Geweten dwingt gelovigen èn ongelovigen tot reflectie

Met de vorming van een nieuw kabinet zonder het CDA is wellicht een nieuw tijdperk aangebroken. Een tijdperk waarin het geweten aan actualiteit zal winnen, meent Antoine Bodar.

De paarse coalitie heeft gestalte gekregen, het 'heidense' karwei een aanvang genomen. De definitieve scheiding van kerk en staat voltooit zich. Het CDA krijgt extra tijd na te denken over zijn zo centrale C die aanvankelijk alleen christelijk heeft beduid. De verzuiling kan zich nu opheffen en het even ouderwetse als achterhaalde omroepsysteem kan alsnog worden afgeschaft. Een nieuw tijdperk wellicht, waarin het nieuwe heidendom het oude christendom kan bevruchten.

In dagbladen is dit voorjaar gedebatteerd over normen en waarden en wij allen weten nu dat de maatstaf daarvan niet alleen gehanteerd kan worden door het zich christelijk noemende volksdeel. Normen en waarden komen voort uit beschaving in algemene zin en niemand van ons houdt zich voor minder beschaafd dan de ander. Maar naast de overeenstemming in bepaalde normen en bepaalde waarden, blijken er steeds ook verschillen. Kennelijk worden dergelijke maatstaven ten slotte gegrond in een levensbeschouwing of een godsdienst of de ontkenning daarvan, hetwelk niet minder een visie op het leven inhoudt. Wij stellen niet de ene maatstaf boven de andere; want wij leven in een democratische samenleving en wij pogen eraan te wennen dat deze met het jaar pluralistischer wordt.

Over normen en waarden valt daarom alleen met enige vrucht nader van gedachten te wisselen, wanneer dit geschiedt uit elkaar respecterende levensvisies die hun eigen - zeker in democratisch opzicht evenwaardige verankering kennen.

Zo mag de gedachtenwisseling over normen en waarden gebracht worden op een ander niveau, dat van het geweten.

“Weinigen worden door hun huisgenoten bewonderd”, schrijft Michel de Montaigne in het tweede opstel van zijn derde boek Essais. “Zeldzaam is het leven dat tot in de privé-sfeer beheerst blijft”; want waar het schouwtoneel van het openbare leven is verlaten en de binnenkamer van het persoonlijke leven betreden, waar alles de mens vrij staat en waar alles verborgen blijft, daar krijgt het zich houden aan normen en waarden eerst recht gewicht. Alleen wij zelf weten, of wij laf zijn en wreed, loyaal en toegewijd. Hoe de anderen daarover oordelen, behoeft ons niet te beroeren. “Het eigen besef van goed en kwaad is van het grootste belang. Is dat terzijde gelaten, dan is alles verloren.” Zo oordeelt Cicero. En Montaigne citeert hem instemmend. “Het is geen geringe vreugde zich behoed te voelen tegen de besmetting van dit verdorven tijdperk en bij zichzelf te zeggen: Wie tot in mijn ziel kon kijken, zou me zelfs daar nog niet schuldig bevinden.”

Waarom laakt Montaigne in zedelijk opzicht zijn eigen tijd? De mensen zijn zo verdorven, meent hij, dat zij zelfs in hun inkeer bezoedeld zijn. Sommigen zijn met hun ondeugden zo vergroeid dat zij het lelijke ervan niet meer zien. Anderen zien hun ondeugden nog wel, maar berusten erin uit opportunisme of slapheid. Montaigne's kijk op het geweten kan als humanistisch worden aangemerkt, zij het in verbondenheid met het christendom. “God moet in ons hart werkzaam zijn”, weet hij. Ons geweten moet zichzelf verbeteren door ons geestelijk weerbaarder te maken. Wij moeten van matigheid houden om de matigheid zelf en uit eerbied voor God, die ons haar heeft gegeven. De matigheid bepaalt dus volgens Montaigne de maat, de maatstaf de regels - en God heeft daarin Zijn hand. “Stemt uw gedrag niet af op de wereld”, vermaant Paulus (Rom 12,2), “dan zijt ge in staat te weten wat God van u wil.” Het geweten is een heilige geest in ons (sacer intra nos spiritus) als beschouwer en wachter van hetgeen wij slecht en goed doen, schrijft Seneca ten tijde van Christus' leven. Handel zo, dat uw geweten zuiver is wanneer uw laatste uur daar is, raadt Marcus Aurelius. Mijn goede geweten is mij meer waard dan mijn goede naam, had Cicero al samengevat; want het goede geweten is geen geschreven maar een ingeboren wet (non scripta sed nata lex).

Een ingeboren wet? Kennelijk een van nature gegeven wet, een natuurwet. Toch weer tijd voor een christelijk humanisme, zoals in de periode van de Renaissance? Is het geweten als ingeboren wet louter individueel, alleen afhankelijk van de persoonlijke overtuiging, het eigen innerlijk of moet deze ingeboren wet als algemeen, afhankelijk van de gezamenlijke overtuiging, het gemeenschappelijke innerlijk worden opgevat? En waarop is die gemeenschappelijkheid dan gebaseerd? Op de menselijke natuur? In deze eeuw, die als kampioen van menselijke verschrikkingen mag worden aangemerkt, is dat standpunt niet langer houdbaar. Op een aan de mens van nature gegeven richtsnoer dan? Misschien. Maar door wie of wat gegeven en hoe van nature? Door een binnenmenselijke of een buitenmenselijke autoriteit? Betreft het een binnenmenselijke, dan is het geweten wellicht minder een ingeboren dan wel een overeengekomen wet. Betreft het een buitenmenselijke, dan blijkt het geweten veeleer afhankelijk van een autoriteit die klaarblijkelijk de wet stelt, een godheid of de goden, het Opperwezen of de God van Abraham, Isaak en Jacob. In beide gevallen is het geweten slechts betrekkelijk autonoom. In beide gevallen behoeft het geweten scholing of vorming.

In hoeverre achten de huidige humanisten het geweten nog ingeboren of van nature gegeven? Zouden zij het geweten niet allereerst als het resultaat van overeenkomsten zien, beredeneerde standpunten die gebaseerd zijn op de traditie van de menselijke waardigheid? Maar in hoeverre is die traditie, die leeft van de Grieks-Romeinse, joods-christelijke overlevering, dan nog voedend? Zo ja, hoe? Zo niet, hoe afhankelijk wordt dan het geweten van de wet van het getal, de grootste gemene deler die alleszins willekeurig kan zijn en louter pragmatisch?

Is het geweten een ingeboren wet óf een ingeboren wet die door overeenkomsten wordt bekrachtigd óf een slechts overeengekomen wet? Deze vraag kan niet worden afgedaan als puur theoretisch; want met het antwoord hierop hangt het antwoord op de tweede vraag ten nauwste samen. Ook al is het geweten steeds relatief autonoom, wat kan volledig aan het eigen innerlijk worden overgelaten en wat niet, hoe ver reikt de persoonlijke verantwoordelijkheid waarmee de gemeenschap niets te maken heeft? Deze praktische invulling verschilt al naargelang het al dan niet bewuste uitgangspunt, de rijping van het eigen geweten, de vorming van het eigen karakter - die alle weer samenhangen met de eigen omstandigheden naar tijd en plaats.

Een geweten evenwel, dat berust op overeenkomsten, wordt aangewend als bron waaruit men kan putten. Een geweten, dat berust op een ingeboren wet, werkt als orgaan waaruit men leeft. De twijfelaars hieromtrent behoeven zich alleen af te vragen of zij wel eens een 'slecht geweten' hebben gehad. Hebben ze dat, dan herinneren ze zich de onrust, de wroeging, de kwelling - niet omdat zij het verkeerde uit die bron hadden opgediept, maar omdat zij dat orgaan voelden aangetast. Met betrekking tot het geweten hebben gelovigen het in zekere zin gemakkelijker dan ongelovigen. Niet dat zij niet evenzeer hun verantwoordelijkheid hebben, maar zij kunnen de beschikkende God aanvaarden als liefdevolle autoriteit. Zo is volgens Augustinus het geweten van de christen tevens het weten zelf te staan voor het aangezicht van God die mede weet heeft van de diepste geheimen van elke mens. Hiervan zou de christen zich steeds bewust moeten zijn - niet uit vrees maar uit liefde.

Ongelovigen kunnen zich niet op een transcendente autoriteit beroepen. Toch zullen de meesten van hen weerspreken dat het geweten louter op afspraken berust. Dat blijkt al uit het momenteel gevoerde publieke debat over de hulp bij zelfdoding. Afspraken wijzen terug naar het gewogen oordeel over hetgeen mens-waardig wordt geacht. Indien het geweten een orgaan is, dat zich al levend ontwikkelt, in hoeverre kan het dan wezenlijk veranderen? Want de menselijke waardigheid, uitgangspunt van overweging, wordt wel telkens anders benadrukt - zo het recht op de individuele vrijheid in onze tijd -, maar verandert naar de kern niet.

Wat is dan die onveranderlijke kern die ook bij ongelovigen het orgaan van het geweten in beweging brengt? Hier slechts spreken van een categorische imperatief in Kantiaanse traditie komt mij althans te zeer voor als een beroep op de geseculariseerde autoriteit van God. En wat is die dan? Ongelovigen en naar hun voorbeeld wellicht gelovigen willen in toenemende mate volledig de eigen verantwoordelijkheid dragen waar het gaat om zaken van het geweten. Wat kunnen in dit kader katholieken aanvangen met Romeinse richtlijnen, zo zij die niet terstond als niet van deze tijd terzijde schuiven? De zinsnede Roma locuta, causa finita is van oudsher in Zuid-Europa beter begrepen dan in het noorden. Juist de huidige paus acht het als zijn plicht het christelijke ideaal - ook van normen en waarden - telkens opnieuw uit te dragen. De paus moet ook zo spreken, redeneren de Italianen en zij gaan over tot het leven van alledag maar denken met respect en liefde aan hun Heilige Vader. Waar bemoeit de paus zich mee, redeneren de Nederlanders en ook zij zetten het dagelijks leven voort maar denken mopperend en kwaad over dat autoritaire Vaticaan. Persoonlijk meen ik dat het hier te lande kalmte zou geven, indien Rome voorlopig zwijgt. En zo zij spreekt, laat zij uiting geven aan het geheim van het geloof. Ontvankelijk maken voor de Eeuwige is nu de eerste taak - niet alleen van de kerk van Rome maar ook van de andere kerken. Alleen degene, die zo geraakt wordt, zal bereid zijn ook de eigen levensinrichting te heroverwegen. Onderwijl blijft de tegenstelling vals tussen de geseculariseerde en de Roomse katholieken, alsof niet het eigen geweten ten slotte altijd de doorslag geeft.

Ik mag herinneren aan uitspraken hieromtrent van de een eeuw geleden gestorven Engelse kardinaal John Henry Newman, die door het Tweede Vaticaans Concilie op het schild is geheven. Het geweten is volgens hem een gegeven van de natuur, zoals geloven een natuurlijke levenshouding is. Het dringt zich meer trefzeker op naarmate Gods nabijheid in de menselijke ontwikkeling naar fijngevoeligheid meer wordt geproefd. De gewetensbeslissing heeft als uitgangspunt niet de zichtbare maar de onzichtbare wereld. Zij komt niet discursief maar intuïtief tot stand. Aldus Newman in 1870 en voordien in een van zijn preken: het geweten is niet enkel een gevoel en een mening, maar een stem die beveelt en een wet die oplegt het ene te doen en het andere te laten. Het geweten is meer dan de mens zelf. Hij heeft het niet gemaakt en kan het evenmin vernietigen. Hij kan het verwerpen en het weigeren te volgen, maar het blijft. Zo voert het voorbij de eigen hoogte en de eigen diepte naar Hem die het geweten stem geeft, de onzichtbare leermeester wiens stem in het innerlijk getuigenis van Hem aflegt. Het geweten als heiligste en opperste norm kan tegen de stem van de paus opwegen, schrijft Newman in 1862 (sic), maar moet dan wel het gevolg zijn van ernstige reflexie en gebed. Die reflexie bindt gelovigen en ongelovigen, kerkelijken en onkerkelijken - juist in het nadenken over de rol van het geweten.