Duitsland heeft duidelijke Europese plannen

Van Duitsland zijn weinig Europese vergezichten te verwachten, schreef Ben Knapen vorige week op de opiniepagina. Het land verkeert daarvoor in een te precaire positie.

Ronald Havenaar brengt daar tegenin dat de Europese politiek van Duitsland getekend wordt door een coherente opstelling, die zich vooral manifesteert in het streven naar goede betrekkingen met Frankrijk.

Duitsland verandert en wordt steeds nadrukkelijker de centrale macht in Europa. Hoe zal het zijn macht gebruiken? In NRC Handelsblad van 2 september stelt Ben Knapen vast ('Europa is niet de grootste prioriteit van Duitsland') dat de regering in Bonn zonder concept opereert. Er is geen coherent antwoord te vinden op de tegenstrijdige eisen die de Duitse verhouding met resp. West-Europa, Midden-Europa en Rusland stelt. Daarom heeft kanselier Kohl ervoor gekozen niet te kiezen en drijft de Bondsrepubliek af in oostelijke richting, weg van de Europese Unie (EU). Het beeld dat Knapen schetst roept tegenspraak op, vooral omdat de Duitse regering de afgelopen jaren ondubbelzinnig heeft laten blijken dat haar prioriteiten bij de samenwerking met Frankrijk liggen.

Sinds het einde van de Koude Oorlog geeft de geschiedenis van Europa het verwarrende contrast te zien van een deprimerende destructiedrift en een bemoedigende vooruitgang naar samenwerking. De Joegoslavische nachtmerrie biedt de aanblik van een door etnische haat geïnspireerde moordpartij die door de buitenwereld met evenveel afgrijzen als passiviteit wordt gadegeslagen. Maar daar staat tegenover dat de Frans-Duitse verhouding, die voor de Europese stabiliteit van allesoverheersende betekenis is, een verrassend positieve ontwikkeling te zien geeft. Verrassend, omdat na het einde van de Koude Oorlog de voortekenen ongunstig waren. De verzoening tussen deze twee voormalige vijanden (drie oorlogen binnen zeventig jaar) werd in de jaren vijftig gestimuleerd door de gemeenschappelijke noodzaak weerstand te bieden aan de Sovjetdreiging en door de nadrukkelijke aanmoedigingen van de Amerikaanse regering. De ontluikende samenwerking werd echter vooral mogelijk gemaakt, zoals generaal De Gaulle verklaarde, door een Duitse deling die Parijs in staat stelde als min of meer gelijkwaardige partner van Bonn te opereren. Na de val van de muur en de Duitse eenwording zijn deze prikkelende voorwaarden verdwenen: het gewicht van Duitsland is ten opzichte van Frankrijk enorm gegroeid en de externe druk om tot samenwerking te komen is weggevallen.

Met het in december 1991 ondertekende verdrag van Maastricht probeerde de regering in Parijs het nieuwe Duitsland hechter aan Frankrijk te binden en wilde Bonn de onzekerheid beperken die de hereniging bij de Franse en andere buren opriep. Deze overeenkomst kon echter niet verhinderen dat al snel spanningen rezen, die samenhingen met de nieuwe geopolitieke inrichting van Europa. Toen Duitsland in januari 1992 de EU dwong Kroatië te erkennen, kwam in Parijs de vrees op dat de regering in Bonn in de greep raakte van haar ambitie invloed te winnen in Midden-Europa. Diezelfde angst klonk door in de reactie van Mitterrand op het Duitse verlangen de Middeneuropese naties het perspectief te bieden van aansluiting bij de Europese binnenmarkt. De Franse president nam afstand van die wens met de woorden dat de verbreding naar het Oosten nog 'decennia en decennia' op zich zou laten wachten. Die afwijzende reactie werd ook ingegeven door de verwachting dat bij een grotere en lossere EU de Duitse macht minder gebonden en geprononceerder zou worden.

Ook in de defensiesamenwerking rezen problemen als gevolg van de Franse ambitie de rol van de NAVO terug te dringen ten gunste van de West Europese Unie: het in 1991 aangekondigde Frans-Duitse Eurokorps zou los van het Atlantische bondgenootschap moeten functioneren. Vervolgens raakte bovendien nog de monetaire integratie, de parel uit het Maastrichtse verdrag, beschadigd toen in augustus 1993 de marges binnen het Europese Moneaire Stelsel mede als gevolg van de zwakke positie van de Franse franc moesten worden verbreed. Ondertussen liepen de spanningen op over het standpunt dat de EU diende in te nemen in de GATT-onderhandelingen met Washington.

Het is opmerkelijk en bemoedigend hoe snel Frankrijk en Duitsland, ondanks de ogenschijnlijk verslechterde voorwaarden voor samenwerking, compromissen hebben bereikt over deze geschilpunten. Begin 1993 werd een akkoord gesloten over de integratie van het Eurokorps in de NAVO, met als bekroning het verbazingwekkende en hoopvolle schouwspel van Duitse soldaten die op quatorze juillet 1994 op Franse uitnodiging over de Champs-Elysées marcheerden. Hoezeer de Franse regering bereid is terug te komen op haar reserves jegens de NAVO, tot vreugde van Bonn, blijkt ook uit de recente aankondiging dat Parijs na 28 jaar afwezigheid zal terugkeren naar het beraad van de NAVO-ministers van defensie. Terwijl de Duitse en Franse regering eind vorig jaar hun meningsverschil over het in de GATT-onderhandelingen in te nemen standpunt zodanig overbrugden dat een akkoord met Washington mogelijk werd, maakte men ook afspraken om het proces van de monetaire integratie weer vlot te krijgen. Dat het aantreden, in maart 1993, van de nieuwe regering-Balladur een positieve werking had op de verhouding met Bonn, bleek vooral uit het ruim een jaar later in Parijs ondertekende 'Stabiliteitspact' over de toekomstige aansluiting van de Middeneuropese naties bij de EU.

De recente overeenstemming op belangrijke onderdelen van economische en veiligheidspolitiek bewijst dat Bonn en Parijs ook na het einde van de Koude Oorlog aan een hechte samenwerking een belang toekennen dat groot genoeg is om de onderlinge spanningen de baas te blijven. Voor Kohl vertegenwoordigt de verhouding met Frankrijk veel meer dan de reflex op het morele trauma waarover Knapen spreekt. De export naar West-Europa, waarin Parijs de belangrijkste afnemer is, is goed voor bijna 80 procent van de Duitse uitvoer. De export naar Midden-Europa en Rusland daarentegen voor niet meer dan 5 procent. Duitsland heeft groot belang bij het bevorderen van de stabiliteit in Midden-Europa, maar is in dubbel opzicht gehandicapt om op eigen kracht die taak op zich te nemen. De daaraan verbonden financiële lasten zijn heel groot en, mede gezien de verplichtingen in de nieuwe Bundesländer, gemakkelijker te dragen in samenwerking met Frankrijk en andere draagkrachtige EU-leden. Bovendien blijft het perspectief van externe machtsuitbreiding nog meer dan voor de hereniging in Duitsland verhitte discussies oproepen, die in het teken staan van de herinnering aan een inktzwart verleden. Duitsland is door zijn gegroeide gewicht en het ontbreken van een gelijkwaardig tegenwicht - Rusland blijft voorlopig verzwakt en de Verenigde Staten trekken zich steeds meer op zichzelf terug - gedoemd in Europa leiding te geven, maar zal in zijn nieuwe rol minder weerstanden oproepen, extern en intern, als het nauw samenwerkt met een Franse regering die in het uitoefenen van macht vrij is van complexen.

Voor Frankrijk geldt dat zijn economische belang bij de Westeuropese binnenmarkt relatief kleiner, maar niettemin aanzienlijk is. Nog belangrijker is dat een Duitse Alleingang richting Midden-Europa Frankrijk in geostrategisch opzicht zou marginaliseren tot een Westeuropese randstaat. Alleen in nauwe samenwerking met Bonn kan de Franse regering in het centrum van de Europese politiek blijven opereren. Het is waar dat de Frans-Duitse verhouding voor een deel bestaat uit een maskerade waarin Bonn probeert minder sterk en Parijs probeert sterker te lijken dan het is. Maar het is ook een feit dat die behoeftes elkaar aanvullen: leiding geven kunnen deze naties om uiteenlopende redenen niet alleen, maar slechts samen.

Dat besef kwam niet alleen tot uitdrukking in de gedurende het afgelopen jaar gedemonstreerde wil onderlinge problemen beheersbaar te houden, maar meer nog in het vorige week gelanceerde voorstel van de CDU-Bondsdagfractie om een kernunie te vormen van Duitsland, Frankrijk en de Beneluxlanden. Dit initiatief, dat vrijwel tegelijkertijd door premier Balladur in een interview met Le Figaro werd ontvouwd, is niet het 'ad-hoc-stapje' dat Knapen ervan maakt. Het is een broodnodige en welkome poging om na de tegenslagen die 'Maastricht' zijn toegebracht, de slagvaardigheid van de EU te versterken. Het voorstel getuigt van moed omdat het voorspelbaar verzet oproept, niet alleen bij de Italianen en andere niet uitverkoren EU-lidstaten. In Duitsland kan moeilijk instemming verwacht worden van de noordelijke deelstaten, die grote waarde hechten aan de band met de Skandinavische aspirant-leden van de EU, en evenmin van de nieuwe Bundesländer die verwachtingen hebben van de verbreding in oostelijke richting. Dit initiatief, waarvan Kohl na de eerste afwijzende reacties enige afstand heeft genomen, maar dat met zijn instemming is gelanceerd, toont eens te meer aan dat de band met Frankrijk voor de regering in Bonn Voraussetzung is voor de betrekkingen met Midden-Europa: als dit geen keuze is, wat is dan nog wel een keuze?

Behalve door moed blinkt het voorstel tot de vorming van een kernunie ook uit door politieke logica. Het sluit aan bij bestaande en toekomstige realiteiten. Groot-Brittannie en Italie zijn nu al achterblijvers in de monetaire samenwerking en de te verwachten verbreding naar het Noorden en Oosten vraagt nog meer om diversificatie. Bovendien kan het idee van een kernunie de angst voor verlies aan soevereiniteit wegnemen die het verdrag van Maastricht bij het electoraat in verschillende lidstaten heeft opgeroepen. De vrome woorden in het nieuwe voorstel over een versterking van de bevoegdheden van het Europese Parlement - bij uitstek het symbool van het Europese federalisme - kunnen niet verhullen dat het pleidooi voor een Europa van 'variabele geometrie' in feite de doodskus is voor het ideaal van een federale samenwerking waarin alle EU-lidstaten op voet van gelijkwaardigheid zouden moeten opgaan. Als Bonn en Parijs erin slagen het buitenlandse en binnenlandse verzet tegen het nu ontwikkelde plan te trotseren, lijkt generaal De Gaulle alsnog gelijk te krijgen met zijn voorspelling dat de Europese samenwerking slechts levensvatbaar is als een Europe des patries, met als as de Frans-Duitse samenwerking. Dat perspectief is allerminst een reden tot treurnis, want alleen deze tandem is in staat leiding te geven aan de taken - zoals het economische herstel van Midden-Europa - die voor de Europese stabiliteit van essentieel belang zijn.