Het verraad van Amsterdam

AMSTERDAM. Toen de wethouder het vergaderzaaltje verliet, moest Kaya Pasja door zijn collega's worden vastgehouden. Maar er gebeurden geen rare dingen, daar was iedereen te versuft en te netjes voor. Het was tijdens de laatste uren van de IJ-markt, het einde van de droom van zo'n honderdtachtig kleine ondernemers. In de Egyptische bakkerij Treppas lag het prachtigste gebak op de schalen, alles glansde en glom, maar de bakker was nergens meer te bekennen. De Turkse tapijthandelaar verkocht zijn laatste handel voor inkoopsprijzen, de Marokkaanse ijzerwinkel dumpte alles voor vijf gulden per stuk. De eigenaar zat naast zijn stervende zaak. Hij was er twintigduizend gulden bij ingeschoten, hij had een huurschuld, “Moeilijk”, zei hij alleen maar, “Moeilijk”. Geen klant meldde zich meer.

In 'Kaya's Eettent' serveerde Kaya Pasja zijn laatste porties shoarma. “Morgen sta ik in mijn jas buiten, zonder geld, zonder werk.” Hij had nu al moeite om zich de schuldeisers van het lijf te houden. Hij liet me alles zien: de frituur, de koffiezetmachine, het shoarma-apparaat, de afzuigkappen, alles nog nieuw en glimmend. “De hele verbouwing kostte me zo'n honderdduizend gulden. In het begin was er van alles mis met de aansluitingen. Pas in januari konden we goed gaan draaien. Nog geen vier maanden later werd bekend dat de markt alweer zou worden gesloten. In één klap viel toen ook nog de weekenddrukte weg. We hebben nooit een kans gehad.”

Ondertussen draaien de gemeentelijke diensten al op volle toeren om de schade voor zichzelf zoveel mogelijk te beperken. De gemeentelijke sociale dienst heeft een brief laten uitgaan waarin van de ondernemers die hun bedrijf beëindigen geëist wordt dat zij hun leningen onmiddellijk terugbetalen. Kunnen ze dat niet, dan zitten ze voor vijf jaar aan een afbetalingsregeling vast, waarbij ze de helft van wat ze boven het bijstandsniveau verdienen moeten afdragen. De dienst Marktwezen heeft verklaard de gedupeerde kooplieden slechts viervijfde van hun investeringsbijdrage terug te betalen - ze hebben immers een jaar op de IJ-markt 'mogen' staan. Op het dichte rolluik van de Turkse zoetwaren en deegspecialist hangt een spandoek: “In 1992 werkloos, in 1994 hopeloos. Gemeente, bedankt.”

Het debâcle van de Amsterdamse IJ-markt, waarbij vele tientallen werklozen van gemeentewege van de wal in de sloot werden geholpen, verdient meer aandacht dan een enkele foto in de krant en een portie liefdadigheid van een paar goedwillende politici. De IJ-markt was opgezet als het grootste werkgelegenheidsproject voor allochtonen in de hoofdstad. De meeste deelnemers waren er met groot idealisme aan begonnen, hadden grote schulden gemaakt en er soms zelfs hun baan of een andere marktvergunning voor opgezegd - de mislukking heeft dus nog extra werklozen geschapen. Het project ging uit van de gedachte dat het beste werk voor allochtonen aansluit op vaardigheden waarin men ook in het thuisland goed is: bepaalde ambachten, een restaurantje, de kleinhandel. Een levendige allochtonenmarkt in het centrum van de stad had bovendien de scheiding kunnen doorbreken tussen 'gekleurde' en 'blanke' wijken die langzaam in de stad begint te groeien.

Als de markt goed was opgezet had het project een niet te onderschatten uitstraling kunnen hebben naar groepen en buurten die ieder vonkje enthousiasme hard nodig hebben. Alleen al daarom is de mislukking van de IJ-markt een kleine ramp. Het is het verraad aan al degenen die aan de gemeente hun vertrouwen gaven, in plaats van te blijven hangen in een uitkering. Maar voor de stad als geheel is het ook het fiasco van de gemiste kans, de niet gegrepen mogelijkheid, waarvan de werkelijke consequenties pas veel later zullen doordringen.

De IJ-markt is het schoolvoorbeeld van een zorgende overheid die het aan werkelijke zorg ontbreekt. Wie achteraf het onafhankelijke evaluatierapport van de adviesinstelling MBO doorleest slaat de verbijstering om het hart over de slordigheid waarmee met de belangen van de betrokkenen is omgesprongen en de nonchalance waarmee de markt is opgezet. De markt lag op een nare, geïsoleerde plek. Het gebouw was van buiten absoluut niet herkenbaar als een overdekte markt - het leek eerder een gevangenis. De gemeentelijke prognoses - veertigduizen bezoekers per week, het werden er drieduizend - waren gebaseerd op een andere lokatie, pal naast het Centraal Station. Over de variëteit en branche-samenstelling was is niet goed nagedacht, er waren veel te veel horeca-stallen, die bovendien allemaal bijelkaar stonden, van de unieke ligging aan het IJ - er konden prachtige terrassen worden aangelegd - is geen gebruik gemaakt, en zo gaat het rapport nog een poosje door.

Aan de ene kant wilde de gemeente mooi weer spelen met het project, aan de andere kant werden de risico's zoveel mogelijk afgewenteld op de kleine ondernemers. Zo werden de waarschuwingen van vastgoed-experts om zo'n de markt nooit in het najaar te openen om politieke redenen in de wind geslagen - en in de eerste maanden kwam er inderdaad geen hond. De huren waren gebaseerd op de relatief hoge kosten van de hal, en niet op de geschatte opbrengsten of de draagkrecht van de ondernemers - waarmee dus de sociale doelstelling van het project direct alweer onderuit werden gehaald.

Kaya's vriendin, Else Loupias: “We mochten in het begin geen tafeltjes of stoelen buiten zetten. We wilden mensen laten optreden, op de markt en het plein ervoor, om publiek te trekken. Het werd verboden, want dan zouden ze misschien geld ophalen. We wilden de openingstijden van de horeca en de markt gelijk trekken, en wat meer naar de avond verschuiven. Het was onbespreekbaar. We moesten exact om negen uur 's ochtends aanwezig zijn, anders kregen we een aantekening. Het was net een kindercreche.”

Zo richtte de ene overheidsdienst het werk van de andere vakkundig te gronde - overgens een bekende Amsterdamse kwaal. De gemeentelijke afdeling Economische Zaken stak veel energie in het project, maar de afdeling Voorlichting en dienst Marktwezen lieten zelfs de meest voor de hand liggende promotie-activiteiten achterwege, zodat vrijwel geen Amsterdammer wist waar de IJ-markt precies lag. Het Gewestelijke Arbeidsbureau liet 75 werklozen opleiden tot marktkoopman, maar de Dienst Marktwezen drukte vervolgens ieder initiatief om van de hal iets gezelligs te maken de kop in. Het MBO-rapport: “Vanaf het moment van opening is geen rekening gehouden met het feit van zeventig procent van de kooplieden starter was.” Else Loupias: “De meesten zitten nu met een schuld van twintig, dertig, veertigduizend gulden. Ga dan nog maar eens maar een bank om opnieuw geld te lenen voor een zaak.” Kaya Pasa: “Wij zijn toch geen kapitalisten? Wij zijn alleen maar gewone, arme mensen.” De nieuwe wethouder probeert, met goede wil, nog te redden wat hij kan. De verantwoordelijke ambtenaar verschijnt nog éénmaal voor de lokale televisie, spreekt met enige arrogantie over ondernemersrisico, concludeert: “Ze zullen moeten omzien naar ander werk”, en verdwijnt, omringd door vaste aanstellingen en rechtspositieregelingen, naar een volgende klus. De stad Amsterdam moet zich te pletter schamen.