'Zorg' in Marokkaans tehuis was slaag

Een jaar geleden gold Ismaël nog als bewijs dat criminele Marokkaanse jongens het best door hun landgenoten konden worden heropgevoed. Nu is hij kroongetuige voor de tegenstanders van wat de 'categorale' aanpak wordt genoemd. De justitiële inrichting Amal van binnenuit.

AMSTERDAM, 7 SEPT. Ismaël Heirouche (17) was een van de eerste bewoners van de categoraal-Marokkaanse 'behandelinrichting' Amal in Amsterdam. Hij kwam in mei 1993 uit het aangrenzende Jongeren Opvang Centrum en moest Amal worden binnengedragen door vier begeleiders. Slaan, schoppen, schreeuwen, krabben en bijten. “En nu, nu is hij onze beste leerling”, zo vertelde de coördinator van de inrichting, Mimoun Ouariachi, een jaar geleden nog trots aan deze krant. Ismaël was opgebloeid in Amal, het levende bewijs dat de exclusief-Marokkaanse aanpak van jonge boefjes hielp.

Nu loopt Ismaël alweer een paar maanden vrij rond. Als hij zijn verhaal komt vertellen, heeft hij net een dag kisten vol bloembollen gesjouwd. Een van de baantjes die hij aanneemt tot hij ergens naar school kan. Hij wil terug naar de HAVO-afdeling van het Mondriaan-college in Amsterdam-west, waar hij vorig jaar door Amal was aangemeld. Wat coördinator Frits Prior van die school betreft is dat geen probleem. “Hij is ons goed bevallen.”

Toch werd deze 'doorsnee-leerling' in diezelfde periode in Amal regelmatig in isolatie opgesloten en vaak geslagen. Wie hem ziet, een Kruimeltje-achtig jochie met donkere krullen, heeft moeite dat te vatten. Van de trots over deze model-pupil is kennelijk niet veel overgebleven. “Lijfstraffen worden hier niet toegepast”, stelde Ouariachi een jaar geleden nog beslist. Nu zitten drie van zijn medewerkers in de cel wegens zware mishandeling.

De jongensgrijns vervaagt achter een wolk sigarettenrook. Ismaël is zelf de eerste om toe te geven dat hij 'lastig' is. Zijn curriculum weerspreekt het vrolijke gezicht. Hij heeft veel inrichtingen van binnen gezien. Van de Haaiakker in Breda tot de jeugdgevangenis 't Nieuwe Lloyd in Amsterdam. “Ze zeggen dat het Lloyd de zwaarste jeugdgevangenis is”, zegt Ismaël met de overtuiging van de kenner. “Maar Amal is veel zwaarder.”

Zijn verhaal is dat van zoveel jongens met een Marokkaanse achtergrond. Vader in de WAO, spijbelen van school, op pad met de verkeerde vrienden, blowen, stelen. En het eindigt altijd voor de kinderrechter - of erger.

Juist voor deze jongeren, onder wie recidive enorm hoog is en met wie 'gewone' inrichtingen weinig resultaten boeken, stelde het Sociaal-agogisch centrum in Amsterdam een nieuwe aanpak voor. De 'startnota' uit 1992 die ten grondslag ligt aan Amal, omschrijft de visie als volgt: “Hulpverlening aan een bepaalde etnisch/culturele groep in de samenleving (kan) zeer effectief zijn wanneer deze overwegend wordt uitgevoerd door vertegenwoordigers van diezelfde groep.”

Wedezijds respect is, nog steeds volgens dezelfde nota, de basishouding in de inrichting. “Naar Marokkaans islamitische zienswijze handelt de jongere met respect ten opzichte van de oudere en kent hem op natuurlijke wijze gezag toe. De oudere, op zijn beurt, neemt de jongere bij de hand om hem de weg te wijzen. Teder en met ouderlijke zorg.”

De eerste tijd deed Ismaël enorm zijn best, geholpen door Amal-leraar Khalid Batou. De zomermaanden van 1993 herinneren ook andere pupillen van Amal zich als een goede tijd. Mouatacim Ouchene (17), die tegen zijn zin in de inrichting was geplaatst, is van alles beloofd. “Ik mocht naar school. Later zouden we vaker buiten komen. We zouden uitstapjes maken.”

Amal werd zorgvuldig 'behandelinrichting' genoemd, vooral niet 'gevangenis'. Maar het hoofd van de 'groepswerkers' (en niet: 'bewakers') nam een verleden als gevangenbewaarder in 't Nieuwe Lloyd mee. Hij kopieerde de huisregels van zijn oude betrekking en stelde die in Amal in. En net als in de gevangenis heerste in de Marokkaanse inrichting vooral verveling. Mouatacim: “De groepswerkers legden hun benen op tafel, pakten de afstandbediening en keken tv.” Ismaël: “Ze zaten overdag in hun werkkamertjes naar de radio te luisteren en bekommerden zich niet om ons.”

Van enige bekommernis was pas sprake als er conflicten waren. De eerste grote ruzie was bij de officiële opening. De jongens hadden erbij mogen zijn toen staatssecretaris Kosto vorig jaar september Amal in gebruik stelde. De belofte werd weer ingeslikt en de jongens werden opgesloten in de sporthal. Onder leiding van Ismaël is daarbinnen de boel afgebroken. Daarna heeft nooit meer iemand hem 'model-leerling' genoemd. “Je bent een intrigant”, zei hoofd van Amal J. Krist en hij las Ismaël de betekenis van het woord voor uit het woordenboek.

Vanaf dat moment was de 'basishouding' omgeslagen. Stelselmatig werden jongens gestraft met isolatie en slaag. Mouatacim en Ismaël sommen de geslagen jongens op. Akatou, Mohammed, een andere Ismaël, Said, Mouniem, Otman, Youssef. En zijzelf natuurlijk. Beiden noemen vooral Mohammed Bouzambou, part-time karateleraar in een buurthuis in Amsterdam-west, en Mohammed Soussi als agressieve groepswerkers.

Toen leraar Khalid even voor kerst werd ontslagen, had Ismaël weinig zin nog te blijven. Hij liep weg en ging keurig naar huis. Bleef wel naar school gaan. “Hij hield zich voorbeeldig aan de afspraken”, aldus school-coördinator Prior. Maar opeens bleef hij weg van school. Hij had zich weer aangesloten bij zijn oude straatvrienden. In mei zat hij alweer in Amal.

Daar was de basishouding ten aanzien van Ismaël nog niet veranderd. Bij een ruzie op 2 juni kreeg hij een klap op zijn kaak en schoppen tegen zijn lichaam. Pas de volgende dag mocht een dokter hem onderzoeken en die constateerde een 'geforceerde kaak', zoals Ismaël met het doktersbriefje bewijst.

Omdat hij niet viel te handhaven, is hij een paar dagen later overgeplaatst naar 't Nieuwe Lloyd. In het busje vroeg hij Soussi en Bouzambou pesterig hoeveel ze nou betaald kregen om kleine jongens te slaan. De een hield hem daarop vast, de ander gaf hem een aframmeling. “Ze noemen zichzelf islamitisch”, zegt Ismaël met zoveel mogelijk dédain in zijn stem. “Maar als ze islamitisch waren, zouden ze nooit slaan.”