'Eén operette van vluchtende moffen en NSB'ers'

Vijftig jaar geleden, op Dolle Dinsdag, raakte Nederland in de ban van de bevrijding. Na geruchten dat geallieerden het land waren binnengetrokken, vluchtten duizenden NSB'ers naar het Oosten. De eerste Nederlandse stad, Maastricht, werd pas een week later veroverd op de Duitse bezetter. Deel 1 van een serie artikelen over het einde van de Tweede Wereldoorlog in Nederland.

Vanaf augustus was er geen boter meer te krijgen, moesten de meeste mensen het zonder koffie, thee en sterke drank stellen en bestond voeding uit niet meer dan 1.700 calorieën per dag. Tegenwoordig zou dat, aldus het Voorlichtingsbureau voor de voeding, een “mooi vermageringsdieet” zijn, maar toen vormde het - vooral in de grote steden in het westen van het land - het begin van ernstige voedseltekorten.

Toch was augustus 1944 voor veel Nederlanders een heerlijke zomermaand. De temperaturen lagen lekker hoog. Zo'n 2,6 graad hoger dan de gemiddelde etmaaltemperatuur van 16,7 graden. Ook waren er bijna anderhalf maal zo veel zonne-uren en viel er tachtig procent minder regen dan anders in augustus.

Op het Leidseplein in Amsterdam vierden acteurs als Willy van Hemert, Cees Laseur, Mary Dresselhuys en Ko van Dijk hun triomfen, terwijl de voorpagina's van de kranten voor een heel groot deel werden gevuld met berichten uit het Hoofdkwartier van den Führer over het oorlogsverloop en de felle strijd in Frankrijk. Wat de stemming onder het volk betreft, meent K. Groen in zijn studie Er heerst orde en rust, Chaotisch Nederland tussen september 1944 en december 1945 (Nijmegen, 1979), dat de meeste Nederlanders, zoals altijd, ook toen gewoon hun plicht bleven doen. De gemiddelde Nederlander haatte de NSB en vervloekte de Duitsers. Tegelijkertijd verklaarde hij het verzet voor gek.

Nederland had lijdzaam toegezien hoe joodse landgenoten uit hun huizen waren gehaald, werden bijeengedreven en met behulp van de Nederlandse Spoorwegen op transport waren gesteld. De gemiddelde Nederlander hield zich gedeisd. Meer nog dan anders leefde hij in de zomermaanden van 1944 tussen hoop en vrees. Hoop op een spoedig einde van de Duitse bezetting die al meer dan vier jaar duurde en ook in materiële zin steeds drukkender werd. En de vrees dat het land bij een eventueel treffen tussen geallieerde en Duitse legers op Nederlandse bodem zwaar getroffen zou worden.

Voortekenen daarvan waren er te over. Niemand die het oorlogsverloop volgde, kon het zijn ontgaan dat veel Franse steden bij de geallieerde opmars grote schade hadden geleden. Welke strategische plannen er op het geallieerde hoofdkwartier werden uitgebroed, kon men natuurlijk niet weten. Zelfs de Nederlandse regering in Londen werd daar niet of pas heel laat van op de hoogte gesteld. Grote delen van Nederland waren weliswaar militiar-geografisch erg onaantrekkelijk. Dat schreef zowel de Duitse historicus Rainer Mennel (Die Schlussphase des Zweiten Weltkrieges im Westen 1944/45, Osnabrück 1993) als ook de Britse krijgskundige John Ellis in The sharp end. The fighting man in World War II (Londen, 1993). In het kletsnatte najaar van '44 werd dat volledig bewaarheid. Maar dat het er in Nederland, ondanks die militair-geografische onaantrekkelijkheid, nog wel eens hard aan toe zou kunnen gaan, dat werd in verzetskringen wel enigszins vermoed.

Op 6 juni waren de geallieerden in Normandië aan land gekomen. Bijna een half jaar lang, totdat de toegang over zee naar Antwerpen was vrijgemaakt, bleef de geïmproviseerde haven van Arromanches in Normandië hun enige aanvoerplaats. Op de Normandische kust waren de Canadezen en Britten - van zee uit gezien - ter linkerzijde geland en de Amerikanen aan de rechterkant. Tijdens de verdere opmars naar het noorden bleef deze verdeling, zelfs tot ver in Duitsland grotendeels intact. Links, langs de kust waar de Duitsers zich zeer goed verschanst hadden: de Canadezen. Iets meer door het midden: de Britten die onder meer de bevrijding van Brussel voor hun rekening namen. En aan de rechterkant: de Amerikaanse Twaalfde legergroep van generaal Bradley, en nog verder naar rechts het Derde leger van de fameuze generaal Patton.

Twee en een halve maand later waren de Duitse legers definitief op de terugtocht. Tussen Normandië en de Seine hadden zij 400.000 man en zeer veel materieel verloren en waren er 200.000 Duitsers in krijgsgevangenschap geraakt. Zo zwaar waren hun verliezen dat ze die voorlopig niet te boven konden komen. Zolang het weer nog goed was, vorderden de geallieerden voorspoedig met hun opmars naar het noorden. Op zaterdag 2 september trok de 21ste Britse Legergroep over de Frans-Belgische grens, op zondag werd Brussel bevrijd, op maandag Antwerpen, Rijssel, Roubaix en Tourcoing, op vrijdag 8 september Oostende en tussen 23 en 30 september de versterkte havensteden Boulogne en Calais. Ondertussen waren op woensdag 6 september Namen en de daaropvolgende vrijdag Luik door de Amerikanen bevrijd. Zes dagen later slaagden zij er in om ook een eind te maken aan de bezetting van Maastricht.

Van het bevrijde Antwerpen tot aan de Nederlandse grens was het nog maar enkele tientallen kilometers. Het was dan ook niet verwonderlijk dat er allerlei geruchten de ronde gingen doen. Voor een deel werden die sterk aangewakkerd door uitzendingen van Radio Oranje. Op zondag 3 september maakte koningin Wilhelmina bekend dat zij de 33-jarige prins Bernhard had benoemd tot commandant van de Nederlandse strijdkrachten onder opperbevel van generaal Eisenhower. Voor dezelfde microfoon zei minister-president Gerbrandy dat de geallieerde legers in hun onweerstaanbare opmars de Nederlandse grens hadden overschreden. Dat bleek niet waar te zijn, maar het leidde wel tot de zogenoemde Dolle Dinsdag (5 september) en de beroemde septemberweek “toen ons volk”, aldus Vrij Nederland (6 oktober 1944) “in één operette van vluchtende moffen en NSB'ers en zegevierend oprukkende geallieerden bevrijd meende te worden”.