Daer compt de Lotery

Loterijen waren vroeger volksfeesten die weken in beslag namen. Nu duurt de trekking een uur en is het podium vervangen door een tv-show met een quiz-master. En een computer die voor de rest zorgt.

Hoe de loterij in Nederland zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld is te zien in een nieuw, klein museum in Den Haag.

Nederlands Kansspelmuseum, Paleisstraat 5, Den Haag. Ma t/m vr van 9-16u. Inl 070-3021500.

Op 1 augustus 1596 stroomde het volk toe in de Breestraat in Leiden. Tegenover het stadhuis was een mooi versierd podium getimmerd. Daarop zou de trekking van de grote Leidse loterij plaats hebben. De voorbereidingen hadden een jaar geduurd. Het loterijpersoneel, gekleed in rode, met goud en zilver afgezette kostuums, trok in optocht door de stad en legde op het podium de eed af. Twee manden stonden klaar, de ene met 281.232 lotbriefjes, de ander met evenveel prijzen en nieten. Het voorlezen van de lotbriefjes ging dag en nacht door, 52 dagen lang. De ontwikkeling die de loterij in Nederland doormaakte is te zien in het Nederlands Kansspelmuseum, op de begane grond van het pas geopende gebouw van de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij (SENS) in Den Haag. Het museum is tot stand gekomen met medewerking van het Belastingmuseum in Rotterdam, dat verantwoordelijk is voor beheer en behoud. De geschiedenis van vooral de Staatsloterij wordt er in beeld gebracht aan de hand van oude prenten, schilderijen, documenten en videofilms. Van de trekking in Leiden in 1596 is een gedetailleerde maquette gemaakt. Ook is er een levensgroot uitgebeelde trekkingsscène anno 1900, met trommels die nog tot in de jaren zestig gebruikt werden. Het topstuk van de tentoonstelling is het schilderij Loterijkantoor in de Kalverstraat van Isaac Ouwater (1750-1793), waarop het gedrang is te zien voor een verkoopkantoor van de Generaliteitsloterij. Deze loterij, die in 1726 tijdens de Republiek door de Staten-Generaal werd opgericht, wordt beschouwd als de voorloper van de huidige Staatsloterij. Hij moest een eind maken aan een wildgroei aan plaatselijke en particuliere loterijen. Vooral in Holland en Zeeland was de loterij al eeuwenlang een populair volksvermaak. De Generaliteitsloterij betaalde alleen geldprijzen uit, maar voor die tijd bestonden de prijzen vaak uit zilveren en gouden voorwerpen. Op de expositie zijn onder andere mooi bewerkte zilveren schalen, bekers en kandelaars te zien. In de middeleeuwen verleenden steden als prijs soms een betaald ambacht zoals het wijnbroederschap. Kerken loofden aflaten uit. Met de opkomst, in de zeventiende eeuw, van de particuliere loterijen konden schilderijen, pronkmeubelen en kunstvoorwerpen worden gewonnen. Zieltogende porseleinfabriekjes grepen naar de loterij als laatste redmiddel om hun dure produkten te slijten. Ook dienden veel loterijen een liefdadig doel, zoals de bouw van een nieuw gast-, of weeshuis. En in 1819, zo leert de tentoonstelling, wist de eigenaar van een kasteel in Limburg zijn bezit te behouden door een loterij uit te schrijven waarin hij zelf de hoofdprijs won. De oudste voorbeelden van grote loterijen in de Nederlanden dateren van halverwege de vijftiende eeuw. Deelnemers werden geregistreerd en moesten een kort rijmpje, een prose indienen ('Myn Beurs is plat: Kryg ik niet, ik ben al de Loteryen zat'). Veel ervan zijn bewaard gebleven: Haarlem heeft er nog 26.000, Leiden zo'n 13.000. Aan de universiteit in Leiden wordt aan de uitgave van de Leidse prosen gewerkt. Prosen geven een interessant tijdsbeeld, ook omdat ze door mensen van alle rangen en standen geschreven zijn. Sommige zijn humoristisch, anderen belerend, spottend of pikant ('Een warme vrouwehand Verwarmd myn Santerkwant'). Bij de trekkingen werden alle rijmpjes voorgelezen. In het museum zijn ze te lezen in loterijregisters uit de zeventiende en achttiende eeuw. Het idee voor het museum is ontstaan toen in 1991 het Rotterdamse Belastingmuseum een expositie over het onderwerp organiseerde. Veel van de bruiklenen zijn afkomstig uit Rotterdam. “De geschiedenis van de loterij hoort tot ons verzamelterrein”, zegt historica drs. L. Peeperkorn van het Belastingmuseum, “maar een bescheiden museum als het onze is niet in staat dit deel van de collectie permanent in een cultuurhistorisch samenhangend geheel te presenteren. Daarom zijn we blij dat het hier in Den Haag wel kan.” Een actueel probleem als gokverslaving komt niet aan de orde. De Staatsloterij vindt dat, aldus een woordvoerster, niet van toepassing op dit gereguleerde kansspelbedrijf waaraan men maar een keer in de maand kan meedoen. De opstelling is chronologisch en ziet er goed verzorgd uit. Het kleine museum is door een glazen wand gescheiden van de entreehal van het nieuwe SENS-gebouw. De voorbereiding was in handen van een werkgroep met dr. K. Bostoen van de vakgroep Nederlands van de Leidse universiteit en prof. dr. D.E.H. de Boer (middeleeuwse geschiedenis) van de Groningse universiteit die onderzoek hebben gedaan naar de oude loterijen. Daaruit is ook het boekje ontstaan Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! van A. Huisman en J. Koppenol, (uitg. Verloren, Hilversum), dat de Nederlandse loterijen tot 1726 beschrijft. Volgens Bostone is het de bedoeling het museum verder uit te bouwen, onder meer door er wetenschappelijk onderzoek aan te verbinden. Ook zijn er plannen voor een congres en een kwartaaltijdschrift. Het museum wordt gefinancierd door de SENS, die is opgericht in 1992 toen de Staatsloterij werd verzelfstandigd. Van de opbrengst van de staatsloten wordt 70 procent uitbetaald aan prijzengeld, 20 procent gaat naar het ministerie van financiën. Uit de overgebleven tien procent exploitatiekosten is ook de inrichting van het museum bekostigd. Er is geen vast budget, voor nieuwe initiatieven moet het museum bij de staatsloterij aankloppen. Ook worden er bijdragen verwacht van vrienden van het museum. Voorlopig echter blijft de huidige opstelling ten minste enkele jaren gehandhaafd, met een hoekje voor wisseltentoonstellingen.