Selectie van studenten kan het hoger onderwijs weer lucht geven

De onderwijsplannen van het kabinet wenden de blik naar het Angelsaksische systeem van bachelors en masters. Maar dat gebeurt op een halfslachtige manier, vindt Chris Sinha. Als Nederlandse universiteiten zelf hun studenten mochten selecteren, zou dat onderwijs en onderzoek veel goed doen.

Recent vergelijkend onderzoek toont aan dat Nederlandse universitaire wetenschappers ontevreden zijn met hun onderwijstaak en hun tijd liever geheel aan onderzoek willen besteden. Dat laatste is natuurlijk deels inherent aan het bestaan van een aan-een-universiteit-gebonden wetenschapper, maar het is opvallend dat het ongenoegen over de onderwijzende taak van de universitair docent in Nederland groter is dan elders. Misschien heeft dit te maken met een hoge graad van geïnstitutionaliseerde 'cognitieve dissonantie' in de Nederlandse universiteiten: men denkt dat men de toekomstige wetenschappelijke onderzoekers moet begeleiden, terwijl men weet dat men voornamelijk verantwoordelijk is voor het overdragen van een disciplinaire basiskennis aan studenten die meestal geen enkele boodschap hebben aan de toekomst van dediscipline.

De sterke hiërarchie (in vergelijking met de Angelsaksische en andere landen) in de Nederlandse wetenschap draagt ook bij tot het ongenoegen van de universitaire wetenschappers. Als lektor (vergelijkbaar met universitair hoofddocent) in Denemarken heb ik, net zoals het geval zou zijn in de Angelsaksische landen, een eigen verantwoordelijkheid voor het begeleiden van promovendi. Het exclusieve recht dat de Nederlandse universiteiten aan hoogleraren toekennen om op te treden als promotor, verhoogt niet alleen de afstand tussen onderwijs en onderzoek voor de niet-professorale universitaire wetenschappers, maar ook het gevoel dat onderwijs een ondergeschikte taak blijft in vergelijking met onderzoek. Het past ook niet bij de hedendaagse praktijk van het wetenschappelijk onderzoek, waarin onderzoeksgroepen doorgaans verantwoordelijk zijn voor zowel het aantrekken van onderzoekssubsidies als het opleiden van onderzoekers. En het dient afgeschaft te worden in het kader van de invoering van een nieuw studiestelsel waarin de studie voor de promotie ook een duidelijker plaats krijgt dan nu het geval is.

Het is in dit opzicht interessant de plannen van het huidige kabinet te vergelijken met de recentelijk ingevoerde hervormingen in het Deense universitaire onderwijs, die ook voor een deel uitgaan van het Angelsaksische gradenstelsel. Daarin worden, kort samengevat, drie verschillende normen vastgesteld: drie jaar voor het verkrijgen van een bachelorsgraad; vijf jaar voor het verkrijgen van een kandidat (masters) graad; en acht jaar vanaf het begin van de studie tot het verkrijgen van een PhD (doctorsgraad). Studie gericht op alle drie kwalificaties wordt gesubsidieerd op basis van het principe van beurs plus lening, waarbij voor de duur van de studiefinanciering dezelfde normen worden gehanteerd als voor de duur van de studie. Nu nog heeft iedere Deense universitaire student in principe recht op studiefinanciering tot 'kandidat'-niveau (dat wil zeggen doorgaans vijf jaar). Dat dit financieel mogelijk is, is te verklaren uit het feit dat studierichtingen voor de aanvang van de studie selectie op kandidaat-studenten mogen toepassen, zoals ook in de Angelsaksische landen het geval is.

Hiermee raken wij aan een vraag die in het huidige debat over het Nederlandse hoger onderwijs onvoldoende ter discussie is gesteld. Het moet iedere universitair docent duidelijk zijn dat selectie het plezier in het geven (en vermoedelijk ook het volgen) van onderwijs in de eerste fase zou vergroten, doordat de kwaliteit en motivatie van de studenten aanzienlijk zouden verbeteren. De kabinetsplannen gaan uit van de vanzelfsprekendheid van het huidige niet-selectieve systeem, zonder enige expliciete redenering daarvoor. Waarom? Waarschijnlijk omdat massaal hoger onderwijs een mondiale trend is, ook in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, waar dit doel door een toename van het aantal - niet gelijkwaardige - universiteiten wordt nagestreefd. In het Angelsaksische hoger onderwijs zijn vele universiteiten feitelijk alleen undergraduate-inrichtingen. Het aantal graduate students is relatief klein en de graduate-opleidingen zijn ook veel meer geconcentreerd dan de undergraduate-opleidingen. Hierdoor wordt massaal hoger onderwijs verenigd met het selectie-principe, met als gevolg dat bepaalde universiteiten (de oudste, de rijkste, degenen met de grootste onderzoeksprestaties) de beste, en vaak de maatschappelijk meest geprivilegieerde, studenten aantrekken.

Voor zo'n klassestelsel in het universitair onderwijs bestaat in Nederland geen groot sociaal of politiek draagvlak - maar evenmin is er een diepgaande discussie over op welke andere manier een betaalbaar massaal hoger onderwijs wèl verenigd kan worden met behoud van zowel kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs als kwaliteit van onderzoek en onderzoekers. Men kiest, kortom, noch voor het Angelsaksische model (all degrees are equal, but some are more equal than others) noch voor een oplossing op Deense maat (behoud van wetenschappelijke kwaliteit door selectie vooraf voor wetenschappelijk onderwijs - tegenover andere soorten hoger onderwijs). Het in het midden laten, zoals bij de huidige kabinetsplannen, komt neer op een theoretische gelijkheid van de misère en een feitelijke ongelijkheid van kansen - iedereen mag studeren, maar moet ophouden na drie jaar, tenzij hij/zij kan betalen of wil lenen.

Er is een andere weg denkbaar, die inhoudt dat iedereen die daarvoor de basiskwalificatie heeft een studie mag ondernemen, en tegelijkertijd dat het voltooien van die studie op hoger niveau onderhevig is aan selectie, zonder dat daarbij het principe dat alle universitaire instellingen gelijkwaardig zijn in de kwaliteit van het aangeboden undergraduate onderwijs wordt aangetast. Een mogelijke oplossing is de volgende: de universele basisstudie vergt drie jaar voor het behalen van een gewone bachelorgraad. Dat geldt (net als in de kabinetsplannen) voor zowel HBO- als universitaire opleidingen: van hieraf aan echter bespreek ik alleen het wetenschappelijk hoger onderwijs. De studenten die daarvoor goed genoeg presteren worden toegelaten tot een vierde honours-jaar dat in bepaalde gevallen ook als eerste jaar van een beroepsgeoriënteerde tweejarige mastersstudie kan dienen. Na het vierde jaar kan men (op basis van concurrentie) beginnen met studeren voor een hogere graad door zelfstandige studie of onderzoek, hetgeen wordt voltooid na één jaar (masters) of na drie jaar (Phd, doctorstitel). Een norm van een vijfjarige basisstudie zou eventueel ook als uitgangspunt voor de wetenschappelijke beroepsopleidingen kunnen dienen.

Alle niveaus van de studie worden op dezelfde manier gefinancierd, dat wil zeggen door beurs en lening, van eenzelfde duur als de studie. Als ergens voor een vergrote (geleende) eigen bijdrage gekozen moet worden, dan zou dat beter in een vroeger dan een later stadium van de studie kunnen plaatsvinden (bijvoorbeeld in het eerste jaar). De beurs voor de laatste twee jaren van de PhD-studie zou ook groter moeten zijn dan die voor de vroegere jaren van de studie en er zou een mogelijkheid moeten zijn om de PhD-studie voort te zetten in een vierde jaar door middel van een lening alleen. Het huidige AIO-stelsel wordt dan afgeschaft en in plaats daarvan komt een stelsel van gesalarieerde 'post-doc'-plaatsen.

De beurzen voor de masters en PhD-plaatsen zouden aan de universiteiten (vakgroepen) toegekend kunnen worden op basis van hun bewezen bekwaamheid om studenten succesvol te begeleiden en na vaststelling van onderzoeksprioriteiten en de vraag naar bepaalde wetenschappelijke beroepskwalificaties. Studenten kunnen dan solliciteren naar een graduate opleidingsplaats op meerdere universiteiten. Hiermee zou een zekere mate van concurrentie tussen en binnen de universiteiten optreden, wat in principe ten goede van de kwaliteit zou komen, zonder dat er een werkelijk onderscheid tussen eersterangs onderzoeks- en tweederangs onderwijs-universiteiten tot stand zou komen. Bovendien zou dit voorstel de gelijkwaardigheid (en misschien zelfs het overleven) van de kleinere studierichtingen garanderen, wat zeker niet van de 'paarse' plannen gezegd kan worden.

Ik weet niet in hoeverre dit voorstel grote geldbesparingen zou opleveren, maar aangenomen mag worden dat het in principe een minder kostbaar undergraduate hoger onderwijsstelsel zou zijn dan het huidige. Hoeveel van het daardoor vrijgemaakte geld ten goede van graduate hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zou komen is een politieke beslissing, waarbij ernstig rekening gehouden moet worden met het economische, sociale en culturele belang van wetenschap als gemeengoed. Met het voorstel dat ik hierboven geschetst heb zouden de Nederlandse universiteiten in ieder geval in staat blijven hun rol als vertegenwoordiger en drager van wetenschap voort te zetten en hun hoogwaardige internationale erkenning te behouden. Als de 'paarse' plannen doorgaan kunnen we dat wel vergeten.