Euthanasie weigeren is geen plichtsverzuim

De hoofdinspecteur van de volksgezondheid, J. Verhoeff, wil artsen voor het Medisch Tuchtcollege brengen die om principiële redenen een euthanasieverzoek niet honoreren en die tevens weigeren door te verwijzen naar een arts die daartoe wel bereid is (NRC Handelsblad, 22 augustus). Verhoeff verwijt deze artsen in de eerste plaats dat zij, als zij op principiële gronden niet doorverwijzen, hun taak als arts niet adequaat vervullen. In de tweede plaats zouden zij door dit 'plichtsverzuim' bijdragen tot het ontstaan van een verkeerde praktijk, te weten de zogenaamde 'rondreizende euthanasiearts'. Beide verwijten verdienen repliek.

Het eerste verwijt roept de vraag op wat gewetensbezwaren eigenlijk zijn. Verhoeff lijkt deze op te vatten als puur subjectieve bezwaren tegen door de persoon zelf te verrichten handelingen. Maar het wezen van een gewetensbezwaar is juist dat het zich richt tegen een bepaalde praktijk, die men in zichzelf moreel verwerpelijk vindt. Daarbij doet het er niet toe of die praktijk, in casu euthanasie door de betrokkenen zelf wordt uitgevoerd, of door anderen. Het kan daarom nooit een plicht zijn door te verwijzen of informatie te verstrekken.

Ook artikel 20 uit de Wet Afbreking Zwangerschap staat haaks op een verwijsplicht. Artikel 20 bevestigt en beschermt de gewetensvrijheid van iedere burger om bepaalde behandelingen niet te geven of om op enigerlei wijze daaraan mee te werken.

Ten slotte heeft de verwijs- en informatieplicht van de arts alleen betrekking op de medische toestand en behandeling van de patiënt. Een plicht tot verwijzen en infomeren in gevallen van euthanasie kan daarom alleen bestaan, indien euthanasie een medische therapie of behandeling zou zijn. Tot op heden echter is altijd volgehouden dat euthanasie geen normaal medisch handelen is.

De stap die Verhoeff wil zetten, namelijk in voorkomende gevallen de arts voor het Tuchtcollege dagen, zet de zaken flink op hun kop. Het was toch altijd zo, dat euthanasie een handelen uit nood was in zeer uitzonderlijke gevallen? Hoe kan het dan tot een reguliere, zelfs tuchtrechtelijk te sanctioneren plicht worden verheven om in zulke gevallen door te wijzen?

Een mogelijke verklaring daarvoor is de volgende: alle mooie woorden van onder meer de KNMG en vele politici ten spijt, is er in onze samenleving en gezondheidszorg een proces gaande van normalisering van euthanasie. Dit op zijn beurt zou in strijd zijn met wat de Hoge Raad onlangs (Chabot) nog eens heeft bevestigd, namelijk dat het strafwettelijk verbod niet is veranderd en dat daarmee de erin besloten norm is gehandhaafd. Strafwettelijk verbod en norm zijn niet te rijmen met enigerlei verwijsplicht.

Verhoeff merkt het-niet-willen-doorverwijzen aan als directe oorzaak voor het ontstaan van het verschijnsel van 'rondreizende euthanasieartsen'. Deze redenering keert alles om wat normaal is. Ten eerste is euthanasie niet normaal, althans dat wordt tot op heden volgehouden.

Ten tweede is het niet normaal om artsen de plicht op te leggen door te verwijzen naar een praktijk die strafwettelijk verboden is en die zij zelf moreel verkeerd achten. Ten derde is het niet normaal dat op afroep artsen beschikbaar zijn euthanasie om te komen verrichten, zonder dat zij in een vertrouwensrelatie staan tot de te euthanaseren patiënt. Ten vierde is het zeker niet normaal om artsen die op principiële gronden euthanasie afwijzen tuchtrechtelijk te vervolgen omdat anders de betrokken patiënt een uitzendarts oproept om hem te euthanaseren. Niemand kan moreel aansprakelijk worden gesteld voor verkeerde handelingen die door een ander worden verricht.