Dirigent Salonen laat Sibelius' 'Tweede' glanzen als donker goud

Concert: Los Angeles Philharmonic o.l.v. Esa-Pekka Salonen met Emanuel Ax (piano). Programma: Purcell/Stucky: Music for the funeral of Queen Mary; Mozart: Pianoconcert in d kl.t. KV 466; Sibelius: Tweede symfonie in D gr.t. op. 43. Gehoord: 6/9 Concertgebouw Amsterdam.

De Finse dirigent Esa-Pekka Salonen wordt nog altijd geafficheerd als jong en veelbelovend, maar werd al jaren geleden opgenomen in het selecte gezelschap van maëstro's met wereldfaam. Sinds 1992 is Salonen als artistiek directeur verbonden aan het Los Angeles Philharmonic dat onder zijn leiding een verzadigd, bijna romig geluid voortbrengt - eindeloos gepolijst tot het glanst als donker goud. Geleid door Salonen benaderde het Amerikaanse orkest gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw de perfecte uitvoering van de Tweede symfonie van Jean Sibelius.

Maar waar Sibelius' Tweede staat of valt met een briljante vertolking omdat het werk anders verzandt in pathetische retoriek, had de geacheveerde klankcultuur van het orkest een averechts effect in het Pianoconcert KV 466 van Mozart. Na slechts enkele maten was duidelijk dat Salonen aanstuurde op een Mozart voor bij de open haard: aangenaam, rustig, prachtig van klank, maar erg vervelend. De contrasten en accenten waaraan Mozarts muziek zijn levendigheid ontleent, werden zonder uitzondering gladgestreken. Het spel van Emanuel Ax sloot naadloos aan bij deze romantische opvatting. De Poolse pianist toonde zich een liefhebber van gemaniëreerde rubati en gebruikte veel pedaal.

Aan deze exercitie in voorspelbaarheid was een Purcell-bewerking van Steven Stucky vooraf gegaan die de luisteraar juist op een onverwachte manier wilde confronteren met Music for the funeral of Queen Mary. In opdracht van Salonen instrumenteerde Stucky de noten van Purcell voor blazersensemble, aangevuld met slagwerk, harp en piano. Gecombineerd met passages die Stucky zelf schreef, kregen de klagende chromatische lijnen van het origineel een onbehaaglijke actualiteit.

Hoe boeiend deze vernieuwde Purcell ook mocht klinken, de kwaliteiten van de Los Angeles Philharmonic kwamen pas goed tot hun recht in de Sibelius-symfonie. Het orkest gonsde in de diepte en zong in de hoogte, speelde spatgelijke pizzicato-passages en fonkelende kopermelodieën met een vanzelfsprekendheid alsof er geen technische hindernissen leken te bestaan. Telkens openden zich nieuwe vergezichten in het weidse klanklandschap dat Salonen opriep. Met heldere, gedecideerde gebaren werkte hij toe naar de overrompelend mooi gespeelde Finale, waarin het hoofdthema uitgroeide tot apotheose van al het voorgaande.

Jammer genoeg besloot het Los Angeles Philharmonic vervolgens met een toegift, het laatste deel uit Ma mère l'oye van Maurice Ravel. Hoe schitterend ook gespeeld, na Sibelius klonk Ravels sprookjesmuziek vooral overbodig.