Modale belastingbetaler blijft slachtoffer

Tien miljoen Nederlanders betalen loon- en inkomstenbelasting. Belastingen verlagen het besteedbaar inkomen, maar zijn ook de prijs van de beschaving. Het verlangen naar rechtvaardigheid staat een eenvoudig fiscaal stelsel in de weg. Deel 1 van een tweeluik over belastingen: het betalen.

Belastingen zijn explosief materiaal, in het verleden was een verhoging vaak de aanleiding voor een revolutie. Meer dan vierhonderd jaar geleden was een verhoging van de omzetbelasting met tien procent de aanleiding tot de 80-jarige oorlog tussen de Zeven Provinciën en Spanje.

In Groot-Brittannië leidde aan het begin van de jaren negentig de poll tax nog tot een veldslag in Londen waarbij vierhonderd gewonden vielen. Premier Thatcher wilde met deze gemeentelijke heffing een halt toeroepen aan de groei van de overheid. Zodra de gemeente wordt gedwongen - zo luidde de redenering van Thatcher - om de lokale belastingbetaler rechtstreeks de rekening te presenteren, zal de belastingbetaler de overheid sneller corrigeren. Thatcher wilde de relatie tussen 'betalen voor' en 'genieten van' overheidsdiensten duidelijk maken. Ook op het ministerie van financiën leeft die gedachte. Het voormalig Tweede-Kamerlid Willem Vermeend, nu PvdA-staatssecretaris van financiën, heeft wel eens het idee geopperd om op de achterkant van het belastingbiljet de besteding van belastingen en sociale premies te vermelden. De belastingmoraal zou erdoor verbeteren, zo verwachtte Vermeend.

In het dagelijks leven heeft bijna iedereen met belastingen en sociale premies te maken. Een fles jenever is 11,61 gulden duurder dan de kostprijs wegens de drankaccijns. De prijs van een brood zou zes procent lager zijn als er geen omzetbelasting (BTW) over zou worden geheven. En wie het loonstrookje goed controleert, merkt dat iedere maand door de werkgever een stevig bedrag aan loonbelasting en sociale premies wordt ingehouden.

In de loop der tijd heeft de overheid via een ingenieus belastingsysteem greep gekregen op de samenleving. In het midden van de vorige eeuw formuleerde de Duitse politieke econoom Adolf Wagner de wet van de uitdijende overheidsbemoeienis. Hoe rijker een land, hoe groter de behoefte aan diensten van de overheid. Zijn stelling gaat zeker op voor de na-oorlogse ontwikkeling in Nederland. In een periode van ongekende groei ging de overheid zich intensiever bemoeien met economie en samenleving. De publieke uitgaven stegen sterk. De economische groei was lang niet voldoende om de hele uitgavengroei te bekostigen. Daarom gingen de tarieven van de belastingen omhoog en werden meer en hogere premies voor de sociale verzekeringen geheven.

Onder fiscale schriftgeleerden bestaat een twist of sociale premies tot de belastingen moeten worden gerekend. Er zijn 'verzekeringsideologen' die erop wijzen dat verzekerden aan premiebetaling bepaalde rechten op een uitkering ontlenen. Er zou dus sprake zijn van een rechtstreekse tegenprestatie; een eigenschap van belastingen is dat die relatie ontbreekt. Premies zijn dus geen belasting, maar een apart soort heffing. In het kamp van 'belastingpragmatici' wordt het onderscheid tussen belastingen en premies nogal kunstmatig gevonden. Sociale premies zijn een soort belasting waarop alleen een ander etiket is geplakt. “De plannen van het nieuwe kabinet met de WW bewijzen opnieuw dat de verzekeringsideologen ongelijk hebben”, zegt fiscaal hoogleraar Flip de Kam. Hij doelt op de rijksbijdrage van twee miljard gulden aan de WW-fondsen. “Bij de verzekering tegen brand of diefstal is de premie in overeenstemming met het risico; dat geldt niet bij de sociale verzekeringen. Het maakt voor de belastingbetaler bitter weinig uit of hij door de kat van de loonbelastingen of door de hond van de sociale premies worden gebeten.”

Het Nederlandse belastingstelsel is getekend door een lange wordingsgeschiedenis. Economische omstandigheden, politieke voorkeuren, opvattingen van ambtenaren, de macht van lobby- en pressiegroepen, en de behoefte aan rechtvaardigheid hebben tot een complex systeem van wetgeving geleid. Het belastingrecht is te vinden in een verzameling wetten en daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen. De Grondwet bepaalt dat in Nederland geen belasting wordt geheven, tenzij het in een wet is vastgelegd. In totaal zijn er ruim twintig wetten die de heffing van de belasting regelen.

De ruggegraat van het Nederlandse belastingstelsel wordt gevormd door de inkomstenbelasting en de bijbehorende voorheffing, de loonbelasting. Vorig jaar leverde deze belasting 59,8 miljard gulden op. In combinatie met de premies voor de volksverzekeringen brengen tien miljoen Nederlanders ongeveer 130 miljard gulden op; bijna zestig procent van het totaal aan belastingen en premies. De kostprijsverhogende belastingen (omzetbelastingen en accijnzen) leverden vorig jaar 69,2 miljard gulden op. De belasting op inkomen, winst en vermogen spekte de schatkist met 92,3 miljard gulden.

De Nederlandse samenleving heeft in de afgelopen decennia ingrijpende veranderingen ondergaan. “Naast het huwelijk zijn andere samenlevingsvormen ontstaan en als gevolg van de stijgende welvaart zijn er steeds meer belastingplichtigen met vermogen of een relatief hoog inkomen. Naarmate de samenleving complexer is geworden, heeft de belasting moeten voldoen aan steeds meer en sterk uiteenlopende eisen”, zegt E. Lietart Peerbolt, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Belastingbetalers. Zijn vereniging behartigt de belangen van de belastingbetaler en toetst nieuwe wetsvoorstellen op consumentvriendelijkheid.

'Fiscale hulpverleners' waarschuwden sinds het midden van de jaren zeventig voor de tendens dat de belastingwetgeving voor steeds meer mensen volstrekt onbegrijpelijk werd. Vooral de 'modale' belastingplichtige is het slachtoffer geworden. Drie van elke vier belastingplichtigen die in 1985 aangifte voor de inkomstenbelasting moeten doen, riepen de hulp van derden in. Hoewel politici regelmatig lippendienst bewezen aan het ideaal van de vereenvoudiging, is met name de loon- en inkomstenbelasting tot het midden van de jaren tachtig verloederd, constateert De Kam. De tweeverdienerswetgeving was het dieptepunt èn de aanleiding om de commissie-Oort voor de vereenvoudiging van de loon- en inkomstenbelasting in te stellen.

Op basis van deze voorstellen is fors gesaneerd in het aantal aftrekposten en het toptarief van 72 procent werd verlaagd. Op dit moment is het toptarief 60 procent en het tarief in de andere twee schijven is respectievelijk 38 en 50 procent. In 1990 bestond het tarief van de eerste schijf uit 22,1 procent premies volksverzekeringen. Dit percentage is in de loop der tijd gestegen tot 31,2 procent. In vergelijking met het buitenland lopen de belastingtarieven niet uit de pas, de sociale premies wel.

Bijna zeventig procent van de belastingplichtigen valt met het gehele inkomen in de eerste schijf. Met een verlaging van dit tarief zijn dan ook zeer omvangrijke bedragen gemoeid: circa 2,6 miljard gulden per procentpunt. Een tariefverlaging in de tweede of derde schijf kost aanzienlijk minder, namelijk 0,45 respectievelijk 0,2 miljard gulden.

De Nederlandse fiscale wetgeving met veel nuanceringen naar draagkracht is complex. Naarmate regelgeving voor de belastingbetaler minder begrijpelijk wordt, zal de weerstand tegen fiscale regelingen groeien. Maar een wetenschappelijk verantwoord en eenvoudig wetsvoorstel staat nog niet borg voor een werkbare oplossing in de praktijk, schrijven ambtenaren van financiën in de onlangs gepubliceerde 'Bouwstenennotitie'. De loon- en inkomstenbelasting kan worden opgeheven als iedere inwoner ieder jaar ongeveer 8.500 gulden afdraagt. Het verlangen naar rechtvaardigheid staat een eenvoudig fiscaal stelsel in de weg.