Als de politiek verstek laat gaan, is alles toegestaan

Met de paarse coalitie, waarin de C van CDA ontbreekt, heeft het 'heidense karwei' een aanvang genomen, schreef Antoine Bodar dinsdag op de opiniepagina. Hij zocht de bron van moreel besef vooral in het individuele menselijk geweten. Herman Philipse legt de nadruk op de publieke moraal van de sociaal-democratie.

Indien God niet bestaat, is alles geoorloofd, zegt Ivan in Dostojevski's Gebroeders Karamazov. Ook volgens Nietzsche zijn de traditionele westerse waarden opgehangen aan God, die hij als hoogste waarde begreep. Maar helaas, God is dood. We zouden hem omstreeks 1850 (in Nederland een eeuw later) vermoord hebben door het geloof te verliezen. Omdat onze waarden berusten op God, worden ze na zijn dood krachteloos, een langdurig en onheilspellend proces, dat Nietzsche nihilisme noemt. Dostojevski en Nietzsche stemmen overeen in hun diagnose: de verzwakking van de moraal die ze meenden te constateren zou te wijten zijn aan de teloorgang van de christelijke religie.

Geldt deze diagnose ook voor de tegenwoordige tijd? De georganiseerde misdaad groeit ongehinderd, uitkeringsfraude is een bloeiend bedrijf, het ideaal van de naastenliefde zoals belichaamd in de verzorgingsstaat kwijnt, arbeidsethos taant en de burger voelt zich onveilig. Onze oud-minister van justitie zou niet aarzelen het moderne atheïsme zonder proces als schuldige te brandmerken. Moraal berust toch op het geloof in God? Is een terugkeer naar het christendom dan niet noodzakelijk om de moraal in ere te herstellen? Begin dit jaar werd op deze pagina gediscussieerd over het verband tussen geloof en moraal. Bolkestein opperde de mogelijkheid een verwijzing naar het christendom op te nemen in het liberale beginselprogramma, teneinde de huidige massale wetsovertreding te bestrijden. Van den Beld betoogde dat het uiteindelijk God is die het goede van ons verlangt en de priester-kunsthistoricus Bodar stelde toen dat 'de kerken weer bedehuizen moeten worden, opdat het mysterie van het geloof wordt gevierd waaruit de moraal voortkomt'. Volgens Hirsch Ballin heeft het liberalisme geen antwoord op het huidige normverval - we hadden allemaal CDA moeten stemmen - en als klap op de vuurpijl verscheen het SCP-rapport over secularisatie in Nederland 1966-1991.

De reacties waren legio en leerzaam. Toch is er reden om op het onderwerp terug te komen, want de discussie was uit logisch-filosofisch oogpunt weinig bevredigend. Met name werd onvoldoende onderscheiden tussen twee geheel verschillende vragen: enerzijds de quaestio iuris of aan het geloof in een God goede argumenten ontleend kunnen worden voor morele normen, en anderzijds de sociaal-psychologische quaestio facti of gelovige mensen in feite eerder geneigd zijn tot moreel wenselijk gedrag dan ongelovigen. Ik zal betogen dat het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, terwijl men het tweede moet betwijfelen. Ten slotte zal ik enkele opmerkingen maken over de functie van de politiek.

In de christelijke wereld tracht men vaak morele standpunten te rechtvaardigen door een beroep op de wil van God. Levert een dergelijk beroep een deugdelijke argumentatie op? Er zijn hier, denk ik, drie fatale problemen die de argumentatie doen struikelen. Om te beginnen zou men het bestaan van God moeten bewijzen, wat meer dan tweeduizend jaar lang door wijsgeren en theologen is geprobeerd. De verlichtingsfilosofen Hume en Kant hebben de bewijzen weerlegd en met behulp van moderne logica zijn de redeneerfouten nog scherper aan het licht gebracht. Geen integer filosoof die terzake kundig is zal een bewijs van het bestaan van God nog voor mogelijk houden. In het geval van monotheïstische religies is er een bijkomend probleem: een geslaagd bewijs voor het bestaan van de God van de islam impliceert dat alle bewijzen voor het bestaan van de christelijke God ongeldig zijn en vice versa. Een monotheïstische godsdienst pretendeert immers dat er maar één God bestaat, zodat argumenten voor verschillende monotheïstische goden elkaar ontkrachten. Kunnen we het probleem van het godsbewijs ontlopen door met Pascal te zeggen dat het hart redenen heeft die de Rede niet kent en te verklaren dat geloof een kwestie is van het gevoel? Ik meen van niet: het hart is geneigd tot wishful thinking en de redenen van het hart, die beter motieven genoemd kunnen worden, zijn geen geldig bewijs voor wat dan ook.

Laten we for the sake of argument het bestaan van een God, de christelijke bij voorbeeld, toegeven. Dan doet zich onmiddellijk een tweede vraagstuk voor: waarom zouden we Gods wil gehoorzamen? Sommigen zeggen: omdat hij goed is. Maar dit antwoord leidt tot een dilemma. Hetzij we hebben zelf al morele criteria in handen waarmee we kunnen beoordelen of God goed is. In dat geval is het beroep op Gods wil overbodig: kennelijk kunnen we zonder dit beroep al oordelen over goed en kwaad. Hetzij we leiden deze criteria wederom af uit de wil van God. Nu is het antwoord circulair of het leidt tot een oneindige regressie. Anderen zeggen: omdat hij almachtig is. Maar waarom zou men zich buigen voor macht, zij het ook almacht, indien men niet eerst weet of de macht goed is? Ook dit tweede probleem is volstrekt onoplosbaar.

Stel dat we Gods wil moeten gehoorzamen en dat iedereen het daarover eens is, zodat er op dit punt geen behoefte aan bewijsvoering bestaat. Dan rijst er een derde netelige kwestie: hoe de inhoud van Gods wil te achterhalen? Laten we ervan uitgaan dat Gods wil zich openbaart, in geschrift of direct door het geweten van gelovigen. Zolang de geopenbaarde wilsinhoud voor alle gelovigen dezelfde is, zullen we de noodzaak van legitimering van onze normen niet voelen. Die noodzaak ontstaat pas indien gelovigen Gods wil verschillend interpreteren. Het probleem is dat zodra hierdoor de noodzaak tot legitimering van normen rijst, de rechtvaardiging door een beroep op Gods wil niet meer werkt. De situatie die nu ontstaat heb ik ooit het sectariërsdilemma genoemd. A en B beroepen zich in een normconflict beiden op Gods wil om tegenstrijdige morele standpunten te rechtvaardigen. Het dilemma is het volgende. Ofwel het beroep op Gods wil van A en dat van B zijn evenveel waard. Maar dan zijn ze niets waard, omdat A en B van mening verschillen. Ofwel A verklaart dogmatisch en ondemocratisch dat zijn beroep op Gods wil meer waard is dan dat van B. Nu wordt verdere discussie onmogelijk en B kan hetzelfde doen.

Om dergelijke problemen te voorkomen verleenden vele religies bepaalde personen of instituten het monopolie op het vaststellen van Gods wil. In de katholieke kerk hebben pausen en concilies deze taak. Sinds het einde van de vorige eeuw is de paus zelfs onfeilbaar. Men zou hier kunnen spreken van een waarheidscriterium: de wil van God wordt alleen in waarheid vastgesteld door bepaalde daartoe aangewezen personen. Maar wat gebeurt er wanneer iemand zoals Luther het waarheidscriterium betwist en er een ander voor in de plaats stelt? Het sectariërsdilemma ontstaat opnieuw, want, zoals Pyrrho van Elis al circa 300 voor Christus ingezien schijnt te hebben, een dispuut over het waarheidscriterium is onoplosbaar. Elke poging een waarheidscriterium te bewijzen leidt tot een cirkelbewijs. Het oecumenische streven het schisma van de reformatie ongedaan te maken is gedoemd te stranden op het probleem van het waarheidscriterium, want protestanten zullen nooit de autoriteit van paus en concilies aanvaarden voor het vaststellen van de inhoud van het geloof en van Gods wil. We zien ons genoopt te concluderen dat het bestaan van God niet bewezen kan worden, dat er geen goede redenen zijn om Gods wil te gehoorzamen, en dat een beroep op deze wil niets helpt zodra er meningsverschil ontstaat over morele normen. Kortom, aan de religie zijn geen geldige argumenten te ontlenen ter rechtvaardiging van een moraal.

Dit neemt niet weg dat in de beleving van de religieuze mens religie en moraal nauw met elkaar verbonden zijn. Het geloof kan morele overtuigingen verdiepen en versterken. Het voorbeeld van Christus heeft miljoenen mensen geïnspireerd en heel veel goeds en schoons zou zonder het geloof niet tot stand gekomen zijn. Kunnen we dan niet zeggen dat het geloof noodzakelijk is als psychologische basis en versterking van de moraal, ook al zijn er geen geldige argumenten aan te ontlenen? Met deze vraag komen we op het terrein van de quaestio facti: zijn gelovigen in het algemeen moreel hoogstaander mensen dan ongelovigen? Dit is ten dele een empirische kwestie. We zouden een onmetelijke hoeveelheid historisch materiaal moeten verwerken om haar te beslechten. Bovendien: waaraan ontlenen we onze criteria voor wat als moreel hoogstaand moet gelden? We hoeven slechts de eindeloze reeks wandaden die in naam van een geloof werden begaan te overzien om over de feitelijke kwestie sceptisch te worden. Godsdienstoorlogen hebben Europa verwoest voordat in de zeventiende eeuw de tolerantie werd uitgevonden. Zoals prof. Couwenberg op 5 mei schreef berustte het apartheidsregime in Zuid-Afrika op een christelijke grondslag. In naam van Christus werden de Catharen uitgemoord en de joden vervolgd. De Sade beriep zich in Justine, wellicht ironisch, op Gods goedheid om zijn sadisme te rechtvaardigen, terwijl een prijs gezet werd op het hoofd van Rushdie in naam van Allah. Mocht iemand denken dat christenen zoiets nooit zouden doen omdat ze toleranter zijn dan mohammedanen, dan zal enige historische kennis (en kennis van de islam) hem ontnuchteren. Elke monotheïstische godsdienst draagt de kiemen van intolerantie in zich, omdat ze gelooft in het Ene Absolute Gelijk. Moeten we van het verdwijnen van monotheïstische godsdiensten niet meer moreel heil verwachten dan van een religieuze renaissance? Misschien zal het niet veel uitmaken, zoals Van den Broek en Verweij op 13 mei betoogden op grond van empirisch onderzoek van normbesef in Nederland.

Ik kom nu tot het sluitstuk van mijn betoog. Religie geeft geen geldige rechtvaardiging voor moraal. Ook is geloof geen noodzakelijke of voldoende psychologische basis voor een morele houding. Waarop berust dan de moraal, zo zal men zich afvragen. En hoe zijn morele normen te rechtvaardigen? Twee complementaire inzichten zijn fundamenteel voor het oplossen van deze problemen. In de eerste plaats: elke absolute rechtvaardiging van morele waarden op grond van een buiten de empirisch gegeven mens geplaatste grondslag, of dit nu God is, de Platoonse Ideeën, of Kants categorische imperatief, is tot mislukken gedoemd. Dit leert ons de geschiedenis van de filosofische kritiek op dergelijke funderingspogingen. In de tweede plaats: funderen of rechtvaardigen van normen is alleen nodig waar we het oneens zijn over normen en gelukkig zijn we het in feite over veel fundamentele normen eens, zodat we aan rechtvaardiging ervan geen behoefte hebben.

Hoe dit gelukkige feit van eensgezindheid te verklaren, zonder hetwelk een samenleving onmogelijk zou zijn? Laat ik de belangrijkste oorzaken noemen. Ongetwijfeld is er in mensen een genetisch verankerde neiging tot sociaal of tot asociaal gedrag. Indien men een gelijke distributie van deze twee neigingen onder een aanvangspopulatie aanneemt, maakt de evolutietheorie begrijpelijk dat de neiging tot sociaal gedrag, een aangeboren sympathie voor de medemens, op den duur zal prevaleren. Een man die een penchant heeft voor het opeten van zijn kinderen en het vergiftigen van zijn vrouw, zal weinig overlevende nakomelingen produceren. En omdat de mens nu eenmaal een kuddedier is, zullen volkeren waarvan de individuen met elkaar samenwerken in de strijd der volkeren winnen van volkeren waarin verdeeldheid heerst. Naast deze biologische basis voor morele eensgezindheid is er een cultuurhistorische. De morele variatie die de biologische aanleg toelaat wordt verder ingedamd doordat binnen culturen onder allerlei interne en externe pressies normen ontstaan, die van generatie op generatie in opvoeding en onderwijs worden doorgegeven. Ook op deze historisch gegroeide normpatronen kan men per analogie de evolutietheorie toepassen. We zouden culturen en normsystemen kunnen beschouwen als morele experimenten op macroniveau, die onder verschillende omstandigheden kunnen slagen of mislukken. De Atheense democratie, de vroeg-christelijke commune, het stalinisme en het nazisme waren dergelijke morele experimenten. Ze zijn alle vier mislukt doordat ze overwonnen werden door sterkere structuren, doordat ze tezeer conflicteerden met aangeboren morele neigingen en behoeften, of doordat ze tenondergingen aan organisatorische en economische feilen.

Het is belangrijk te beseffen dat ook onze huidige westerse sociaal-democratie een moreel experiment vormt en dat dit experiment kan mislukken, bij voorbeeld doordat we deze samenlevingsvorm als zo vanzelfsprekend gaan beschouwen dat we vergeten haar telkens te onderhouden, te verbeteren en aan te passen aan nieuwe omstandigheden. De belangrijkste morele uitvinding die aan de westerse democratie ten grondslag ligt is het respect voor individuele vrijheid in de keuze van godsdienst en levensovertuiging en de daarmee samenhangende onderscheidingen tussen privé-moraal en publieke moraal en tussen kerk en staat. In tegenstelling tot totalitaire en religieuze staatsvormen laat de westerse democratie het aan de burger over volgens welke normen hij zijn leven wil inrichten, mits hij daarbij de normen van de publieke moraal, die deze vrijheid garanderen, niet schendt. De publieke normen voor moraal en recht zijn deels procedureel: ze bevatten regels voor het vreedzaam oplossen van normconflicten en voor het afbakenen van de sfeer van de privé-moraal. Elke burger heeft binnen dit systeem de mogelijkheid nieuwe morele desiderata te uiten die, indien ze weerklank vinden (de arbeidersbeweging, het feminisme), ook de publieke moraal en het recht kunnen beïnvloeden. De westerse democratie is in wezen liberaal, omdat ze persoonlijke vrijheid respecteert, maar allerminst moreel neutraal. De publieke moraal waarop ze berust verschilt fundamenteel van die van totalitaire staten en theocratieën en we moeten deze publieke moraal onophoudelijk verdedigen, indien we tenminste democraat willen zijn.

Juist deze publieke moraal wordt nu door vele gevaren bedreigd. Van buitenaf bij voorbeeld door de groeiende stromen van immigranten die niet uit democratische staten afkomstig zijn. Indien deze stromen te groot worden zal de historisch gegroeide consensus waarop onze sociaal-democratie berust, eroderen. Men kan van immigranten niet zomaar verwachten dat ze de morele attitudes bezitten die noodzakelijk zijn om een samenleving als de onze in stand te houden. Men kan het ze ook niet kwalijk nemen dat ze Nederland zullen ervaren als een luilekkerland, waar men niet hoeft te werken omdat men met een klein beetje fraude (en wat is fraude voor iemand die gewend is de staat als een repressieve vijand te ervaren?) tien uitkeringen kan toucheren. De immigratiestromen zullen dus niet te groot mogen worden (ook al vanwege de overbevolking van ons mini-landje) en we zullen de immigranten met zorg en liefde het democratische spel en de bijbehorende publieke moraal moeten leren.

Van binnenuit wordt de publieke moraal bedreigd door slechte wetgeving en onvoldoende controle op de naleving der wetten. Indien de wetten de muren van de staat vormen, zoals Bolkestein zegt, zijn de politici, die deze wetten opstellen en de naleving ervan bewaken, verantwoordelijk voor de bouw en het onderhoud der muren. Worden er niet in toenemende mate slechte muren gebouwd en wordt het onderhoud ervan niet verwaarloosd? Een wet waarvan de naleving moeilijk te controleren is, zoals bijna alle wetten voor uitkeringen en subsidies, is een wrakke muur. Indien deze wetten onbetaalbaar worden, zoals nu het geval is, zal alleen een onverantwoordelijke bouwheer ze ongewijzigd laten bestaan. En als wetsovertreding en fraude niet vervolgd worden of onvoldoende bestraft, ondermijnt men de muren, en het huis van staat zal langzaam instorten. Het is in Nederland zover gekomen dat de brave burger, die getrouw zijn belastingbiljet invult en niet met uitkeringen fraudeert, zichzelf als een sukkel gaat ervaren. Is hij niet de dupe van zijn moraal? Wordt hij niet links en rechts ingehaald door snelle jongens, die hem uitlachen vanwege zijn morele scrupules? Zodra de brave burger dit gevoel krijgt, staat het morele faillissement van de rechtsstaat voor de deur. Het is aan de politiek, en niet aan de religie die in ons staatsbestel tot het privé-domein behoort, de publieke moraal te herstellen door moedige en effectieve maatregelen.