Meer vrije tijd kan veel klachten verhelpen

Privatisering van de WAO zal leiden tot een negatieve kettingreactie. Bedrijven die hoge premies moeten gaan betalen zullen proberen hun oudere werknemers en masse te lozen. Een betere verdeling tussen arbeid en vrije tijd en een solidaire premieheffing zal het aantal arbeidsongeschikten wel kunnen verlagen, meent Ruud Vreeman.

Professor Sweder van Wijnbergen begrijpt niet waarom de linkervleugel van de PvdA premie-differentiatie en privatisering van de WAO kritisch bekijkt (NRC Handelsblad, 27 augustus). Waarom zou een sector met een laag WAO-risico een sector met een hoog risico subsidiëren?, zegt hij. En door de kosten in de sector te leggen, wordt toch de druk hoger om de veiligheid daar te vergroten. Dat er een risico-selectie aan de poort zal zijn, kan opgelost worden met 'civil rights'-wetgeving.

Om met dit laatste te beginnen, hier is sprake van naïviteit. De gedachte dat, zeker in een ruime arbeidsmarkt, door dit type wetgeving gezondheidsselectie kan worden voorkomen, is een illusie. Ook nu al is leeftijd in veel gevallen een doorslaggevend selectiecriterium. De noodzakelijke reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten zal nog verder belemmerd worden.

Hoe zal het eigenlijk gaan als in risicovolle sectoren duidelijk wordt dat de premies die werkgevers moeten gaan betalen meer dan verdubbeld gaan worden? In een sector als de bouw zullen de loonkosten aanmerkelijk stijgen, en dit zal doorwerken in de prijzen van huizen en huren. In arbeidsintensieve sectoren waar de marges klein zijn en de internationale concurrentie groot is, zal de vraag van de betaalbaarheid van de premie in relatie tot het werkgelegenheidsverlies op het bord van de werknemers terechtkomen. Een eerste reactie kan zijn: het nog verder verjongen van de bedrijfstak. Met alle vindingrijkheid probeert men van werknemers boven de vijftig jaar af te komen. Een tweede reactie is dat de nu in een regeerakkoord vastgelegde polisvoorwaarden (de hoogte en duur van de uitkering) zwaar onder druk komen te staan. De stap naar een verlaging, met weer de reactie van het collectieve en dure bijverzekeren is voorspelbaar.

Een andere reactie kan zijn het opnieuw introduceren van de discussie over 'risque professionel'. Een heilloze weg, die zeker nu 'rugklachten' en 'stress' belangrijke gezondheidsklachten blijken, vooral één effect zal hebben: de uitbreiding van de werkgelegenheid van juristen.

Het is goed om toch weer eens naar achtergrond van het grote aantal WAO'ers in Nederland te kijken. Tot de leeftijdscategorie van vijftig jaar wijkt ons land qua arbeidsongeschiktheid nauwelijks af van andere landen. Het cijfer ligt zelfs lager dan in de VS en Groot-Brittannië. Boven de vijftig jaar is het cijfer echter hoog.

De lage arbeidsparticipatie in ons land is dus vooral het probleem van de uitstoot uit de betaalde arbeid van oudere werknemers. Ook wat betreft het klachtenpercentage over gezondheid en arbeid wijkt Nederland slechts op één punt af van andere landen. Nederland is koploper in Europa met klachten over een te hoge werkdruk, als gevolg van de arbeidsintensiteit. De klachtenpercentages over arbeidsomstandigheden als vuil werk, lawaai, lichamelijk zwaar werk en dergelijke zijn de laatste vijftien jaar relatief constant gebleven, de klachten over het te hoge werktempo zijn spectaculair gestegen. Zien we daarbij dat in de jaren tachtig het aantal arbeidsuren van onze beroepsbevolking tot vijftig jaar op weekbasis gestaag toeneemt en het aantal vrije uren afneemt, dan ligt hier de kern van de probleemstelling om het aantal WAO'ers terug te dringen. In het paarse regeerakkoord zal dan de oplossing van dit vraagstuk gezocht moeten worden bij de bron. Dus in de paragraaf waar gepleit wordt om arbeidstijden, zorg en hersteltijd gedurende de levensloop van een werknemer in een nieuw evenwicht te brengen. De weg naar een meer ontspannen arbeidsorde moet worden ingeslagen. Meer dan de privatisering en differentiatie van de WAO, zal dit beleid gekoppeld aan solidaire premieheffing en een bedrijfsmatige reorganisatie van de uitvoering een zowel sociaal als economisch sterkere richting zijn.

Van Wijnbergen vindt het 'op de helling' zetten van de algemeen verbindend verklaring (AVV) van CAO's de tweede belangrijkste vernieuwing in het regeerakkoord. Nu is deze aanpassing beperkt tot het bevorderen van functies tussen het minimumloon en de laagste CAO-schalen. Daar is veel voor te zeggen. Maar als deze lijn van denken doorzet, gaan we in een richting die raakt aan de relativering van het meest structurerende element van de Westeuropese arbeidsverhoudingen, namelijk de bedrijfstak-CAO. Hier gebeurt iets eigenaardigs. Terwijl in alle hooggeïndustrialiseerde landen van het vasteland van Europa sprake is van vrijwillige of verplichte AVV, oriënteren wij ons niet meer op die landen, maar op Groot-Brittannië. Een land dat op veel aspecten, zowel economisch als sociaal zwakker scoort dan het vasteland van Europa. Het CAO-bereik is er veel geringer, met als gevolg de sterke toename van de inkomensongelijkheid. En niet alleen op dit punt wreekt zich een gebrek aan bedrijfstakcoördinatie.

Het door Van Wijnbergen gepropageerde Duitse leerlingstelsel is een typische uitdrukking van het in dit land ontwikkelde systeem van arbeidsverhoudingen met de tripartite betrokkenheid en de sectorale CAO. Vergelijkende landenstudies laten zien hoe sterk gedecentraliseerde arbeidsverhoudingen en zwakke vakorganisaties het beroepsonderwijs negatief beïnvloeden. Immers het gevaar dat het ene bedrijf zijn investering op scholingsgebied bestraft ziet met het vertrek van de geschoolde werknemer leidt tot het achterblijven van inspanningen op dit gebied. Het effect op de concurrentiekracht van een land laat zich raden. Tegenover dit pleidooi van het positief waarderen van de structuursamenhang van de CAO's kan gesteld worden dat de toetredingskans voor laaggeschoolden op de Britse arbeidsmarkt groter is dan elders en dat men sneller uit de recessie komt. Maar daarbij moet vastgesteld worden dat de recessie eerder begon en veel diepere sporen trok: de tweedeling werd er scherper.

Als we de twee modellen van de arbeidsverhoudingen en hun sociale en economische consequenties tegen elkaar afwegen dan pleit veel voor een modernisering uit de traditie van het vasteland van Europa. Het relativeren van het AVV, de CAO, de wettelijke basis van de medezeggenschap, de arbeidswetgeving en in het verlengde daarvan van de maatschappelijke rol van vakbeweging en werkgeversorganisatie is een zeer riskante weg. John Kay, die in 'Foundations of corporate succes' (1993) een analyse maakte van de factor die succes van ondernemingen bevordert noemt lange-termijnstabiliteit en continuïteit, als belangrijkste voorwaarden voor veranderingsgezindheid en flexibiliteit. De tegenwoordige dominante Trans-Atlantische richting in politiek en bedrijfsleven levert volgens hem uiteindelijk meer verlies op dan winst.