Brussel herziet Zaïre-beleid na aantreden van nieuwe premier in Kinshasa; België hoopt op Kengo bij isoleren van Mobutu

Gaat België de banden met zijn voormalige kolonie Zaïre opnieuw aanhalen? Staatssecretaris Derycke van ontwikkelingssamenwerking wil steun geven aan de nieuwe regering van premier Kengo wa Dondo, maar wel onder strenge voorwaarden.

BRUSSEL, 7 SEPT. Staatssecretaris van ontwikkelingssamenwerking, Erik Derycke, herhaalt het met nadruk: “De Belgische regering heeft al lang begrepen dat er met de Zaïrese president Mobutu niets te bereiken valt. Wij willen met die man ook niets te maken hebben”. Maar met de nieuwe premier van Zaïre, Kengo wa Dondo, zijn mogelijk wel zaken te doen.

Terwijl de meeste van zijn collega's op zomerreces waren, haalde Derycke afgelopen maand de voorpagina's van de kranten met de aankondiging dat België de mogelijkheid gaat bestuderen om de samenwerking met Zaïre te hervatten nu Kengo in Kinshasa is aangetreden. Tot irritatie van minister Claes van buitenlandse zaken deed minister van defensie Delcroix er vorige week nog een schepje boven op door de mogelijkheid te opperen om zelfs Belgische soldaten naar de voormalige kolonie te sturen om te helpen bij de wederopbouw. “Totaal voorbarig en alleszins niet prioritair”, reageerde Claes bits op dit ongevraagde voorstel.

Het afhoudende beleid van België ten opzichte van Zaïre is aan het veranderen. “De Zaïre-bocht van Derycke”, zo werden vorige maand de uitlatingen van de staatssecretaris samengevat in de beschouwingen. Vier jaar geleden brak de Belgische regering alle officiële samenwerking met Zaïre uit afkeer tegen het bewind van president Mobutu Sese Seko. Brussel draagt alleen nog maar bij aan humanitaire hulp, die via niet-goevernementele kanalen bij de bevolking terecht komt.

Derycke deed zijn aankondiging afgelopen maand op een persconferentie waar een uitgebreide studie werd gepresenteerd, die onder leiding van de Gentse ontwikkelingseconoom professor Jef Maton werd verricht naar de huidige, apocalyptische situatie in Zaïre. De belangrijkste conclusie: als niet snel wordt ingegrepen om de economie weer op gang te helpen, dreigt de totale ondergang, zoals in Rwanda, Somalië en Soedan. Zo'n aansporing valt bij Derycke niet op rotsige bodem. “Ik kan de mensen toch niet laten sterven”, zegt de Vlaamse socialist over de 750 miljoen frank (ruim 44 miljoen gulden) die België het afgelopen anderhalf jaar aan vooral medische hulp heeft gegeven in Zaïre.

Maar dat betekent niet dat de Belgische regering nu opeens bereid is om - in het voetspoor van Frankrijk “dat in Zaïre honderd keer verder is dan wij” - de deuren wagenwijd open te zetten voor het Zaïre van Mobutu, zoals critici hebben gesuggereerd. Premier Kengo wa Dondo, die in juni aantrad, staat bekend als lid van de 'Dinosaurus', de elite die volop heeft geprofiteerd van het regime van Mobutu. Derycke kreeg van diverse kanten het verwijt dat hij de vorige premier, Etienne Tshisekedi - de leider van de belangrijkste oppositiepartij UDPS - de steun heeft onthouden die hij nu kennelijk wel wil geven aan Kengo.

“Een ernstig misverstand”, zegt Verijcke over deze voorstelling van zaken. Hij betoogt dat Kengo de Belgische steun zal moeten verdienen. Pas als aan duidelijke voorwaarden is voldaan - “respect voor de mensenrechten” en “de weg op van democratisering” - en als Kengo heeft bewezen “dat hij in staat is om Mobutu met zijn handen van de kas en van het leger af te houden”, is Brussel bereid tot hervatting van de samenwerking. Het politieke isolement van Mobutu is een cruciale factor. “Zonder dat zullen wij geen structurele hulp aanvatten”, onderstreept Verijcke. “In wezen is aan de Belgische politiek ten opzichte van Zaïre niets veranderd. We zitten nu in een periode waarin we evalueren wat de nieuwe regering kan en wat zij niet kan. Kan zij niets, dan gebeurt er niets. Dan gaan we alleen door met onze noodhulp”.

Verijcke ontkent met klem dat hij de vorige premier Tshisekedi in de kou heeft laten staan. Toen Tshisekedi door de zogeheten Hoge Raad van de Republiek tot premier was verkozen, heeft België hem “voor honderd procent” gesteund, net zoals de Fransen en de Amerikanen. Maar Tshisekedi bleek onmachtig om een ontwikkeling ten goede in gang te zetten. “Wat wil men dan dat wij gaan doen? Moeten wij dan gaan interveniëren? Ik dacht dat die neokoloniale bladzijde was omgeslagen. Wij volgen dus de politieke consensus die is bereikt in de Nationale Conferentie van Zaïre. Eergisteren Tshisekedi, en nu staat Kengo daar. Ik heb niets tegen de één, noch tegen de ander. Ik kan alleen maar hopen dat de zaken eindelijk politiek onder controle raken en dat Mobutu opzij wordt gezet”.

“Wat mij raakt is het lot van de Zaïrese bevolking. Ik wil geen tweede Rwanda”, zegt Derycke, die zich graag profileert als een moderne ontwikkelingswerker die het accent legt op de eigen verantwoordelijkheden en mogelijkheden in de arme landen. Als het aan hem ligt zal België in de toekomst niet langer “honderden ontwikkelingswerkers uitsturen om het werk te doen dat door Afrikanen zelf kan en moet worden gedaan.”

Derijcke is geboren in 1949, en hij behoort dus tot de generatie Belgen voor wie “de emotionele band” met het roemruchte verleden niet meer bestaat. Neokoloniale schuldgevoelens tellen voor hem niet. Hij zegt respect te hebben voor “de ethische bevlogenheid van een nonneke” dat staat te trappelen om terug te keren naar Rwanda, maar voor hem is die houding geen basis voor rationeel handelen. Burundi, Zaïre en Rwanda hebben prioriteit binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking, niet omdat het oude kolonies zijn van België, maar “omwille van het objectieve feit dat deze landen tot de armsten in Afrika behoren”, zegt Derycke.

“Ik ben advocaat en voor mij zijn een heleboel dingen na dertig jaar toch verjaard. Nederland in Indonesië en wij in Centraal-Afrika hebben moeten leren om de koloniale symptomen te verwerken. We moeten ons niet schuldig blijven voelen, maar vooruit kijken hoe we op een efficiënte manier kunnen samenwerken”.

Derycke is dan ook allesbehalve onder de indruk van de opmerking van premier Kengo dat België historisch “een morele schuld” heeft tegenover Zaïre. “België kan zich daar niet zomaar van afmaken”, zei Kengo onlangs in De Standaard. “Dat is dus taal die ik absoluut niet graag hoor. Ik denk dat die schuld al lang is ingelost en ik wens op basis van dit soort uitspraken geen beleid te voeren. Want dan komen we weer terecht in de dynamiek waarin we altijd zaten: 'jullie zijn schuldig, dus jullie moeten geven'. Dat gaat er bij mij niet in”, reageert Derycke.