Twijfelachtige rol van de Nasa in onderzoek naar dikte ozonlaag

Gaat het nu goed of slecht met de ozonlaag? Zelfs onderzoekers die de ontwikkelingen in dit opzicht op de voet volgen lijken het spoor zo langzamerhand bijster. Met de gegevens die deze week beschikbaar kwamen moet het antwoord waarschijnlijk zijn: het gaat minder slecht met de ozonlaag dan het een tijd heeft geleken en er zijn aanwijzingen dat een snel herstel van de - toch - wat uitgedunde laag mogelijk is.

Daarbij moet worden aangetekend dat het bizarre, en onheilspellend groeiende gat aan de zuidpool een eigen leven lijkt te leven en dat nieuwe inzichten in fysica en chemie van de stratosfeer aannemelijk maken dat ook boven de noordpool 'zuidpoolchemie' kan optreden.

Een feitelijke uitdunning van de ozonlaag is nog geen tien jaar uit waarnemingen bekend. In de periode 1970-'85, waarin de aandacht voor de ozonlaag begon te groeien, was een aantasting van de ozonlaag nog pure theorie. Omstreeks 1970, toen de supersonische Concorde in aanbouw was, bleek uit onderzoek dat het gebruik van supsersonische transportvliegtuigen (SST's), die in de onderste laag van de stratosfeer vliegen, het ozon daar konden aantasten omdat zij met hun verbrandingsgassen NO x in die laag brengen. Direct is gewezen op het extra risico op huidkanker dat daarvan te verwachten viel.

Omstreeks dezelfde tijd liet de Amerikaanse ruimtevaart-organisatie NASA door de universitaire onderzoekers Stolarski en Cicerone nagaan of de vaste, chloorhoudende brandstof van de raketten die de NASA dwars door de stratosfeer schoot geen invloed konden hebben op ozon. Zeker kon dat, meldde Stolarski, maar onder druk van de NASA gaf hij geen ruchtbaarheid aan zijn bevindingen: op congressen noemde hij steeds alleen vulkanen als chloorbron. De NASA dwong hem ook een artikel voor Science, waarin hij de raketbrandstof wel noemde, in te trekken.

Toch kwam er aandacht voor chloor. Nadat James Lovelock (van de 'Gaia-hypothese' over de aarde-als-levend-organisme) in 1973 berichtte dat de drijfgassen uit spuitbussen, de beruchte chloorhoudende cfk's, zich begonnen op te hopen in de atmosfeer, meldden Rowland en Molina in 1974 in Nature dat ook het chloor van die cfk's de ozonlaag bedreigde.

Er kwamen hoorzittingen in het Amerikaanse congres (1975) en de NASA maakte van de nood een deugd: zij vroeg en kreeg de leiding in het gewenste ozononderzoek, dat immers ook vanuit satellieten kon worden uitgevoerd. De op gang gekomen 'spuitbusoorlog' bracht de milieubewuste president Carter in 1978 tot een verbod op de toepassing van cfk's in spuitbussen.

De VN-conventie van Wenen (maart '85) leverde de gewenste mondiale aandacht voor de bedreiging van de ozonlaag maar kwam helaas twee maanden vóór de verschijning van het vermaarde artikel in Nature waarin Farman bekend maakte dat hij sinds 1982 in oktober een 'gat' in de ozonlaag boven de zuidpool vond. Achteraf bleek dat de weersatelliet Nimbus-7 van de NASA dat gat al een paar jaar eerder had gezien, maar dat de NASA de metingen als onrealistisch had afgedaan.

Omstreeks 1987 viel uit de metingen van de satelliet Nimbus af te leiden dat ook boven gematigde breedten een geringe teruggang van de ozonlaag optrad. Dat feit, en Farmans zuidpoolgat, gaven een VN-conferentie in Montreal de middelen om in het bekende 'Protocol' (september '87) op produktiebeperkingen voor cfk's en halonen aan te dringen.

In februari 1992 voorspelde de NASA, waarvan het budget toen zwaar onder druk stond, tegen afspraken met Europese ozon-onderzoekers in op een dramatische persconferentie ook een ozongat van zuidpool-omvang boven het noordelijk halfrond. Gevolg: commotie bij beleidsmakers, veel ad hoc-maatregelen en woede bij de Europese onderzoekers die zich veel minder verontrust toonden.

Het gat is er niet gekomen. Wel trad in '92 en '93 een versnelde ozonverdunning op, maar die wordt nu geheel toegeschreven aan de uitbarsting van de Pinatubo in juni '91. Het stof dat de vulkaan tijdelijk in de stratosfeer blies, en dat zelf niet chloorhoudend bleek, versterkte de invloed van chloor en broom dat daar uit cfk's en halonen vrijkomt. Sinds september '93 treedt een krachtig herstel op van de ozonlaag boven gematigde breedten. Ozondeskundige dr. D. de Muer van het Belgische KMI, die zijn zorgvuldige - en onwelkom geruststellende - ozonwaarnemingen in 1988 ernstig door de NASA gemanipuleerd zag, is weer terug op zijn oude standpunt dat hij na correctie voor het Pinatubo-efffect in zijn waarnemingsreeks sinds 1971 geen significante trend vindt in de dikte van de ozonlaag boven Ukkel. “Over andere gebieden doe ik geen uitspraak.”

De afgelopen zomer heeft Stolarski, inmiddels NASA-medewerker, op congressen in Washington en Lillehammer officieus toegegeven dat de al bekende ontregeling van de meetapparatuur van de Nimbus-7 groter was dan het had geleken en dat de NASA de ongunstige ozontrends voor de gematigde breedten ernstig had overschat. De recente mededeling van de WMO dat de ophoping van cfk's en halonen in de atmosfeer begint af te vlakken completeert het goede nieuws.

Daar staat, zegt dr. H. Kelder van het KNMI, ook minder goed nieuws tegenover. Wat al het onderzoek heeft aangetoond, is dat de ozonlaag zeer kwetsbaar is voor geringe verstoringen en dat een nieuwe zware vulkaanuitbarsting boven de noordpool nieuwe versterkte ozonaantasting kan veroorzaken. Ook wordt, zegt hij, steeds duidelijker dat ozonaantasting en broeikaseffect niet los van elkaar gezien kunnen worden. Waarschijnlijk onder invloed van de kooldioxyde-ophoping en het geringe ozonverlies, is de onderste laag ven de stratosfeer de laatste jaren duidelijk aan het afkoelen. Daardoor kan op den duur de stratosfeer boven de noordpool de eigenschappen krijgen die boven de zuidpool het gat doen ontstaan. “Dat is erg verontrustend”, aldus Kelder.