De versplintering van de arbeidsmarkt

ROTTERDAM, 7 SEPT. Hoe zal de Nederlandse arbeidsmarkt er over pakweg twintig jaar uitzien? Dat is een van de vele vragen waarop het gisteren verschenen Sociaal en Cultureel Rapport 1994 een antwoord probeert te geven. Op grond van bestaande trends, recent onderzoek, economische scenario's en intelligente speculatie schetsen de opstellers mogelijke contouren van de toekomstige arbeidsmarkt.

Aan de aanbodkant rekent het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) voor de komende decennia op een groei van de potentiële beroepsbevolking (15 tot 65 jarigen) met 900.000 mensen (8 procent meer dan nu) als gevolg van natuurlijke aanwas en migratie. Voor de economische ontwikkeling, die in belangrijke mate de vraag naar arbeid bepaalt, treedt het SCP in het voetspoor van de drie scenario's die het Centraal Planbureau twee jaar geleden opstelde. In het pessimistische draaiboek (Global shift) groeit de kloof tussen vraag en aanbod. De werkloosheid loopt op tot meer dan 800.000 mensen begin volgende eeuw, hetgeen dan tot een ingrijpende omslag in het beleid noopt. Ook in de optimistische verkenning (Balanced growth) duurt het tot 2015 voor er een 'frictie-werkloosheid' van 210.000 mensen resteert. Het derde scenario (European renaissance) zit hier tussenin.

Behalve deze kwantitatieve vooruitblik, heeft het SCP ook mogelijke kwalitatieve ontwikkelingen op de arbeidsmarkt verkend. Daarbij is aansluiting gezocht bij de drie genoemde economische scenario's. Het eerste scenario, corresponderend met Global shift, schetst het beeld dat ontstaat bij toenemende polarisatie of tweedeling van de arbeidsmarkt. De verscherpte concurrentie binnen Europa, uit Oost-Europa en uit het Verre Oosten dwingt Nederland veel nadruk te leggen op een onbelemmerde, flexibele marktwerking. Op de arbeidsmarkt ontstaat hierdoor een scherp onderscheid tussen 'kernwerknemers' en 'randwerknemers'.

De eersten zijn goed opgeleid en hebben een vaste, regelmatige en goed betaalde volledige baan, beschermd door een wijdvertakt net van arbeidsvoorwaardelijke regelingen. Daarentegen blijven laag opgeleiden, allochtonen, (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten en vrouwen die slechts een deel van de tijd beschikbaar zijn voor betaald werk aangewezen op marginale banen in het 'randsegment' van de arbeidsmarkt. “Bijna iedereen die wil werken kan wel een baantje vinden, maar wie vandaag werkt, kan morgen weer zonder werk zitten”, aldus het rapport.

Zo'n 'gepolariseerde' arbeidsmarkt heeft volgens het SCP als belangrijk pluspunt dat er op wat langere termijn uitzicht ontstaat op volledige werkgelegenheid. Maar daar staat tegenover dat de voor voldoende groei vereiste deregulering de maatschappelijke ongelijkheid vergroot met als risico het ontstaan van een omvangrijke klasse van working poor. De scheidslijn tussen 'insiders' en 'outsiders' loopt tussen werkenden met een vaste baan aan de ene kant en werkenden en werklozen met een marginale arbeidsmarktpositie aan de andere kant.

In het middenscenario, geënt op European renaissance, ligt een zogenoemde 'geïntegreerde' arbeidsmarkt in het verschiet. Daarbij bestaat tussen werkgevers, vakbonden en overheid overeenstemming over de noodzaak van een kwalitatief sterk en flexibel bedrijfsleven dat zich niet blindstaart op loonmatiging. Er ontstaat meer variatie in arbeidstijdpatronen en ook meer differentiatie in beloning, die beide aansluiten bij de wensen van zowel werkgevers als werknemers.

Voor de flexibele en multi-inzetbare werknemer ziet deze arbeidsmarkt er tamelijk rooskleurig uit. Maar voor een omvangrijke groep langdurig werklozen, laag opgeleiden, allochtonen, herintreedsters en gedeeltelijk arbeidsongeschikten blijft deze status onbereikbaar omdat er niet genoeg banen zullen zijn en/of omdat niet iedereen aan de door werkgevers gestelde eisen (ten aanzien van kwaliteit en flexibiliteit) zal kunnen voldoen. Hier loopt de scheidslijn tussen 'insiders' en 'outsiders' dan ook veeleer tussen werkenden en (onvrijwillig) niet-werkenden.

Tenslotte schetst het SCP, op basis van Balanced growth, het ontstaan van een 'pluriforme' arbeidsmarkt. Daarop zijn zowel polariserende als integrerende trends zijn onderkennen die uitmonden in grote verschillen tussen bedrijven en bedrijfstakken. In de sectoren die aan internationale concurrentie blootstaan, zal een deel van de bedrijven de concurrentiestrijd vooral aangaan op kwaliteit en daartoe hoog gekwalificeerd, multi-inzetbaar personeel aantrekken dat goed wordt betaald.

Andere bedrijven zullen de nadruk leggen op het drukken van de loonkosten en daartoe de weg inslaan naar veel flexibele en laag betaalde banen en baantjes. Traditionele volledige banen, vooral bezet door mannelijke kostwinners, blijven dominant in de van concurrentie afgeschermde sectoren zoals de bouw. Daarnaast rukken vrouwen verder op in flexibele banen, zoals deeltijd-, oproep- en uitzendwerk, in de zakelijke dienstverlening, de detailhandel en de zorgsector, terwijl een toenemend aantal hoog gekwalificeerde werknemers met een sterke arbeidsmarktpositie zich als zelfstandige vestigt.

Het Sociaal en Cultureel Rapport 1994 wijst erop dat dit laatste scenario voor de arbeidsmarkt wel eens het “meest realistische” zou kunnen zijn. Kortom: meer verscheidenheid, verdere versplintering en meer onoverzichtelijkheid. De hamvraag is of het kabinet-Kok daar ook op aanstuurt. Want de marges mogen smal zijn, ongevoelig voor overheidsbeleid is de arbeidsmarkt beslist niet, beklemtoont SCP-medewerker drs. P. de Beer, auteur van het hoofdstuk over arbeid in het rapport.

De arbeidsmarkt-schetsen zijn, zegt de Beer, juist ook gemaakt om “politici te inspireren tot het formuleren van heldere beleidsvoornemens”. Maar: “Waar het kabinet-Kok heen wil, is onduidelijk. De plannen zijn nogal vaag”. Zelf acht De Beer een omslag in de ongunstige werkgelegenheidsontwikkeling ondenkbaar zonder omvangrijke uitbreiding van de werkgelegenheid in de collectieve sector en een grootscheepse herverdeling van werk. Maar op dit moment lijkt voor geen van beide opties voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak te bestaan. “Dat Nederland nog ten minste tien jaar met een omvangrijke werkloosheid zal worden geconfronteerd, is dan ook welhaast een vaststaand feit”, concludeert het rapport.