Huidige VUT-regeling heeft zich overleefd

Met de komst van het kabinet Kok is de aftakeling van de VUT in een tempoversnelling gekomen. Niet in de laatste plaats door een frontale aanval van PvdA, VVD en D66 op de mogelijkheid van vervroegde uittreding voor overheidspersoneel. Bovendien neemt in het bedrijfsleven het enthousiasme over de huidige VUT-regeling snel af. Werkgevers, die de VUT gebruikten als goedkope 'dumpplaats' voor overtollig personeel, kunnen bij de economische opleving ervaren medewerkers niet langer missen. En jongeren werknemers voelen er, zeker in het huidige klimaat van individualisering, weinig meer voor de premies op te brengen voor een regeling, waarvan zij straks vrijwel zeker toch niet meer zullen profiteren.

Het recht op gebruik van de VUT-regeling wordt, als het aan het kabinet ligt, beperkt tot werknemers met tenminste veertig dienstjaren. Als deze maatregel per 1 april 1995, wanneer de huidige CAO's voor overheidspersoneel aflopen, ingaat levert dat volgens berekeningen van het Centraal Planbureau in 1998 een besparing op van ongeveer 1,1 miljard gulden.

De bonden van overheidspersoneel zijn woedend. “Die bezuiniging op de VUT is in strijd met alle gemaakte afspraken,” zegt de secretaris van de grootste belangenbehartiger aan werknemerszijde, de Algemene Centrale voor Overheidspersoneel (ACOP), X. den Uyl. De aangekondigde bezuiniging is volgens Den Uyl “ondoordacht en contraproduktief”. “Een bezuiniging van 1 miljard gulden op de VUT,” zegt Den Uyl, met een verwijzing naar ambtelijk onderzoek van enkele jaren terug, “leidt tot 750 miljoen gulden aan extra kosten wegens toenemende ziekte en arbeidsongeschiktheid van oudere werknemers.”

Bovendien komen er volgens hem bij afschaffing van de VUT “structureel twintigduizend jonge mensen minder aan de bak bij de overheid”. Die zouden immers de openvallende arbeidsplaatsen bezetten. “Wat schieten we er dan mee op.”. Den Uyl betwijfelt de instructies van het kabinet Kok tot uitvoering zullen komen. “De VUT is geen rijksuitgave à la de studiefinanciering, die de overheid eenzijdig ter discussie kan stellen. De VUT betalen werkgever en werknemers toevallig samen. Daar moet dus over onderhandeld worden.”

Bij dat “samen betalen” moet wel een kanttekening worden geplaatst. Tot nu toe heeft nog geen enkele ambtenaar ooit VUT-premie betaald. De VUT voor overheidspersoneel werd tot op heden namelijk voor het leeuwedeel gefinancierd uit beleggingswinsten van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Nu dat ABP in enkele tranches wordt geprivatiseerd moeten ambtenaren (en overheden) ineens wel premie gaan betalen. Een premie die binnen vijf à zes jaren kostendekkend moet zijn en dan een stevige hap uit het bruto inkomen van ambtenaren zal wegnemen.

Geen wonder dus dat er ondanks het verzet tegen de miljardenbezuiniging op de VUT wel met de bonden van overheidspersoneel te praten is over aanpassing van de regeling. “Wij zijn best bereid te praten over vervanging door een vorm van flexibele pensionering,” zegt Den Uyl, “maar dan moet de overheid niet beginnen met een miljard weg te halen. Dat geld hebben we namelijk broodnodig voor het maken van een meer individuele en flexibele regeling.”

De eerste experimentele VUT-regelingen traden in 1976 en 1977 in werking bij respectievelijk het onderwijs en de bouwnijverheid. Net als veel andere sociale zekerheidsregelingen werd de VUT een groot succes in de jaren tachtig, toen bedrijfsleven en overheden tijdens grote reorganisaties arbeidskracht moesten lozen. In de marktsector daalde de gemiddelde VUT-gerechtigde leeftijd van 62,5 jaar in 1980 naar 60 jaar in 1990. Bij de overheid nam de minimumleeftijd af van 62 naar 60 jaar. In 1990 was voor ongeveer zeventig procent van de werknemers in de marktsector een VUT-regeling van kracht en voor nagenoeg honderd procent van het overheidspersoneel. De kosten waren er naar. In 1992 bedroegen de VUT-lasten van bedrijven 2,4 procent van het brutoloon. Voor de overheid was dit bijna 7 procent. Het aantal Vutters steeg volgens vanmorgen gepubliceerde cijfers van het CBS van 94.000 in 1987 tot 146.000 eind vorig jaar.

Als de regelingen ongewijzigd blijven zal het aantal vutters nog toenemen tot ruim tweehonderdduizend in het jaar 2000. Oorspronkelijk was het nadrukkelijk de bedoeling dat de VUT zou bijdragen aan herverdeling van arbeid: meer jongeren voor ouderen. Gaandeweg rezen de twijfels. “Geleidelijk is de werkgelegenheidsdoelstelling van de VUT steeds meer naar de achtergrond verdrongen,” zo stelt het Sociaal en Cultureel Planbureau in het gisteren verschenen Sociaal en Cultureel Rapport 1994. “Momenteel wordt de VUT voornamelijk gezien als een belangrijk aspect van de (secundaire) arbeidsvoorwaarden, waardoor ouderen om persoonlijke redenen vervroegd met werken kunnen ophouden.”

Een erg dure arbeidsvoorwaarde, die niet voor de premiebetalende werknemers zelf geldt, maar voor vervroegd uitgetreden collega's. De VUT doet een beroep op het solidariteitsgevoel van jongere werknemers en dat neemt overeenkomstig de tijdgeest zienderogen af.

Om deze redenen staan de VUT-regelingen met name in het bedrijfsleven al langer ter discussie. Nu echter heviger dan ooit. Dat komt door het aantrekken van de economie. Toen het nog minder goed ging met de winsten, zo geven werkgevers in de metaalindustrie toe, was de VUT een versluierde kostenbesparing. Ouderen die gebruik maakten van hun recht om op 60 jaar of eerder uit te treden werden niet vervangen. En de werknemers betaalden voor twee-derde (of minder, afhankelijk van de regeling) mee aan deze sanering. Nu het weer goed gaat met de meeste bedrijven moeten vutters wel vervangen worden. Daarmee vervalt een argument van werkgevers om voor de VUT te zijn. Daar komt ook voor hen nog een argument bij: de kosten van de VUT lopen gigantisch op. Reden waarom de regeling ook van vakbondszijde ter discussie wordt gesteld.

“Ik heb twee of drie jaar geleden al voorgesteld om de huidige collectieve VUT af te schaffen en te vervangen door een opbouwsysteem waarbij werknemers individuele vut-rechten opbouwen,” zegt H. Noten, die in december namens de Dienstenbond FNV met de banken (108.000 werknemers) hoopt te onderhandelingen over een nieuwe CAO. “Op langere termijn is zo'n systeem beter beheersbaar. De kosten van de VUT zijn in de banksector nog relatief laag: rond de 3 procent van de loonsom. Maar de komende zeven tot acht jaar zullen die kosten door een groter beroep op de regeling oplopen tot 11 procent, zo schatten wij. Hoe langer we wachten hoe heviger de kostenstijgingen worden.”

Dat de kosten van de VUT in het bankwezen nog redelijk laag zijn heeft te maken met het feit dat werkgevers hier op grote schaal oudere werknemers uit het arbeidsproces lozen via de zogeheten '57-jarigenregeling'. Deze houdt in dat bij sanering werknemers ontslagen mogen worden, waarbij de werkgever de WW tot de pensioengerechtigde leeftijd mag aanvullen. Voor werknemers is dat meegenomen, want die mogen zodoende tweeeneenhalf jaar eerder vertrekken dan volgens de VUT. De totale kosten voor werkgevers zijn, door het grote beroep op deze per individueel geval goedkopere regeling, hoger dan de totale VUT-kosten, namelijk: 4,5 procent van de loonsom. Dit voorbeeld bewijst het gelijk van X. den Uyl van de ACOP, die beweert dat afschaffing van de VUT tot kosten elders (zogeheten 'uitverdieneffecten') leidt.

De 57,5-jarigenregeling heeft een pendant bij de overheid, namelijk de zogeheten “Wachtgeld-VUT”. Al jaren stromen bij de overheid ambtenaren op 55-jarige leeftijd massaal de wachtgeldregeling (de WW voor ambtenaren) in met behoud van het recht op een VUT-uitkering bij het bereiken van de VUT-gerechtigde leeftijd (60 jaar). De arbeidsmarkt heeft vele ventielen. En werkgevers en werknemers kiezen gezamenlijk dat ventiel dat voor beide financieel het gunstigst uitvalt.

Maar de reorganisaties die het gebruik van de 57,5-jarigen en de Wachtgeld-VUT mogelijk maken zijn ook voorbij. De werkgevers klagen dat ze ervaren krachten kwijtraken en met name jongere werknemers vinden de kosten van de VUT-regeling te hoog. Zelf zullen ze, zo verwachten ze, er nooit van profiteren.

Ook werkgevers redeneren volgens H. Noten van de Dienstenbond FNV zo. “Die VUT verdwijnt vanzelf omdat hij onbetaalbaar wordt, redeneren werkgevers. Waarom zouden zij zich daar dan druk over maken. Vandaar dat wij de VUT maar ter sprake hebben gebracht. Wij willen een geïndividualiseerd opbouwsysteem en zijn zelfs bereid om daarvoor bij de pensioenen het eindloonsysteem, waarbij werknemers een bepaald percentage van het laatstgenoten inkomen als pensioen krijgen, te vervangen door een middelloonsysteem waarbij het pensioen gelijk is aan het gemiddelde loon dat tijdens de arbeidsjaren is verdiend. Bij alle andere bonden is dat eindloon nog heilig.”

Net als de metaal trekt ook de bouw - een bedrijfstak waar de VUT welig tiert - aan. Maar ook hier zijn het met name de bonden die het mes in deze vorm van sociale zekerheid willen zetten. De leeftijd waarop werknemers in de bouw kunnen uittreden bedraagt - afhankelijk van welke bedrijfstakcao het betreft - 57 à 59 jaar. De Bouw- en Houtbond FNV is geporteerd voor de aanpak die de Industriebond FNV eerder bij Akzo aanhing: een geleidelijke ombouw van een omslagstelsel, waar jongeren voor uittredende oudere werknemers betalen, in een kapitaaldekkingsstelsel, waar iedere werknemer voor zijn eigen VUT spaart.

Op dit moment is het volgens de bond nog niet mogelijk om vervroegde pensioenen op individuele basis via pensioenfondsen aan te bieden, maar voor de toekomst moet daar wel naar toegewerkt worden. Dat kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van de fiscaal gefacilieerde (en daarom geblokkeerde) spaarregelingen. Die kunnen later, wanneer de spaargelden vrij komen, worden aangewend ten behoeve van de financiering van een individueel VUT-recht. Ook wordt gedacht aan het op grote schaal introduceren van “deeltijd-VUT”: een of meerder dagen per week korter werken. En aan een inventieve wijze om de VUT flexibeler te maken en er tegelijkertijd op de bezuinigen: werknemers krijgen bijvoorbeeld nog maar recht op vier in plaats van zes jaren VUT, maar mogen zelf uitmaken of ze later uittreden met een hogere uitkering of eerder met een lagere.

Bij de schilders (35.000 werknemers) bedraagt de totale VUT-premie nu 6,7 procent, iets meer dan in de bouw (200.000 werknemers). Als er niet wordt ingegrepen in de VUT-regeling bedraagt de VUT-premie aan het begin van de volgende eeuw in beide sectoren 11 procent. Bij de vorige CAO-onderhandelingen zijn al principe-afspraken over de VUT gemaakt. Er wordt, zoals in veel andere bedrijfstakken, op gestudeerd. Maar dat er iets gebeurt om de VUT goedkoper te maken, daarvan is iedereen in de bouw overtuigd. “Iets minder collectiviteit en meer individualisering,” luidt hier het devies. En dat lijkt als twee druppels water op het parool van het kabinet-Kok.

Daarmee zijn we aangeland bij een laatste reden waarom de VUT aangepakt wordt: het algemene politiek-culturele klimaat, zoals verwoord in de regeringsverklaring van het kabinet Kok. “Om het veranderingstempo in de wereld bij te kunnen houden,” zei Kok op de laatste dag van augustus in zijn regeringsverklaring, “is vindingrijkheid nodig van mondige, weerbare burgers, die verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen keuzen.” Bij deze liberale geest past een andere VUT.

Hoewel het kabinet aan de andere kant ook “saamhorigheid” bepleit worden de liberale gezindheid en de pleidooien voor meer flexibiliteit dankbaar aangegrepen door vertegenwoordigers van belangengroepen. “Wij zijn voor meer individuele vrijheid in VUT- en pensioenregelingen,” zegt FNV-voorzitter J. Stekelenburg. “De VUT is veelvuldig aan de orde in het overleg tussen werkgevers en werknemers,” beaamt voorzitter A. Rinnooy Kan van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO). “Het geindividualiseerd flexibel pensioen heeft een grote actualiteitswaarde.”