Platform: Overheid geeft 'misleidende' informatie over HSL

DEN HAAG, 7 SEPT. De overheid verspreidt via de beleidsnota over de hoge-snelheidslijn onjuiste en misleidende informatie. Dit stelde het Platform Hoge-snelheidstrein gisteren in kort geding tegen de staat.

Burgers en bestuurders worden op het verkeerde been gezet en ze zijn niet in staat om op basis van juiste gegevens hun inspraakreacties op te stellen, aldus het platform. De inspraaktermijn voor de hoge-snelheidslijn (HSL) sluit op 19 september. Het ministerie van verkeer en waterstaat was niet ingegaan op eerdere verzoeken van het platform de vermeende onjuistheden te corrigeren.

Het gaat hierbij om vijf punten. Onder meer zouden in grafieken tijden en prijzen van reizen via de hoge-snelheidslijn tussen Amsterdam en Parijs, respectievelijk Londen, te gunstig worden voorgesteld in vergelijking met die via de lucht, de weg of het water. In elk geval bestaat er een verschil in de presentatie van de reistijden en prijzen in de beleidsnota en in een van de onderliggende deelrapporten.

Tevens verweet het platform bij monde van raadsvrouwe T. Deurvorst het ministerie dat het de termen hoge-snelheidslijn en hoge-snelheidstrein door elkaar gebruikt, daarmee suggererend dat beide onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het platform betwist dit: het is immers voorstander van een hoge-snelheidstrein die in de Randstad over bestaand spoor gaat.

Landsadvocaat H. Bouma gaf toe dat er bij de presentatie van de prijzen een fout was gemaakt door enkele-reisprijzen te vermelden in plaats van retourprijzen, maar hij achtte dit van onvoldoende gewicht om tot de door het platform gevorderde rectificatie over te gaan. Tevens erkende hij dat op één punt beter 'HST en HSL' had kunnen staan in plaats van 'HSL'.

De verschillen tussen beleidsnota en deelrapporten vloeien volgens Bouma voort uit verschillen van inzicht tussen de NS en het ministerie van verkeer en waterstaat.

Ook de kritiek van het platform op tabellen over de omgevingseffecten van het tracé en op de weergave van onderzoeksconclusies van het Centraal Planbureau sprak hij tegen.

Uitspraak op 9 september.