Een man is erg vrek

Iets over half elf loop ik de docentenkamer binnen en ik ben in een uitstekend humeur. “Luister”, zeg ik tegen collega R., “luister, dit moet je horen. Opstel van Mounir”.

Ik lees voor:

een man is erg vrek. een dag gaat hij naar zijn werk, als doet hij de deur open. gaat hij dood. waarom? want vergeet hij de licht aan.

Ik kijk R. verwachtingsvol aan. “Ja, 't is dieptreurig”, zegt ze - alsof ze met mij instemt. Maar ik vind het helemaal niet dieptreurig. Ik ben verrukt over dit proza. Hoe lang leert de Marokkaanse Mounir nu al Nederlands? Hooguit drie maanden. Toch voel ik me nu een beetje schuldig. Het zit me plots dwars dat ik Mounirs verhaaltjes 'zo leuk gebrekkig' geschreven vond. Werd ik niet betaald om docent Nederlands te zijn, de invalide te leren lopen, in plaats van mijzelf te vermaken met zijn gebrek? Zo gretig als ik lees wat hij schrijft, zo graag ook hoor ik hem praten, op de hem zo kenmerkende, opgewonden manier.

“Ik eehh...” Zijn stem klinkt rauw. Schokkerig schudt hij met zijn hoofd. “Ik eehh niet weten... eeh wat moet doen met deesch.”

“Wat bedoel je, Mounir?”

“Eeh... wat is... eeh... deesch op grond eeh... rond...”

Ik begrijp dat hij naar een woord zoekt, maar naar welk woord? Hulpbehoevend kijk ik om me heen op zoek naar Marokkaanse leerlingen die het Nederlands iets beter beheersen.

“Weet jij wat hij bedoelt?” vraag ik aan Abdelkarim. Mounir grauwt hem iets toe. Zo tenminste, als een grauw, klinkt mij zijn Arabisch in de oren.

“Van regen...”, zegt Abdelkarim, “water op straat”.

“Ah! Een plas!”

“Blas?” vraagt Mounir.

“Nee, plas, plas.”

Hij duikt weer op zijn blaadje. De vrije opdracht die ik hem gegeven heb - je mag schrijven wat je wilt - bevalt hem. Hij is onmiddellijk aan het werk getogen, en werkt naarstig voort. Dat is voor een herrieschopper als hij niet zo gewoon.

“Meneer ehh... jij kijken naar deesch.” Hij is blijkbaar klaar met zijn tweede mopje.

“Ik kijk het straks wel na, Mounir”, zeg ik , “als je helemaal klaar bent.”

“Ja... maar ehh... ik niet weten is deesch goed.”

Zijn smekende blik is moeilijk te weerstaan. Bovendien ben ik zelf ook nieuwsgierig. Ik buig me voorover om te lezen wat hij geschreven heeft.

man vrek ook. in een dag hij wast boven een grote flat en kijkt hij naar beneden en dan kijkt hij een dubbeltje en komt hij snel naar beneden, en dan, kijkt kwartje, komt naar 6 étag af zo kijkt hij 1 gld. maar als hij naar beneden op de grond hij kijkt Blas.

Ik schiet in de lach, “Hij kijkt geen kwartje, hij ziet een kwartje”, zeg ik, maar Mounir hoort mij misschien niet eens. Hij heeft mij zien lachen - dat is voor hem genoeg. Hij grauwt iets naar zijn maten, Mohammed en Abdelkarim uit Marokko, Manoucher uit Iran. Zij beginnen zacht te lachen en kijken steels naar mij. Mounir is alweer aan het schrijven.