Universitaire bureaucraten die van mening zijn dat je elk jaar hetzelfde verhaal kunt afdraaien, onderschatten de mentale voorbereiding die nodig is om de grote lijn telkens weer van actuele voorbeelden en illustratieve details te voorzien. Het hoorcollege is nooit en te nimmer een standaardverhaal. Met andere woorden: slechte hoorcolleges zijn bijna altijd te wijten aan onvoldoende voorbereiding, en dus aan tijdgebrek.

Want dat is de kern van het probleem: de administratieve waardering voor hoorcolleges is beneden peil. De universiteit krijgt niet anders dan de hoorcolleges die ze verdient. In de fluwelen wurggreep waarin faculteiten hun medewerkers gevangen houden, wordt de verdeling van de onderwijsbelastingsseconden ieder jaar minder ruimhartig. En zolang dat het geval is, zal het hoorcollege als unieke en complementaire onderwijsvorm nooit tot zijn recht komen.