Embryo van een Europese regering

Een Europese commissaris is een ambtenaar, zij het een hoge. Maar zijn beroepsleven voltrekt zich langs de ravijnen van de politiek. Er is weinig voor nodig of hij tuimelt erin. Toen de CDA'er Hans van den Broek het ministerschap inruilde voor de functie van commissaris van buitenlandse betrekkingen hield hij er rekening mee dat zijn Brusselse verblijf slechts van korte duur zou zijn. Zijn partijgenoot Ruud Lubbers scheen immers een geloofwaardige kandidaat voor het voorzitterschap van de Commissie, en Nederland mag nu eenmaal niet meer dan een commissielid leveren. Van den Broek stond van meet af aan gereed om plaats te maken.

Inmiddels is het CDA na een zware verkiezingsnederlaag buiten het kabinet gebleven en is Lubbers gepasseerd voor het Europese presidentschap. Of dit consequenties heeft voor de positie van Van den Broek is nog onduidelijk. Hoewel de functie die de Nederlandse commissaris was toebedeeld, belangrijk minder om de hakken bleek te hebben dan destijds in Den Haag was gesuggereerd, wil het nieuwe kabinet de bestaande toestand wel continueren. Maar de problemen voor Van den Broek komen nu uit de internationale hoek.

Commissievoorzitter Santer ziet zichzelf geconfronteerd met een puzzel. Als gevolg van de uitbreiding van de Unie met nieuwe leden en het grotere aantal commissarissen dat zich daarmee aandient, ziet Santer zich genoodzaakt de bestaande portefeuilles te versnipperen. De buitenlandse betrekkingen van de Unie worden in feite al beheerd door twee commissarissen, verdere opsplitsing zou de portefeuille van Van den Broek nog minder attractief maken. Dat opent in Den Haag dan weer de deur voor nieuwe suggesties en voor nieuwe kandidaten.

Voorlopig lijkt de Haagse politieke belangstelling voor de op handen zijnde Brusselse stoelendans haar traditionele trekken nog niet te hebben verloren. Het gaat in de eerste plaats om de partijbinding van de mannetjes (en vrouwtjes) die in aanmerking komen en dus om het compromis dat daarover in het kabinet moet worden bereikt. Op de tweede plaats staat vervolgens het zogenoemde nationale belang. De Europese portefeuille waarvoor Nederland in aanmerking wil komen, moet iets te betekenen hebben en, als het even kan, parallel lopen aan een Nederlands belang: landbouw en verkeer komen al snel in gedachten.

Het valt intussen aan te bevelen om ditmaal een ronde verder te kijken. Onderdeel van de voor 1996 voorgenomen herbezinning op het verdrag van Maastricht zal zijn stroomlijning en reorganisatie van het bestuur van de Unie. Die operatie zal zich uitstrekken naar het verdrag van Rome, de Europese Akte en het verdrag van Maastricht. Ook zal het begrip subsidiariteit moeten worden ingevuld want de formulering in het verdrag van Maastricht is te vaag om werkbaar te zijn. De notie dat besluiten moeten worden genomen op het daarvoor in aanmerking komende niveau (het nationale of het Europese) is, hoe verdienstelijk in zichzelf ook, in de praktijk niet eenvoudig toe te passen. Het trekken van de scheidslijn zou nog wel eens moeilijker kunnen blijken te zijn dan de aanhangers van het beginsel hebben vermoed.

Direct zal stroomlijning gevolgen hebben voor de samenstelling van de Europese Commissie, volgens sommigen het embryo van een toekomstige Europese regering. De zich al maar uitbreidende Gemeenschap en Unie trekken een groeiend aantal commissarissen aan op grond van de stelregel dat iedere lidstaat in de Commissie moet zijn vertegenwoordigd en dat de grotere landen recht hebben op meer dan een commissaris. Met de jongste uitbreiding naar zestien lidstaten en verdere uitbreidingen in zicht valt het daardoor ontstane vraagstuk niet langer te omzeilen: besturen wordt onmogelijk. Temeer omdat het aan de Commissie verbonden ambtelijke apparaat aan dezelfde desastreuze regels is onderworpen als de Commissie zelf.

In eerste aanleg gaan de gedachten uit naar een kleinere, handzame Commissie waarin de verdeling van de portefeuilles beter correspondeert met de feitelijke taken die de Commissie zijn toebedeeld. Aan de overbezetting van de Commissie en de versnippering van haar apparaat zal dan een einde kunnen worden gemaakt. Maar hoe moet dat gebeuren? Een oplossing zou kunnen zijn ieder land één vertegenwoordiger toe te kennen, maar ervan afgezien dat zoiets in absolute zin te weinig verschil zou maken, lijken de grotere landen niet de eerste te zullen zijn die offers willen brengen op het altaar van de gemeenschappelijke doelmatigheid. Een alternatief zou zijn de kleinere landen het vaste recht op een zetel in de Commissie te ontnemen: dat kan gezien hun aantal de oplossing een stuk dichterbij brengen.

Voor Nederland komt die gedachte in de buurt van vloeken in de kerk. Nederland dat zich de grote onder de kleinen waant, dat behoort tot de oorspronkelijke zes oprichter-landen en dat onlangs in een Duits rapport zelfs werd uitgenodigd om tot een nieuw te vormen vaste kern van de Unie te gaan behoren, zal zich tegen de kans op uitsluiting uit de Commissie zeker willen verweren.

Dat aan de suggestie problemen zijn verbonden, wordt elders ook wel ingezien. Zo wordt aan een uitweg gedacht in de vorm van clusters van kleine landen waarvoor dan een zetel in de Commissie zou worden gereserveerd die bij toerbeurt zou kunnen worden bezet. Opvallend is dat als voorbeeld daarbij als eerste Benelux wordt genoemd. Voorstanders van het gebruik van deze vijftigjarige economische unie tussen België, Nederland en Luxemburg als machtsinstrument tegenover de andere Europese partners mogen zich er rekenschap van geven dat zoiets gemakkelijk een boemerang-effect zou kunnen krijgen. Als Benelux inderdaad zo nauw aaneengesmeed zou zijn, zou zij zich ook met een gezamenlijke zetel in de Commissie tevreden moeten kunnen stellen.

De verbeeldingskracht kan ook in een andere richting worden aangewend. Wat is er eigenlijk tegen het idee dat de Commissie eens zal uitgroeien tot een Europese regering? Dat zou inhouden dat de verdeling van zetels in de Commissie naar nationaliteit zou worden opgegeven, niet alleen door de kleine en kleinere maar door alle lidstaten. Politieke binding en persoonlijke geschiktheid zouden dan de criteria zijn. Wie die stap waagt zou in ieder geval het ongemakkelijke stadium van de clusters der kleine landen kunnen overslaan. Voor Den Haag iets om te overdenken.