De drie kistjes van Portia

Door hun schoolkameraadjes werden de neefjes Savio (14) en Tom (13) voor gek versleten. Wie is er nu zo dom om in de zomervakantie naar een wiskundekamp te gaan. Savio's moeder is wiskundelerares, maar zelf vindt hij zich geen ster in dit vak. Hij haalt z'n schouders op over z'n rapportcijfers: 'Gemiddeld. Met zeventjes.' Neef Tom haalde vorig jaar wel hoge cijfers voor wiskunde. 'Ik dacht dat ik een slimmerik was, maar tussen deze jongens ben ik maar een stom knulletje'. Dat komt, zo legt hij uit, omdat op school het antwoord belangrijk is, maar hier op het wiskundekamp gaat het vooral om de manier waarop je iets bedenkt. Tristan (12) formuleert het anders: 'Op school krijg je de theorie voorgeschoteld, die is waar en dan moet je er sommetjes mee gaan maken. Hier moet je de theorie zelf uitvinden.'

Voor de meeste van de dertien jongens die zich inschreven voor het wiskundekamp - meisjes lieten zich vooralsnog niet strikken - geldt dat ze de schoolwiskunde vooral makkelijk en saai vinden. De lessen bieden geen uitdaging. Alles wordt tot vervelens toe herhaald, zo luidt hun klaagzang, er valt maar bitter weinig te ontdekken. Daarom genieten ze deze week zo intens, niets is zomaar waar, alles moet door hen zelf bedacht en bewezen worden.

Een kamp kun je het eigenlijk niet noemen. Ze bivakkeren in een deftig conferentieoord dat uitkijkt over onmetelijke gazons en fraaie bospartijen. 's Avonds laten ze zich de driegangenmaaltijd aan de onberispelijk gedekte tafels goed smaken. In een aparte kamer, die aldoor stipt wordt afgesloten, staat voor bijna een half miljoen aan computers.

Voor ze de dag afsluiten met een buitenspel worden de jongens nog even op drie pittige breinkrakers getrakteerd. Want, zo verklaart begeleidster Monique, zelf vierdejaars student wiskunde, 'het is een wat losse dag geweest en ze vinden die problemen juist het leukste.' In niveaugroepjes wordt even later druk gediscussieerd over het probleem van de drie kistjes van Portia. Logica van de bovenste plank, maar ze hebben er weinig moeite mee.

's Middags lijkt de werkruimte nog het meest op een handenarbeidlokaal. Aan tafel wordt volop geknutseld met lijm, plastic rietjes, pijpestrooitjes en gekleurd karton. Langzamerhand ontstaan er herkenbare figuren: kubussen, zes-, acht-, twaalf- en zelfs twintigvlakken. Het thema van vandaag is het regelmatige veelvlak. Tussen de bedrijven door bewijzen ze zelf de formule van Euler en hebben ze geleerd wat een topologische projectie is. Aan het eind van de middag komt professor A. Grootendorst college geven over de voetbal. Hij doceert al 36 jaar wiskunde in Delft en staat niet vaak voor zo'n jong en zo'n leergierig publiek. 'Wij geleerden onder elkaar', zegt de professor tegen de glunderende jongens, 'wij willen alles bewijzen. Het is lévensgevaarijk om te denken: het klopt, dùs het kan.' Er wordt begripvol geknikt.

Dit is de eerste keer dat er in Nederland een wiskundekamp wordt georganiseerd, vertelt initiatiefneemster en wiskundige Zsófia Ruttkay. Drie jaar geleden kwam ze met haar toen elfjarige zoon uit Hongarije naar Nederland en verbaasde zich over de slechte naam die wiskunde hier heeft. 'Erg veel kinderen houden niet van wiskunde en voor de hele goede leerlingen wordt er niets extra's gedaan', zo luidt haar kritiek. Daarom gaat hier veel talent verloren, denkt Zsófia Ruttkay, en doen relatief weinig scholieren mee aan olympiades. In Hongarije zijn wiskundekampen de normaalste zaak van de wereld, ze zijn er in alle soorten en maten. Voor bollebozen maar ook voor kinderen met gemiddelde prestaties die er lol in hebben om met wiskundige problemen te worstelen.

Het heeft Zsófia Ruttkay de grootste moeite gekost om deze dertien kinderen bij elkaar te krijgen. Alle scholen voor voortgezet onderwijs kregen informatie over het kamp toegestuurd, de respons was minimaal. Ze houdt het er maar op dat er nog een traditie moet worden opgebouwd. Haar zoon Daní (14) zit in de boekenhoek te lezen in het 'woordenboek van de merkwaardige en eigenaardige getallen'. Vorig jaar was hij in Hongarije op een wiskundekamp. 'Daar vinden ze het heel gewoon dat je wiskunde als hobby hebt en er van kunt genieten', legt hij uit. Dit kamp lijkt er wel wat op, maar er is hier meer aandacht voor sport en spel. Ze zijn gaan kanoën, er wordt gevoetbald en gepingpongd. 'Absoluut niet saai', oordeelt Daní die in drie jaar tijd prima Nederlands heeft leren spreken en nu in 3 VWO zit.

De leeftijd van de deelnemers aan het kamp varieert van 12 tot 17 jaar, maar ook hun kennisniveau loopt uiteen. Orpheu (12), die in de achtste groep van zijn juf al wat wiskunde mocht gaan doen, is net begonnen in de brugklas, terwijl Wouter (15), die officieel in 4 VWO zit, aan het eind van dit jaar staatsexamen wiskunde hoopt te doen. Met begeleider en wiskundestudent Henno bespreekt hij alvast de stof die de eerstejaars op de universiteit krijgen. Z'n jongere broertje is er ook. 'Die is nog slimmer dan ik', lacht Wouter onder zijn groene legerpetje vandaan, 'maar ik ben gelukkig verder.'

Ook Vincent (13), van wie je hersentjes op afstand kunt horen knerpen, vindt in begeleider Wim - vierdejaars student wiskunde - eindelijk een gelijkwaardige gesprekspartner. 'Gisteren hebben we tijdens de hele kanotocht over wiskunde gesproken', vertelt Vincent met een gelukzalige glimlach op z'n gezicht. En tijdens de avondmaaltijd vergeet hij haast te eten omdat hij met professor Grootendorst zoveel wiskundigs te bespreken heeft. Over de wiskundeles die hij op school krijgt is Vincent snel uitgesproken: 'Ik leer daar niet zoveel. De twee boeken die we afgelopen jaar hebben doorgewerkt kun je samenvatten op een klein papiertje.'

Informatie over de wiskundekampen kan worden ingewonnen bij mevrouw Zsófia Ruttkay, Vrije Universiteit, tel: 020 - 4447700.