Festival Oude Muziek afgesloten; Melodrama van Benda oogst veel succes in Utrecht

Holland Festival Oude Muziek Utrecht: voorstelling en concerten door Opéra-Ballet Atlantique, Orkest van de 18de Eeuw, Amsterdam Baroque Orchestra en Les Arts Florissant. Gezien en gehoord 1-4/9 Utrecht.

Georg Benda (1722-1795) begon zijn glanzende carrière als veelzijdig musicus aan het hof van Frederik de Grote, die zo gecharmeerd was van het vioolspel van Georgs oudere broer Franz, dat hij besloot de gehele Boheemse familie over te laten komen naar Potsdam. Met Georg, wiens melodrama's Ariadne en Medea werden uitgevoerd tijdens het laatste weekeinde van het Festival Oude Muziek, nam de geschiedenis van het Singspiel een hoge, zij het korte vlucht.

Ariadne schreef Georg Benda in één ruk achter elkaar, zoals vrijwel alle muziek in dit festival ontstond onder hoge werkdruk. De ongekend snelle schrijftrant was nu echter het gevolg van Benda's grenzeloos enthousiasme voor de emotionele kwaliteiten van het libretto van J.C. Brandes, bestemd voor diens echtgenote, de gevierde actrice Charlotte Brandes. De première op 27 januari 1775 werd een groot succes.

Het boeiende aan Ariadne is niet zozeer de vreemd verknipte vorm, maar vooral de naar het leidmotief tenderende psychologisch interessante karakterisering. Blijven in Rousseau's Pygmalion, een sleutelwerk voor deze mengvorm van gesproken toneel en opera, de woorden gescheiden van de muziek, Benda durft de confrontatie aan en interrumpeert de monologen met korte en spannende interludes. Charles Burney karakteriseerde ze als: expressief, beeldend en exquis, en ik ga graag met deze omschrijving akkoord.

Benda tekent met een fijn pennetje, gevoelig en met lak aan conventies, geheel vrij met veel maat en tempowisselingen. De empfindsame stijl van die dagen biedt doorgaans meer affect dan substantie, maar Benda vormt een aangename uitzondering.

Medea, gecomponeerd voor Mme Brandes' rivale, de actrice Sophie Friedericke Seyler, is veel stuwender en dramatischer, klinkt minder verbrokkeld en bevat veel betere muziek dan Ariadne. Het is logisch dat vooral dit werk in Utrecht veel succes oogstte. Maar als experiment betekent het een terugval. Daarna componeerde Benda, uitgezonderd Pygmalion (1795), weer doodgewone opera's.

De bijdrage van het ensemble Musica Aeterna vond ik sterk wisselend - wel muzikaal, maar te weinig fijnmazig. De enscenering daarentegen was interessant als dappere poging om het origineel in klassieke vormgeving (binnen een somber bruine kijkdoos) te benaderen, al riepen de pathetische gestolde gebaren ongewenste herinneringen op aan het acteren in de vroege stomme film.

Ook leken mij effecten zoals de zelfmoord van Ariadne, en vooral het naar binnen slepen van de vermoorde kinderen van Medea in de lange rokken van de voedster, toch te veel grand guignol, zeker voor dit streng gestileerde genre. Het overtuigendst was het spel van de actrice Ophélia Teillaud, die zeer beslist overkwam in een precieze timing met de muzikale interrupties.

Georg Benda's melodrama's vormden in het festival een dankbare brug naar de vele composities van Haydn en Mozart, uitgevoerd door de Amsterdam Baroque Orchestra en het Orkest van de 18de Eeuw. Mozart vond Benda's typeringskunst een aantrekkelijk model. Hij werd in de vormopbouw van de ouverture voor Die Entführung beïnvloed door die in Benda's voorspel voor Der Holzhauer.

Nog niet eerder hoorde ik Haydns Trauersinfonie zo dramatisch als bij het Orkest van de 18de Eeuw onder leiding van Gustav Leonhardt, donker gonzend met veel krakende kracht in celli en contrabassen, bijna meer hectisch dan dramatisch, meer bits dan geladen. Zelfs de inzet van Mozarts Symfonie in A KV 201 klonk weliswaar zacht zoals dat hoort - alleen Benda had zo'n afwijkend begin kunnen bedenken - maar tegelijkertijd met een innerlijke kracht: kernachtig zacht.

Welk een tegenstelling met het musiceren in Ton Koopmans kleinere ensemble! Licht en doorzichtig, met alle ruimte voor de blazers, quasi improviserend en onvoorspelbaar in accenten en dynamische schakeringen zoals het klavecimbelspel van Koopman zelf. Helaas, hij bleef ook te veel steken in het decoratieve, en spanning in de doorgaande lijnen ontbrak. Bij alle minutieuze profilering klonk Haydns symfonie La Reine eenvoudigweg te saai. Al ebde hier de spanning nogal eens weg - een langzaam deel 'zingt' niet - bij Leonhardt dreigde het gevaar van overspanning.

Veel viel bij het Orkest van de 18de Eeuw te genieten van korte Mozart-aria's door de Amerikaanse Cyndia Sieden: een soepele sopraan, glanzend in alle liggingen en in het pianissimo met nauwelijks minder draagkracht dan in het forte, bovendien een musicienne met guts, overrompelend vitaal.

Vitaal was zeker ook de semi-scènische slotbijdrage van Les Arts Florissants in twee smachtend elegante composities van Charpentier: Les plaisirs de Versailles en La descente d'Orphée aux enfers. De laatste helaas torso gebleven tragedie, als een open slot van een succesvol festival met in het begin vooral Lasso sterk geprofileerd en aan het eind met Benda's verrassende melodrama's. Volgend jaar is de zangstem het festivalinstrument en is er aandacht voor de madrigaal-komedie en de componisten Dufay en Purcell.