Konrad Wolf tussen Moskou en Berlijn

Retrospectief Konrad Wolf. In: Delft, Filmhuis; Rotterdam, Goethe-Institut.

In tegenstelling tot het pakket oudere Cubaanse speelfilms, waaraan het Rotterdamse filmtheater Lantaren/Venster vanaf volgende week een retrospectief wijdt, is het werk van de Oostduitse regisseur Konrad Wolf (1925-1982) in Nederland tamelijk onbekend. Toch is het merkwaardig dat ook het Rotterdamse Goethe-Institut en het Filmhuis Delft kozen voor de presentatie van de filmische neerslag van een failliet verklaard gedachtengoed.

Wolf was, evenals het latere hoofd van de Oostduitse spionagedienst Markus Wolf, de zoon van een joodse en communistische schrijver-arts, die in de jaren dertig met zijn gezin naar Moskou uitweek. Konrad Wolf nam tijdens de oorlog dienst in het Rode Leger en bereikte zo in 1945 Berlijn weer. Die ervaring verwerkte hij in een van zijn bekendste films, Ich war 19 (1968).

Wolf deed zijn eerste filmervaringen, na een opleiding aan de Moskouse filmschool, op als assistent van Joris Ivens bij Freundschaft siegt (1952) en van Kurt Maetzig bij de hagiografie Ernst Thälmann (1954). Die films zijn uiteraard niet te zien in het programma van acht films, die een adequate selectie vormen uit het 13 titels omvattende oeuvre, al ontbreekt merkwaardigerwijs de bekendste, Mama ich lebe ('77).

Wolfs beste films speelden zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook maakte hij speelfilms over artiesten (Goya, 1971; Der nackte Mann auf dem Sportplatz, 1977). Wolf was zelf eerder een bekwaam vakman dan een moedig kunstenaar, al toonde hij in zijn laatste film Solo Sunny (1980), over een Oostberlijnse popzangeres, voor het eerst - en met verrassend succes - de alledaagse problemen van gewone DDR-burgers. Het is de vraag of hij de Wende heelhuids doorstaan zou hebben.