Aan & uit

Je zou kunnen zeggen dat we zaten te eten, want dat was zo: tussen de middag en we hadden brood, kaas, worst, chocola en fruit, van alles zat.

Je zou ook kunnen zeggen dat we van de zon zaten te genieten, want dat was ook zo: lekker warm en in de luwte.

Maar een eindje terug joeg de wind zonet nog ijzig door een joch, zichtbaar gemaakt door het kolken van rokerige wolkeslierten, voelbaar door venijnige regendruppels.

Aan onze voeten lag een onbeschrijflijke diepte, die door een kameelachtig ruggetje werd gescheiden van een nog veel grotere diepte, met een meertje op de bodem, en een vierkante hut en een met het blote oog nauwelijks als zodanig te herkennen kudde schapen.

De naakte wanden vertoonden een regelmatig golvend patroon van bruin met grijze gelaagdheden.

Dat wou zeggen: soms.

Je hoefde maar met je ogen te knipperen of dit alles verdween in de wolken. Ze kwamen van beneden en het harde van de bergen gaf die wolken vorm, het zachte van de wolken borg die bergen op. En daarna was een zucht genoeg om alles weer te kunnen zien: de ene diepte en de andere, het groene meer, de houten hut, de verre schapen en de bruin met grijs gestreepte wanden.

Zo ging de wereld heen en weer, aan en uit.

Was er nog thee?

Er was nog thee.