Geheugenkunst: met de ogen over het blad in stilte speuren naar betekenis

De Constructie van het geheugen. De rubricatie in een incunabel uit de Utrechtse Paulusabdij en de geschiedenis van het lezen. Openingscollege Faculteit der Letteren, Universiteit Utrecht, door prof. dr. W.P. Gerritsen. 9 september om 16u in de Pieterskerk, Utrecht.

UTRECHT, 7 SEPT. In de bibliotheek van de universiteit van Utrecht slaat mediaevist prof. dr. W.P. Gerritsen een dik bruin boek open. Op de eerste bladzijde valt, behalve de prachtig ingekleurde hoofdletter, onmiddellijk de rubricering op: helrood getekende hoofdletters, punten, komma's en alineatekens die uit de zwarte letterbrij omhoog springen. “Deze rubriceringstekens zijn niet alleen aangebracht om de tekst duidelijker te structureren”, zegt Gerritsen. “Ze zijn ook gebruikt als geheugensteun; daarnaast hebben ze indirect bijgedragen tot het feit dat wij nu stil kunnen lezen.”

Stil lezen is buiten academische kringen pas rond de veertiende eeuw min of meer gebruikelijk geworden. Daarvoor las men hardop, en wie dat niet deed kon op verbaasde blikken rekenen. Uit de negende eeuw stammen bijvoorbeeld geschriften waarin monniken wordt gemaand zo zachtjes mogelijk te lezen, en ook de latere kerkvader Augustinus beschrijft met nauw verholen verbazing zijn eerste confrontatie met een stillezer. In het zesde boek van zijn Confessiones (Belijdenissen, 397 na Chr.) vertelt hij hoe hij af en toe de werkkamer van zijn leermeester Ambrosius binnen kwam lopen en deze dan lezend aantrof. Tot verbazing van Augustinus deed Ambrosius dat niet hardop, maar in bijna volledige stilte: “(-) Zijn ogen speurden over de bladzijden en zijn hart speurde naar de betekenis, terwijl zijn stem en tong rustten.” Dat dit een bijzondere vaardigheid was, blijkt uit het vervolg van Augustinus' tekst: hardop vraagt hij zich af of Ambrosius misschien bang is dat meeluisteraars lastige vragen zullen stellen, of dat hij zijn stem, die “heel gemakkelijk schor raakte” wil sparen.

Het ontstaan van het stillezen komt ter sprake tijdens het openingscollege dat Gerritsen op 9 september aan de Letterenfaculteit van de Universiteit van Utrecht zal geven. “Stillezen raakte in zwang bij een kleine elite in de loop van de twaalfde, dertiende eeuw”, stelt Gerritsen. “Het begon in intellectuele centra als Bologna, Parijs en Orléans; de moderne devotie is er waarschijnlijk van grote invloed op geweest. Die zette de gelovigen aan om op een persoonlijkere, meer individuele manier met het geloof en dus ook met de geloofsteksten om te gaan.”

Als voorbeeld voor zijn stelling over rubricering heeft Gerritsen een exemplaar van de Sermones de Sanctis van Jacobus de Voragine uit de bibliotheek van de voormalige Utrechtse Paulusabdij geleend. Deze incunabel, een boek dat stamt uit ongeveer de eerste vijftig jaar na de uitvinding van de boekdrukkunst, maakt nu deel uit van de collectie van de Utrechtse universiteitsbibliotheek. Deze bibliotheek bezit een aantal complete bibliotheken van kloosters uit de buurt van Utrecht, verworven na oprichting van de bibliotheek in 1584. De volledige verzameling bestaat uit zo'n 600 banden, zowel handschriften als incunabelen.

“De Paulusabdij was een rijke, benedictijner abdij in het centrum van de stad”, vertelt Gerritsen. “Volgens de Regel van Benedictus waren de monniken in de orde verplicht per jaar één boek te lezen. Dat moesten ze ook volledig uit hun hoofd leren, dus zaten ze in hun cellen te studeren en werden ze regelmatig overhoord of ze de teksten wel afdoende uit hun hoofd hadden geleerd.

Dit memoriseren hield voor de monniken meer in dan het leren volgen van een redenering. Omdat het 'boek van het jaar' vaak een boek met preken of heiligenlevens was, werden ze geacht de kennis na lezing paraat hebben. Daarom werden ze in het memoriseren getraind met behulp van visuele structuren. “Hugo van St. Victor legt bijvoorbeeld aan jonge monniken uit hoe ze de 150 psalmen van het psalter uit hun hoofd moeten leren”, zegt Gerritsen. “Hij doet dit door ze zich een lijn met de getallen één tot 150 voor te laten stellen. Vervolgens plaatsen ze in hun geheugen onder ieder getal het eerste vers van iedere psalm. Onder die versen stellen ze zich een volgende lijn voor, weer met de getallen van één tot 150. Daaronder plaatsen ze van alle psalmen het tweede vers, enzovoort. Het voordeel van die methode was, dat ze in hun hoofd heel snel, bij wijze van spreken van het vierde vers van psalm 87, via het negentiende vers van psalm 21 naar de laatste vijf versen van psalm 39 konden springen - net zoiets als een computer met random retrieval tegenwoordig.

Een andere methode van memoriseren was dat een monnik zich bijvoorbeeld een huis voorstelde waarbij hij de te leren tekst in de verschillende kamers opsloeg.” Voor al deze vormen van memoriseren was volgens Gerritsen rubricering van essentieel belang. “De rubriceringstekens waren oorspronkelijk markeringspunten om een tekst in stukken te verdelen en voor de monniken het uit het hoofd leren te vereenvoudigen. Het belang van die tekens werd groter toen in de late middeleeuwen steeds meer devotionele teksten in de volkstaal werden gesteld; leestekens bleken een goed hulpmiddel om ze voor het volk toegangelijker te maken. Zo ontstond langzaam, mede onder invloed van de moderne devotie en een auteur als Thomas a Kempis, het bekende 'met je boekje in een hoekje': lezers die in alle stilte een privé-relatie opbouwden met een tekst en het mompelen achterwege gingen laten. Doordat teksten duidelijker gestructureerd raakte, werd het steeds gemakkelijker om in stilte te lezen.”