Gezin en inkomen

Mag iemands huiselijke situatie in de belastingheffing een rol spelen? Volgens velen is dat uit den boze. Al dan niet samenwonen en al dan niet beiden werken vormen geen relevante factoren. Anderen menen evenwel dat een gezin met één inkomen net zo moet worden behandeld als een gezin met twee halve inkomens. De individualistische opstelling vertolkt de opvattingen van VVD en D66; de andere stelling hoort meer tot het gedachtengoed van het CDA: het gezin als een fiscale eenheid. Het gaat niet louter om een theoretisch probleem. Kijk maar naar wat er gebeurt met de zogenaamde belastingvrije som: de belastingvrijdom van zo'n 6.000 gulden waar iedereen aanspraak op kan maken. Als beide partners verdienen, verbruiken ze beiden hun basisaftrek. Maar hoe zit dat als er slechts één verdient? Geldt dan een samengevoegde aftrek van 12.000 gulden of toch alleen de individuele aftrek van 6.000 gulden? In dat laatste geval gaat de basisaftrek van de partner verloren. Voor veel vrouwen zou dat een prikkel zijn om een baan te nemen, want de eerst verdiende 6.000 gulden zijn belastingvrij. Vanuit de systematiek van ons belastingrecht zijn beide mogelijkheden verdedigbaar. De keuze is een politieke.

Tot 1973 was die keuze vanzelfsprekend; een vrouw werd fiscaal niet als volwaardig beschouwd. Haar inkomsten werden daarom simpelweg aan haar echtgenoot toegerekend. In 1973 kreeg zij een eigen, maar wel heel lage, basisaftrek. Voor de wet bleef de gehuwde vrouw evenwel financieel afhankelijk van haar man. Dat veranderde pas in het midden van de jaren tachtig met de invoering van de tweeverdienerswetgeving, die in 1990 overging in de Oort-wetgeving. Die kent een gelijke basisaftrek voor ieder van de partners. Mocht één van beiden die aftrek niet (volledig) benutten, dan kan die (het ongebruikte deel van) de aftrek aan de ander overdragen. Het systeem lijkt de rechtvaardigheid zelve. Maar volgens het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) schendt Nederland op onaanvaardbare wijze de rechten van de vrouw. De wat gewrongen redenering is als volgt: Door de heffingssystematiek van ons stelsel kan het gebeuren dat kostwinners (zonder werkende partner) er beter uitspringen dan twee werkende partners. De meeste kostwinners zijn mannen, dus vrouwen worden indirect gediscrimineerd en daarmee in hun mensenrechten aangetast. Een klacht van deze strekking wordt inmiddels op Europees niveau onderzocht.

Ondertussen groeide een politieke voorkeur voor het afschaffen van de overdraagbaarheid van de basisaftrek. Vooral de prikkel voor deeltijdwerk speelt daarbij een rol. Bovendien is het 'mensenrechtenprobleem' dan opgelost en de belastingheffing behoorlijk versimpeld. Maar de ongewenste effecten zijn talrijk. Zo zouden veel mensen die leven op het niveau van het sociale minimum er flink op achteruit gaan. Bovendien mag van moeders met opgroeiende kinderen niet worden verwacht dat die buitenshuis gaan werken. Het schrappen van de overdrachtsmogelijkheid werkt hier onrechtvaardig uit. Om dat te compenseren moet er drie miljard gulden bij de kinderbijslag.

De strikt persoonlijke basisaftrek moet een half miljoen nieuwe mensen naar de arbeidsmarkt lokken. Die bieden daar in 65.000 arbeidsjaren aan. Het vervelende is evenwel dat de werkgelegenheid door de maatregel niet toeneemt, maar zelfs met 37.000 arbeidsjaren vermindert. Misschien biedt de oplevende conjunctuur een oplossing voor het kabinet-Kok, dat in stilte bezig is met de liquidatie van de overdraagbaarheid van de basisaftrek.

Het gaat om een enorme operatie door de krachtige flankerende maatregelen die nodig zijn om grote inkomensgevolgen voor maatschappelijke groepen zoals de minima, de ouderen en kinderrijke gezinnen te vermijden. Maar zelfs al lukt het de inkomenseffecten voor die groepen weg te werken, dan nog blijven er op individueel niveau mensen die er fors op vooruit of achteruit gaan.

Het kabinet werkt langs de lijnen van het vorig jaar door de VVD ingediende initiatief-wetsvoorstel De Korte/Van Rey. Dat wil de pijn van de invoering over 40 jaar spreiden: de overdrachtsmogelijkheid zou alleen voor de komende generatie op de arbeidsmarkt verloren gaan. Een minder gespreide invoering is ook denkbaar. Als er tien jaar lang een koopkrachtstijging van één procent kan worden bereikt, kan de overdrachtsmogelijkheid in die periode worden geschrapt zonder dat er koopkrachtverlies optreedt. Maar het duurt dan nog steeds tien jaar voor de operatie echt nut afwerpt. Dat is erg lang. De hele problematiek is inmiddels door talrijke adviesorganen doorgerekend en tegen het licht gehouden. Kok kan meteen aan de slag met een belastingherziening die fiscaal-technisch neerkomt op een pennestreek. De ingrijpende gevolgen zullen evenwel voor meer mensen merkbaar zijn dan enige andere belastingherziening in de afgelopen tien jaar.