Expositie over 'urbicide' in stadhuis A'dam; Foto's tonen verwoeste architectuur in Sarajevo

Tentoonstelling: Urbicide Sarajevo. Stadhuis van Amsterdam, Amstel 1. T/m 25 sept. Ma t/m zo 9-23u.

AMSTERDAM, 8 SEPT. Sarajevo wordt vermoord. De ravage daar kon alleen maar met een nieuwe term worden omschreven: urbicide. Op de fototentoonstelling Urbicide - Sarajevo in het Amsterdamse Stadhuis dringt de betekenis van het woord volledig door. Het gaat om meer dan de kapotgeschoten gebouwen die er te zien zijn. “Ze weerspiegelen onze collectieve identiteit”, zeggen de architecten Darko Sefic (29) en Nazif Hasanbegovic (27), die sinds maart met de tentoonstelling door Europa trekken. “Wie de gebouwen vernietigt, wil af van het bewijs dat een multiculturele samenleving hier mogelijk is.”

De tentoonstelling van vijftig foto's van Milomir Kovacevic-Strasni maakt deel uit van het project 'Warchitecture' dat in mei 1992 door de bond van architecten van Bosnië-Hercegovina werd opgezet. Doel is om de verwoesting van de culturele monumenten in de stad Sarajevo in kaart te brengen, contacten te leggen in het buitenland en zo de wederopbouw van de stad op gang te helpen.

De inventarisatie kwam onder zware omstandigheden tot stand. Toen de foto's werden gemaakt waren de beschietingen nog in volle gang en was het onmogelijk om met mensen buiten de stad te communiceren. Op papier voor een catalogus werd anderhalf jaar gewacht.

Warchitecture wil verder kijken dan de bekende Nationale Bibliotheek uit 1896 of de moskee van Gazi Husrev-bey uit de zestiende eeuw. “Sarajevo kent behalve historische gebouwen ook belangrijke moderne architectuur die niet verloren mag gaan.” Hasanbegovic wijst op foto's met een regeringsgebouw (1978) en een flat (1950) van de architect Juraj Neidhardt, die nog samenwerkte met Le Corbusier.

Voor een compleet overzicht is de tentoonstelling chronologisch in vieren gedeeld, steeds ingeleid met plattegronden waarop de omvang van de verwoesting in een wirwar van rode stipjes zichtbaar wordt. De Verenigde Naties hebben het becijferd: architectuur uit het Ottomaanse tijdperk: vijfenzeventig procent van de gebouwen beschadigd. Uit de negentiende eeuw: zevenenzestig procent. Interbellum: drieënveertig procent. In grote rode cijfers staat het bij een opsomming van de afonderlijke gebouwen. Drieëntwintig regeringsgebouwen. Vijfenvijftig scholen. Vierendertig culturele en universitaire gebouwen: een fractie uit een realiteit die nauwelijks bij te houden is.

Dat bewijst de videofilm die tijdens de expositie wordt vertoond. Sommige gebouwen die op de foto's nog min of meer overeind staan, zoals het regeringsgebouw van Bosnië-Hercegovina, zijn in de film die een paar uur voor het vertrek uit Sarajevo werd gemaakt soms nauwelijks meer te herkennen. “Alles is systematisch verwoest”, zegt Sefic, terwijl hij naar een foto van een glazen zuil in een berg puin wijst. “Dit gebouw was destijds de hoop van Sarajevo. Daar zat de redactie en de drukkerij van de Oslobodjenje, de krant die toen onze enige bron van informatie was. De torens werden zo pesterig als maar mogelijk is aan flarden geschoten. Iedere week één verdieping.”

De gebouwen zijn vaak zo strak gekadreerd in beeld gebracht, dat mortierinslagen er bijna taches de beauté lijken, kleine oneffenheden die het geheel een dramatische schoonheid verlenen. Totdat opvalt hoeveel gaten er zijn. En hoe weinig gebouwen nog. Verboden terrein voor esthetiek.

Van de minaret van de zestiende-eeuwse Divan Katib Hajdar-moskee is de toren is nog net niet finaal doormidden geschoten. De spits daarboven zweeft, zo lijkt het. Alsof ze zojuist besloot onaangedaan het luchtruim te kiezen. Het ontglipt Sefic per ongeluk toch:“Een prachtige foto.” En dan, vlug: “Nee. Een gruwelijke foto.”