Promovendus pleit voor 'terreur-wet'

ROTTERDAM, 7 SEPT. Bij de gijzeling van de 56-jarige kolonel van de Kieft in 1989 liep van alles mis in het crisiscentrum in Arnhem. De Bijzondere Bijstandseenheid had geen toestemming van de procureur-generaal om geweld te gebruiken, maar kreeg te horen dat de scherpschutters hun gang konden gaan. Bij zijn bevrijding werd de kolonel door het hoofd geschoten. De gijzelnemer, een Duitse crimineel, blijft ongedeerd.

In 1970 ging minister van binnenlandse zaken Beernink (CHU) over de schreef toen hij na de bezetting van de Indonesische ambassade de politie bevel gaf om Molukkers uit Den Haag te weren tijdens het staatsbezoek van de Indonesische president Suharto. Het zijn twee voorbeelden van onconstitutioneel optreden bij terrorisme en ontvoeringen; meer heeft politicoloog E. Muller niet kunnenvinden. Hij promoveert vandaag op het proefschrif 'Terrorisme en politieke verantwoordelijkheid. Gijzelingen, aanslagen en ontvoeringen in Nederland'. Muller onderzocht vijftien ingrijpende gijzelingsacties, bomaanslagen en ontvoeringen, van de bezetting van de Indonesische ambassade in Wassenaar in 1970 tot de bomaanslagen van RaRa in 1991.

Dat de besluitvormers meestal binnen de wettelijke kaders bleven, komt niet door de waakzaamheid van het parlement. Onder Kamerleden is het not done om bewindslieden kritisch te ondervragen over hun handelen tijdens een crisis, omdat ze bang zijn de verdenking op zich te laden politieke munt te slaan uit de terreuractie. Ook de relatief goede afloop van de terreuracties heeft die parlementaire terughoudendheid bevorderd. “De regering informeert het parlement, het parlement steunt de regering en beide gaan over tot de orde van de dag”, schrijft Muller.

Dat de besluitvormers van hun speelruimte tot dusver geen misbruik hebben gemaakt, hangt volgens de politicoloog samen met het normbesef van Nederlandse bestuurders. Muller: “Men is er zich zeer van bewust dat je terroristen in de kaart speelt als je bij de bestrijding ervan de rechtstaat opzij schuift.” Niettemin is een meer actieve rol van het parlement wenselijk. Muller: “Anticiperen op de latere verantwoordelijkheid moet een tweede natuur van besluitvormers zijn. Dat is op lange termijn de enige garantie dat die terughoudendheid om buitenwettelijke middelen te gebruiken ook standhoudt. Deze generatie besluitvormers heeft geen ervaring met terrorisme.”

In de jaren tachtig werden de autoriteiten vooral geconfronteerd met gijzelingsacties met een criminele achtergrond, zoals de ontvoering van Gerrit-Jan Heijn in 1987 of van kolonel van de Kieft in 1989. Besluitvorming daarover liet men aan direct verantwoordelijken bij politie en justitie over. Op aanslagen door RaRa, ETA en IRA na, is Nederland verschoond gebleven van terreur. Voor die relatieve rust bestaat nog geen verklaring. Muller merkt op dat politieke tegenstellingen in het Nederlandse consensus-model worden gedempt. “En over het feit dat internationale terreurgroepen Nederland links laten liggen, bestaat een theorie die ik u niet wil onthouden. Ze zouden een afspraak hebben gemaakt in Nederland geen aanslagen te plegen, omdat ze ons land liever gebruiken om uit te rusten en nieuwe aanslagen voor te bereiden.”

Door die relatieve rust dreigt expertise over de behandeling van een langlopende gijzelingen of een aanslagengolven verloren te gaan, zo vreest de politicoloog. Dat gevaar dreigt niet zozeer op het operationele vlak, maar in de hogere echelons van de besluitvorming.

Muller: “Er is voldoende competentie bij de bijzondere eenheden, arrestatieteams, mariniers of inspecteurs die onderhandelingen moeten leiden. Maar in de jaren zeventig hebben de besluitvormers - ministers, burgemeesters, procureurs-generaal, officieren van justitie - uitgebreid besproken hoe ver ze konden gaan en wie voor wat verantwoordelijk was. Dat is deels vastgelegd in richtlijnen en draaiboeken, maar nooit systematisch. Dat werkt onduidelijkheid over de gezagsverhoudingen in de hand, terwijl er bij dit soort zaken van alles kan mislopen in de verhoudingen tussen bestuur, openbaar ministerie en politie. Structuren en procedures voor de besluitvorming moeten formeel vastgelegd worden. We hebben een rampenwet maar Nederland zou ook een terrorisme-wet kunnen gebruiken.”